Pit, Adriaan (1860-1944)

 
English | Nederlands

PIT, Adriaan (1860-1944)

Pit, Adriaan, kunsthistoricus en museumdirecteur ('s-Gravenhage 25-4-1860 - Nijmegen 24-11-1944). Zoon van August Nicolaas Marinus Pit, advocaat, en Elizabeth Jacoba Mazel. Gehuwd op 20-7-1920 met Carolina Lea de Haan (bekend onder de naam Carry van Bruggen), schrijfster. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Pit, Adriaan

Aart Pit had reeds vroeg belangstelling voor de beeldende kunst. Op het Gymnasium Haganum behoorden de kunstenaars Philippe Zilcken en Marinus van der Maarel tot zijn schoolvrienden. Na het eindexamen in 1879 ging hij aan de Leidse universiteit rechten studeren. De studie zelf boeide hem weinig - hij deed slechts enkele tentamens -, maar in het verenigingsleven was hij erg actief. Zo vervulde hij bij het Leidsche Studenten Corps verschillende bestuursfuncties en was hij enige tijd redacteur van het studentenweekblad Vox Studiosorum . Diepe indruk op hem maakte een reis met Zilcken naar Algerije in 1883.

In 1886 vertrok Pit naar Parijs, waarmee voor hem voorgoed een einde kwam aan de rechtenstudie. Hij liep er college aan de école du Louvre en raakte in de ban van de colleges van Louis Courajod. Vanuit Parijs schreef hij bijdragen over literatuur en beeldende kunst voor De Portefeuille , De Gids en het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage . Uit zijn thèse uit 1891, getiteld L'influence des Pays-Bas sur les arts en Europe, werden enkele hoofdstukken in 1890, 1891 en 1892 gepubliceerd in de Revue de l'art chrétien . In 1894 verscheen Pits eerste boek, Les origines de l'art hollandais . Nog dat zelfde jaar werd hij benoemd tot adjunct-commies bij de afdeling Kunsten en Wetenschappen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1896 volgde zijn benoeming tot onderdirecteur van het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst, een verzamelafdeling van het Rijksmuseum in Amsterdam; twee jaar later werd Pit directeur van die afdeling. Samen met Willem Vogelsang en enkele assistenten maakte hij in 1898 een begin met de voorbereidingen van een reeks catalogi. Zelf stelde hij de eerste twee delen samen.

Pit heeft zich tijdens zijn directeurschap beijverd voor een seriële (dat wil zeggen een typologische) opstelling van de voorwerpen van kunstnijverheid en heeft door gerichte aankopen op het gebied van de beeldhouwkunst, de meubels en de keramiek lacunes in de verzameling van het Rijksmuseum opgevuld. Bij de hergroepering van de kunstvoorwerpen verzette hij zich tegen de al te opdringerige decoraties die P.J.H. Cuypers, de architect van het Rijksmuseum, en diens 'adviseur' jhr. V.E.L. de Stuers hadden laten aanbrengen. Het afdekken en het verwijderen van enkele van deze schilderingen leidde in 1904 tot een felle polemiek tussen Pit en De Stuers, die de zaak zelfs ter sprake bracht in de Tweede Kamer.

Voor zijn baanbrekende werk op het gebied van de kunstnijverheid - zowel praktisch als in geschrifte - ontving Pit in 1909 een eredoctoraat in de Nederlandse letterkunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Het jaar daarop maakte hij in een artikel, ''s Rijks Kunstnijverheid-museum', in De Gids (74 (1910) III, 470-482) een voorlopige balans op van de door hem doorgevoerde veranderingen in de opstelling en van zijn aankoopbeleid. Hierin beklemtoonde hij dat de collectie van het Rijksmuseum niet beperkt diende te blijven tot kunstwerken van eigen bodem, maar dat ook buitenlandse stukken in de verzameling moesten worden opgenomen. Van 1911 tot 1918, toen vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog de aankoopbudgetten vrijwel tot een minimum werden gereduceerd, was Pit actief in de commissie van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond die in 1918 de brochure Over hervorming en beheer onzer musea uitbracht. Hierin wordt de splitsing van het Rijksmuseum in een Kunst- en een Historisch Museum bepleit. Deze heeft in 1927 ook inderdaad plaats gevonden.

In 1917 nam Pit - op 57-jarige leeftijd - ontslag dat hem eervol werd verleend. Hij bleef het museum adviseren en continueerde zijn lidmaatschap van het dagelijks bestuur van de Vereeniging 'Rembrandt'. Nu hoopte hij zich meer te kunnen toeleggen op het schrijven van boeken en artikelen. Al omstreeks de eeuwwisseling waren er van zijn hand bijdragen verschenen in De Kroniek van P.L. Tak en had hij de kunstrubriek verzorgd van het tijdschrift De XXe eeuw , dat geredigeerd werd door Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey. Verder had hij ook gepubliceerd in het Duitse blad Dekorative Kunst , Het Huis Oud & Nieuw , in het Bulletin uitgegeven door den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond en in Oud-Holland . In het Tijdschrift voor Wijsbegeerte verscheen een reeks kunsthistorische artikelen van zijn hand. Deze verraden zowel filosofisch als stilistisch de invloed die Pit had ondergaan van de Leidse filosoof G.J.P.J. Bolland. Een aantal van die stukken bundelde Pit in 1912 in een enigszins gewijzigde vorm in Het logische in de ontwikkeling der beeldende kunsten . Op soortgelijke wijze kwam tien jaar later ook zijn boek Denken en beelden tot stand. Verschillende hoofdstukken ervan waren tevoren gepubliceerd in Groot-Nederland , een maandblad waarvan het gezicht in belangrijke mate werd bepaald door Frans Coenen en Carry van Bruggen.

Na zijn ontslag bij het Nederlandsch Museum verhuisde Pit naar Laren in het Gooi, waar verscheidene van zijn vrienden woonden. Hier betrok hij een huis tegenover dat van de schrijfster Carry van Bruggen, met wie hij al jaren bevriend was en een soort platonische liefdesverhouding had. Na een zware operatie, die hij in 1920 moest ondergaan, werd hij maandenlang liefdevol door haar verzorgd. Toen nog dat jaar hun huwelijk werd gesloten, leidde dit vooral in zijn kennissenkring tot uiteenlopende reacties. Pit herstelde langzaam en kon eind 1920 weer aan het werk, nu als rijksinspecteur voor de Rijksnijverheidsscholen, een betrekking die hij tot zijn pensioen in 1926 heeft vervuld. De eerste jaren van zijn huwelijk met Carry van Bruggen waren zeer gelukkig. Pit hoopte haar de rust te geven die ze nodig had om haar literaire en filosofische arbeid voort te zetten. Zelf publiceerde hij in 1928 zijn boek Aesthetische ontwikkeling . In dat zelfde jaar werd Carry van Bruggen ernstig ziek. Tot haar dood in 1932 verbleef zij geregeld in inrichtingen en ziekenhuizen. Deze vier jaren hebben Pit en zijn stiefkinderen veel leed gebracht. Na het overlijden van zijn vrouw verhuisde hij naar Den Haag. In het eerste oorlogsjaar kon nog zijn boekje Over het bewustzijn het licht zien. In 1943 werd Pit geëvacueerd naar Nijmegen, waar hij een jaar later vrijwel onopgemerkt overleed.

Pit was een bescheiden man wiens verdiensten lange tijd niet zijn onderkend. Niet alleen schreef hij een aantal oorspronkelijke beschouwingen op zijn vakgebied; ook vervulde hij een voortrekkersrol bij de presentatie van de door hem beheerde collecties in het Rijksmuseum. Ondanks felle protesten bracht hij af en toe essentiële wijzigingen aan in de naar zijn mening verouderde opstelling en legde hij steeds meer het accent op het uitsluitend tentoonstellen van kunstwerken van hoge artistieke kwaliteit. Sedert 1922 werd dit beleid veel rigoureuzer voortgezet door de nieuwe hoofddirecteur, F. Schmidt Degener.

A: Brieven van A. Pit berusten in de collectie-Ph. Zilcken in het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum te Amsterdam, in het archief-Jan Kalff bij de afdeling Westerse Handschriften van de Universiteitsbibliotheek te Leiden en in het archief van de Wereldbibliotheek in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve in de in de tekst genoemde publikaties en artikelen in o.a. Eigen Haard , Tweemaandelijksch Tijdschrift , Münchener Jahrbuch der bildenden Kunst en Onze Kunst : Catalogue descriptif des eaux-fortes originales de Ph. Zilcken (Parijs [1891] en Amsterdam, 1918); Catalogus van het goud- en zilverwerk in het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst te Amsterdam ([Amsterdam] 1902); Catalogus van de beeldhouwwerken in het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst te Amsterdam ([Amsterdam] 1904); samen met W. Steenhoff, Jan Veth en W. Vogelsang, George Hendrik Breitner. Indrukken en biographische aanteekeningen (Amsterdam [1904-1908]); Het 'Quattrocento' uit de verzameling Otto Lanz (Amsterdam, 1906).

L: H. Hana, 'De kunst-historie en dr. A. Pit', in Groot Nederland 21 (1923) I, 610-618; W. Vogelsang, in Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond 5e serie, 1 (1947) 2-5; H.P.L. Wiessing, Bewegend portret. Levensherinneringen (Amsterdam, 1960); M.-A. Jacobs, Carry van Bruggen. Haar leven en literair werk (Gent, 1962) 95-98; J. Aler, 'Die niederländische ästhetik in 20. Jahrhundert', in Jahrbuch für ästhetik und allgemeine Kunstwissenschaft 9 (1964) 147-166; Ruth Wolf, Van alles het middelpunt. Over leven en werk van Carry van Bruggen (Amsterdam, 1980); J.F. Heijbroek, 'Adriaan Pit, directeur van het Nederlandsch Museum. Een vergeten periode uit de geschiedenis van het Rijksmuseum', in Bulletin van het Rijksmuseum 33 (1985) 233-265; Carry van Bruggen. Een documentatie . Samengest. en ingel. door Jan Fontijn en Diny Schouten (2e dr.; 's-Gravenhage, 1985) vooral 63-66; J.M.J. Sicking, Overgave en verzet. De levens- en wereldbeschouwing van Carry van Bruggen (Groningen, 1993) vooral 210-211.

I: Bulletin van het Rijksmuseum 33 (1985) 253 [Foto eigendom van K. van Bruggen jr.].

J.F. Heijbroek


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013