Poelhekke, Martinus Antonius Petrus Constantijn (1864-1925)

 
English | Nederlands

POELHEKKE, Martinus Antonius Petrus Constantijn (1864-1925)

Poelhekke, Martinus Antonius Petrus Constantijn, neerlandicus (Deventer 20-12-1864 - Nijmegen 11-11-1925). Zoon van Johannes Poelhekke, commies ter gemeentesecretarie, en Johanna Theresia Diekhof. Gehuwd op 3-5-1902 met Louisa Francisca Hubertina van der Grinten. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 5 dochters geboren. afbeelding van Poelhekke, Martinus Antonius Petrus Constantijn

De jonge Maarten (eigenlijk 'Tinus') Poelhekke - geboren in een Rooms-katholiek gezin in het toen nog overwegend protestantse Deventer - had letteren of wiskunde willen studeren, maar de vroege dood van zijn vader ontnam hem de kans op een academische opleiding. Noodgedwongen werd hij onderwijzer: eerst te Diepenveen en Deventer en vanaf 1886 in Amsterdam. In deze jaren studeerde hij 's avonds voor zijn MO-akte Nederlands en verdiepte hij zich door zelfstudie in literatuur en kunst. Dit werden zijn twee levenslange passies.

Poelhekke wist door te dringen in de kleine kring van geïnteresseerden in moderne literatuur, waar de poëzie der Tachtigers werd gelezen en gewaardeerd. Het was voor hem een openbaring. Al spoedig begon hij in verschillende bladen journalistiek getinte bijdragen te publiceren over kunst en cultuur, waarbij hij zich baseerde op de stelling van de toen zeer invloedrijke Britse cultuurfilosoof en dichter John Ruskin, dat aan ware kunst altijd een religieuze bezieling ten grondslag ligt. Vanuit deze opvatting meende de principieel katholieke Poelhekke het werk van de Tachtigers, hoe mooi hij het ook vond, toch niet als volwaardige kunst te mogen accepteren. Niettemin schreef hij met bewondering over hen in verschillende artikelen en in Modernen , zijn boek uit 1899. Hij richtte zich hierbij tot de katholieke lezer. Het is Poelhekkes verdienste dat hij aldus het werk van de eigentijdse, niet-katholieke schrijvers heeft durven introduceren in het katholieke kamp, dat zeer afwerend stond tegenover de ideeënwereld en de cultuuruitingen van andersdenkenden. In zijn latere literatuuronderwijs zou hij hen opnieuw onder de aandacht brengen, maar nu bij de schooljeugd.

Door zijn activiteiten werd Poelhekke opgenomen in de kring van katholieke jongeren rondom Gisbert Brom, die jaarlijks op informele wijze bijeenkwam in hotel 'Klarenbeek' te Arnhem. Deze zogeheten 'Klarenbeeksche Club' stelde zich ten doel het maatschappelijke isolement en de wetenschappelijke en culturele inertie waarin het katholieke volksdeel verkeerde, te doorbreken. Poelhekke leverde hieraan een bijdrage door in 1899 voor de Amsterdamse kiesvereniging zijn befaamde voordracht Het tekort der katholieken in de wetenschap - in 1900 ook als brochure verschenen - te houden. Hierin toonde hij op overtuigende wijze de grote achterstand van de Rooms-katholieken in Nederland op intellectueel gebied aan. Het werd hem door velen bijzonder kwalijk genomen dat hij de oorzaken van die achterstand grotendeels bij de katholieken zelf wilde zoeken. Poelhekkes initiatief vormde echter een sterke stimulans tot de culturele herleving bij het katholieke volksdeel en de vorming van een eigen intelligentsia.

Na het behalen van zijn MO-akte was Poelhekke in 1895 leraar Nederlands geworden aan de gemeentelijke HBS te Nijmegen. Zes jaar later werd hij directeur van deze school, wat hij tot 1924 zou blijven. Poelhekke was een geboren pedagoog, en hij was vol van vernieuwende ideeën. Zijn didactisch credo luidde: 'Systeem en bezieling'. Leerlingen moest zo methodisch mogelijk kennis worden bijgebracht, en tegelijkertijd moesten zij voor het leven gevormd worden. Ook kunstzin diende te worden gewekt, want school niet in elke leerling een dichter? Als 'aartsvijand van alle dooie litteratuur' rekende Poelhekke af met het dorre 19e-eeuwse literatuuronderwijs, dat eenzijdig taalkundig was gericht. Hij liet zijn leerlingen zien dat literatuur wel degelijk iets te maken heeft met schoonheid, kunst en het leven in het algemeen.

Zijn leservaring legde Poelhekke in 1909 vast in Woordkunst , met de klassiek geworden en duidelijk door de Tachtigers geïnspireerde openingszin: 'Kunst is het maken van mooie dingen', en in de tweedelige bloemlezing Taalbloei uit dat zelfde jaar. Het waren de eerste moderne handboeken voor het onderwijs in de Nederlandse letterkunde. Nieuw hierin was dat ook de eigentijdse literatuur werd behandeld, met inbegrip van de Vlaamse. Samen met de latere hoogleraar C.G.N. de Vooys gaf Poelhekke in 1914 de Platenatlas bij de Nederlandsche litteratuurgeschiedenis uit. Dit fraaie lees- en kijkboek was eveneens een didactisch nieuwe vinding, waarin de literatuurgeschiedenis in illustraties in verband gebracht werd met de ontwikkelingen in de beeldende kunsten en dan met nadruk op die van de nieuwste tijd. Ook buiten zijn onderwijsterrein was de letterkundige Poelhekke actief. Hij publiceerde verschillende essays en bloemlezingen, was medewerker van de periodiek Vragen en Mededeelingen op het gebied der Geschiedenis, Taal- en Letterkunde en letterkundig redacteur van de Boekzaal der Geheele Wereld.

Poelhekke was een veelgevraagd spreker voor de onderwerpen die hem zo intens bezighielden. Ook in Vlaanderen, waar hij als propagandist van de moderne Vlaamse literatuur in Noord-Nederland en als sympathisant van de Vlaamse beweging - waarin hij een sterke overeenkomst zag met het emancipatiestreven van de katholieken in eigen land - een zeer geziene gast was. Mede dank zij zijn Vlaamse contacten kon hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een even omvangrijke als unieke verzameling oorlogslyriek aanleggen. Deze collectie, die meer dan 11.000 gedichten en liederen zou hebben bevat, ging samen met Poelhekkes manuscript van een boek hierover in de Tweede Wereldoorlog verloren.

Poelhekke was een idealist, die zich geroepen voelde zijn medemensen, of dat nu de Nederlandse katholieken of zijn eigen leerlingen waren, de ogen te openen voor het schone en het verhevene in het leven. Zelf was hij niet zozeer een origineel denker of een groot schrijver - de door hem gepropageerde ideeën ontleende hij meestal aan derden -, als wel een overtuigend en gezaghebbend spreker. In het gesproken woord lag zijn grootste kracht. Veel van zijn publikaties berusten dan ook op eerder gehouden voordrachten of, in het geval van zijn leerboeken, op mondelinge lessen. De beminnelijke en fijnzinnige mens Poelhekke bezat een uitgebreide vriendenkring en was zeer geliefd bij zijn leerlingen, van wie velen zich hem levenslang dankbaar zouden blijven herinneren.

A: Archief-M.A.P.C. Poelhekke in Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Een pionier. J.A. Alberdingk Thijm 1840-1853 (Nijmegen, 1896); Het land der zon (Nijmegen, 1901); Beschouwingen (Venlo, 1904); [samen met G. Bolkestein en J. Prinsen,] Nederlandsch Leesboek (3 dln.; Groningen [etc.], 1916-1917); J.A. Alberdingk Thijm. Een keuze uit zijn werken (Amsterdam, 1920); Isaäc da Costa. Een bloemlezing uit zijn werken (Amsterdam, 1920); Mariken van Nieumeghen . Met inl. en aant. van M.A.P.C. Poelhekke (Apeldoorn, 1921); Kultuur en leven (Amsterdam, 1924); Lyriek (Groningen, 1924).

L: W.J. Meeuwissen, 'L'homme, la vie, la science, l'art. Martinus Antonius Petrus Constantijn Poelhekke ...', in Numaga. Tijdschrift gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving 30 (1983) 3-4 (nov.) 57-67.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a19496.

W.J. Meeuwissen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013