Poelhekke, Jan Josephus (1913-1985)

 
English | Nederlands

POELHEKKE, Jan Josephus (1913-1985)

Poelhekke, Jan Josephus, historicus (Utrecht 18-2-1913 - Overveen 25-8-1985). Zoon van Joannes Maria Poelhekke, wijnhandelaar, en Ida Clara Louisa Schröder. Gehuwd op 8-5-1950 met Agnes Maria Koch. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Poelhekke, Jan Josephus

Jan Poelhekke stamde uit een welgesteld en katholiek milieu. Het één zowel als het ander heeft op hem zijn stempel gedrukt. Het familiekapitaal gaf hem de middelen lange archiefreizen te ondernemen en een levensstijl te voeren die zijn vroeg ontwikkelde smaak de ruimte liet. Het katholieke geloof, niet hartstochtelijk beleden en sterk gericht op kunst en cultuur, bleef levenslang zijn onomstreden bezit.

Zijn gymnasiale opleiding ontving Poelhekke van 1925 tot 1931 aan het door de jezuïeten geleide St. Aloysius-college in Den Haag. Daar kwam het aan op presteren. Vooral ook wenste men dat de leerling tot zelfontplooiing zou komen. Poelhekke kon aan die wensen voldoen. Hij leerde er enkele talen bij, eerst Deens en Zweeds, vervolgens Spaans en Italiaans. Ook schreef Poelhekke in die tijd vele historisch georiënteerde toneelstukken. Zelf sloeg hij ze niet hoog aan, want hij heeft ze niet willen bewaren. Wel hebben ze zijn belangstelling voor de geschiedenis aangewakkerd.

Dat werd ook de studie die Poelhekke koos, toen hij zich in 1931 te Leiden liet inschrijven. Van zijn leermeesters heeft vooral J. Huizinga indruk op hem gemaakt. Diens beste leerlingen vonden in Huizinga niet zozeer een model ter navolging als wel de inspiratie hun eigen weg te kiezen. Poelhekke bracht dat tot uitdrukking in de vakkencombinatie van zijn op 6 mei 1938 afgelegde doctoraal examen: geschiedenis met Spaanse en Deense letterkunde. Ook zijn keus van een promotie-onderwerp, een biografie van stadhouder Willem II, verried in de aanpak van dat onderzoek zijn persoonlijke voorkeur voor diplomatie en politiek. Hij zocht zijn materiaal vooral in het buitenland. Tijdens lange archiefreizen door Italië, Spanje en Portugal verzamelde hij over de internationale betrekkingen in de eerste helft van de 17e eeuw de schat van gegevens waaruit hij voor zijn latere publikaties steeds heeft kunnen putten.

Toen Nederland in mei 1940 in de Tweede Wereldoorlog werd betrokken, bevond Poelhekke zich in Lissabon. Daar verwierf hij toen een aanstelling als perschef bij de Nederlandse legatie. In 1943 kreeg hij Londen als standplaats, nu als ambtenaar van de Rijksvoorlichtingsdienst. Korte tijd later werd Poelhekke overgeplaatst naar Montreal, als hoofd van genoemde dienst aldaar. Die post had toen een extra zwaarte door de aanwezigheid van prinses Juliana en haar gezin. Voor de historicus Poelhekke was het een welkome gelegenheid, uit de eerste hand kennis op te doen van vorstenhuizen en hun hofhouding.

De biografie van Willem II kwam niet tot stand. Poelhekke zette de verworven kennis van de 17e-eeuwse diplomatieke geschiedenis ten slotte om in een dissertatie over De vrede van Munster , verschenen in het herdenkingsjaar 1948. Op 6 februari van dat jaar promoveerde Poelhekke cum laude te Nijmegen bij prof. R.R. Post, nadat de aanvankelijke begeleider van zijn proefschrift, prof. J.D.M. Cornelissen, kort tevoren was overleden.

Die keuze voor Nijmegen hing samen met Poelhekkes katholieke herkomst, maar ook wel met de nieuwe werkkring aan het Nederlands Historisch Instituut te Rome, waaraan zowel Cornelissen als Post verbonden was geweest. Poelhekke trad daar in 1946 in dienst als secretaris. In 1950 volgde zijn benoeming tot directeur, een functie die hij tot 1965 zou vervullen, gecombineerd met de post van cultureel attaché aan de Nederlandse ambassade.

Rome betekende het einde van Poelhekkes zwervende bestaan. Het Instituut werd zijn tehuis in de letterlijke betekenis, daar het tevens als ambtswoning fungeerde. Poelhekke hield gaarne open huis. Het typeert hem dat het Instituut in 1958 met een extra etage werd uitgebreid, die geheel uit logeervertrekken bestond. Tal van onderzoekers hebben daar onderdak gevonden. In het internationale milieu van Rome kwam Poelhekke goed tot zijn recht. Zijn conviviale natuur stond hem toe gemakkelijk met anderen te verkeren, terwijl zijn fenomenale beheersing van vreemde talen hem tegenover niemand om woorden verlegen liet staan. Poelhekke zette als directeur wel de lijnen uit, doch liet zijn medewerkers veel ruimte, op basis van wederkerigheid. Gesteund door het organisatietalent van zijn echtgenote kon hij aldus zijn directoraat, althans in de eerste jaren, dragen als een lichte last. De gelegenheden tot eigen onderzoek wist hij goed te benutten. Op zijn dissertatie volgden in de Romeinse tijd nog twee andere boeken: in 1960 't Uytgaen van den Treves. Spanje en de Nederlanden in 1621 , een studie over de afloop van het Twaalfjarig Bestand, en vier jaar later Capita selecta Veneto-Belgica . I: 1629-1631 , een uitgave van de correspondentie van de Venetiaanse ambassadeur in de Republiek Vincenzo Gussoni.

In 1965 verhuisde Poelhekke naar Nijmegen, waar hij L.J. Rogier opvolgde als hoogleraar in de vaderlandse en algemene geschiedenis der nieuwere tijden. De hoge verwachtingen die zowel anderen als hijzelf toen koesterden, zijn niet volledig vervuld. Poelhekke had ruim 25 jaar buitenslands verkeerd en moest nu, de vijftig voorbij, zijn weg in Nederland hervinden. Schaalvergroting schiep nieuwe studententypen, die zich niet lieten inspireren door eruditie, brede feitenkennis en muzische begaafdheid. Toen weldra de golven van de democratisering en vooral de politisering over de Nijmeegse universiteit heensloegen, raakte Poelhekke meer en meer op een zijspoor. Wie zich wilde handhaven moest iets geleerd hebben van Marx of van Machiavelli. Poelhekke was aan geen van beiden geestelijk verwant.

Zijn wetenschappelijke loopbaan bewoog zich niettemin in stijgende lijn. Aan tijd voor onderzoek ontbrak het Poelhekke niet, mede doordat hij het aanvaarden van bestuurslasten nadrukkelijk meed. Hij werd in 1972 verkozen als lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, publiceerde twee bundels met verspreide opstellen, en werkte intussen ijverig voort aan zijn grote boek Frederik Hendrik, prins van Oranje. Een biografisch drieluik . Deze biografie, verschenen in 1978, is Poelhekkes meest persoonlijke werk. Al de eigenschappen die zijn eerdere geschriften reeds stempelen, hebben hier een verhoogde graad van herkenbaarheid gekregen. Poelhekke voelde zich nauw bij zijn onderwerp betrokken. Hij is de participerende observator, die regelrecht vanuit het stadhouderlijk kabinet zijn commentaar geeft. Hij brengt verslag uit in een volstrekt eigensoortige stijl: weelderig gebouwde zinnen, een overvloed van lange woorden aan andere talen ontleend, kwistig gestrooide terzijdes, die de toch al bedaarde voortgang van het verhaal nog meer vertragen. Het is een declamatorische stijl, die uit is op effect, wil boeien en amuseren, bij voorkeur met ongewone middelen. De grote kennis van zaken blijkt vooral in de weergave van het diplomatieke bedrijf. Daar wordt de volle oogst van veertig jaar ervaring binnengehaald. De Nederlandse bestuursorganen zijn daarentegen wat meer van de buitenkant geobserveerd. Poelhekkes Frederik Hendrik blijft evenwel een boek dat zeldzaam is in zijn soort: het gebeurt niet dikwijls dat een historicus werkelijk alles geeft wat in hem zit.

Toen gedurende zijn laatste levensjaren Poelhekkes gezondheid achteruit begon te gaan, trok hij zich meer en meer uit de openbaarheid terug. Op zijn uitdrukkelijk verlangen vond zijn afscheid in 1983 in alle stilte plaats. Als emeritus heeft Poelhekke de wetenschap niet meer actief beoefend. Schrijven deed hij niet meer. Toen de dood hem in 1985 trof, was hij weinig meer aan het leven gehecht.

De historicus Poelhekke is in de eerste plaats geschiedschrijver geweest. Dat was voor hem een ongecompliceerde bezigheid. Conclusies, zo poneerde hij in een van zijn laatste recensies, hoorden in verhalend proza niet thuis, en hij had ze dan ook nooit getrokken. Men behoeft niet veel van Poelhekke gelezen te hebben om de onschuld van dit oordeel op te merken. Weinig historici immers zijn zozeer als hij in hun eigen werk aanwezig. De appreciatie van zijn geschriften en zijn persoon waren dan ook gewoonlijk nauw met elkaar verbonden.

A: Persoonlijk archief-Poelhekke berust bij de familie.

P: Een aantal van Poelhekkes artikelen werd gebundeld in Geen blijder maer in tachtigh jaer. Verspreide studiën over de crisisperiode 1648-1651 (Zutphen, 1973) en in Met pen, tongriem en rapier. Figuren uit een ver en nabij verleden (Amsterdam, 1976). In de laatstgenoemde bundel is een bibliografie tot en met 1975 opgenomen (pp. 249-253), die werd aangevuld tot en met 1985 in het onder L genoemde levensbericht van Van Moorsel, 120-121.

L: Behalve necrologieën door o.a. P.J.[A.N.] Rietbergen, in Vlugschrift [Blad van de Vakgroep Nieuwe Geschiedenis, KU Nijmegen] 4 (1985) 1 (okt.) 2-6; A.G. Weiler, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 101 (1986) 141-143; P.J. van Kessel, in Jaarboek [van de] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1986 (Amsterdam [etc.], 1986) 208-216; P.P.V. van Moorsel, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1985-1986 (Leiden, 1987) 114-121: G. Puchinger, 'Poelhekke's meesterwerk over Frederik Hendrik', in idem, Ontmoetingen met historici (Zutphen, 1979) 174-188; J.M.G.M. Brinkhoff, 'J.J. Poelhekke: Utrechter - Romein - Nijmegenaar', in Numaga 30 (1983) 54-56; bijdragen van A.Th. van Deursen, Anton Andriessen en Ad Klein, in Vlugschrift 2 (1984) 2/3 (jan.) 28-34.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1986 (Amsterdam 1986) 208.

A.Th. van Deursen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013