Randwijk, Hendrik Mattheus van (1909-1966)

 
English | Nederlands

RANDWIJK, Hendrik Mattheus van (1909-1966)

Randwijk, Hendrik Mattheus van, (verzetsnaam en pseudoniem: Sjoerd van Vliet), publicist, verzetsman en uitgever (Gorinchem 9-11-1909 - Purmerend 13-5-1966). Zoon van Hendrik van Randwijk, tuinder, en Dingena Baardman, dienstmeisje. Gehuwd op 29-5-1935 met Arentje Margrieta Henstra (1911-2013), onderwijzeres. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Randwijk, Hendrik Mattheus van

De Van Randwijks in Gorcum vormden een kinderrijk gezin. Henk was het vierde van de zes kinderen uit vaders tweede huwelijk. De hechte familieband werd versterkt door een vast gereformeerd geloof. Reeds in zijn schooltijd bleek Henk ongeschikt voor ambacht of boerenwerk, en op grond van zijn getoonde belangstelling werd in 1923 besloten hem aan de Christelijke Kweekschool in Gorcum tot onderwijzer te doen opleiden. In 1928 kreeg de jonge Van Randwijk als kwekeling een baan op de christelijke lagere school 'Rehoboth' in het nabije Werkendam, waar hij - ook na het behalen van de hoofdakte in 1930 - tot in 1937 les zou geven.

Op de Kweekschool had Van Randwijk zijn latere vrouw, Ada Henstra, ontmoet, die hem aanmoedigde in zijn literaire ambities. Spoedig kwam het verloofde paar in aanraking met de groep van Jong-Protestantse dichters en schrijvers, die van 1930 af Van Randwijks sociaal geladen verzen in hun tijdschrift Opwaartsche Wegen zouden opnemen. Door zijn schoolervaringen al verontrust over de slechte arbeidsomstandigheden van de Werkendamse rietwerkers, reageerde hij fel afwijzend op het werkloosheidsbeleid van Colijns crisiskabinetten na 1933. Hij voelde zich erdoor in een blijvende protesthouding gedrongen. Van Randwijks in 1936 verschenen sociaal-kritische roman over de werkloosheid, Burgers in nood , werd bij een protestants lezerspubliek een groot succes. De daaropvolgende, literair gezien misschien wat beter geslaagde roman, Een zoon begraaft zijn vader uit 1938, sloeg minder aan. Politiek bekende Van Randwijk eveneens kleur: omstreeks het midden van de jaren dertig werd hij lid en spoedig een van de woordvoerders van de kleine links-progressieve Christelijk-Democratische Unie.

Al deze werkzaamheden deden de Van Randwijks twee jaar na hun huwelijk en vestiging in Werkendam besluiten hun enigszins van het maatschappelijk verkeer verwijderde werkkring op te geven. In 1937 verhuisden zij naar Amsterdam, waar Van Randwijk al gauw werd benoemd tot hoofd van de christelijke lagere school 'Eben Haëzer' in de volkswijk de Jordaan. Hij beschouwde het als een uitdaging om van deze verkommerde armoeschool een modelschool met een Dalton-leerprogramma te maken. Dat gelukte hem binnen enkele jaren, want wanneer hij iets aanpakte dan deed hij dat met hart en ziel.

Ook na de Duitse inval in mei 1940 zou dit blijken. Het duurde niet lang of Van Randwijk werd bij allerlei ondergronds werk betrokken. Zo kreeg hij van doen met de illegale uitgave van het Nieuw Geuzenliedboek , een eerste bundel verzetsgedichten die sedert mei 1941 werd gedrukt en verspreid. Ook eigen verzetspoëzie, uiteraard anoniem, zag het licht; het bekendst zou zijn lange, godsdienstig getinte gedicht Celdroom blijven, dat een jaar na eigen gevangenschap in 1942 werd gepubliceerd. Maar voor inspannender en aanhoudender verzetswerk - onder de schuilnaam Sjoerd van Vliet - moest Van Randwijk zijn onderwijsfunctie opgeven; zoals achteraf bleek voorgoed. Het sedert 31 augustus 1940 maandelijks verschijnende verzetsblad van protestantse herkomst, Vrij Nederland , was in de lente van 1941 door Duits politieoptreden van zijn oprichters-redacteuren beroofd, en van augustus 1941 af nam Van Randwijk op zich de uitgave ervan voort te zetten. Onder zijn leiding groeide dit Vrij Nederland uit tot een vooraanstaand landelijk verzetsblad: frequenter verschijnend in steeds hogere oplagen en redactioneel gezien naar inhoud beter dan tevoren. Een groot deel van de opiniërende artikelen was van Van Randwijks hand.

Een uitgave als deze bracht uiteraard grote risico's met zich. Tegenacties van de Sicherheitsdienst en Sicherheitspolizei zouden ook in Vrij Nederland -kringen veel slachtoffers maken. Zelf werd Van Randwijk tot twee keer toe, in maart en juni 1942, opgepakt, al wist hij er zich telkens, ondanks moeilijke verhoren, binnen enkele dagen uit te praten. Na de eerste arrestatie besloten hij en zijn vrouw Ada voor een onderduikbestaan te kiezen. Dat betekende aanvankelijk een zwerven langs verscheidene adressen, tot zij in 1943 een vast onderkomen vonden in Amsterdam en ook van daaruit met vervalste persoonsbewijzen op pad konden gaan.

Het weerhield Van Randwijk er niet van zijn verzetswerk fors uit te breiden. Zo was hij in de zomer van 1942 nauw betrokken bij het tot stand brengen van een vaste postverbinding tussen het Verzet in bezet Nederland en de Nederlandse autoriteiten in Londen via de in Genève woonachtige secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken in oprichting, W.A. Visser 't Hooft: de zogeheten Zwitsersche Weg. In de latere samenwerkingsorganen van de belangrijkste verzetsgroepen behoorde Van Randwijk met de Vrij Nederland -medewerkers - evenals grote illegale bladen als Het Parool en De Waarheid - tot de zogeheten linkervleugel. Binnen die vleugel deelde Van Randwijk de overtuiging dat na de bevrijding aan het georganiseerde (dan: voormalige) Verzet blijvend een leidende politieke rol zou moeten toekomen en dat de vernieuwing van Nederland in socialistische richting diende te gaan. Tot teleurstelling van hem en anderen bleef dit in het landelijke overleg echter een minderheidsstandpunt.

Conflicten binnen het verzetswerk konden niet steeds worden vermeden. Voor een deel lag dat aan Van Randwijks persoonlijke optreden: bewonderd en geëerd door velen, ergerde hij anderen. Hij was doortastend en moedig, maar miste vaak tact en kon bazig zijn. In levenswijze was hij bovendien heel wat losser geworden dan vroeger. Zo zocht hij een uitlaat voor de vele spanningen in feest en drank en sloot zijn ogen bepaald niet voor vrouwelijk schoon, al bleef zijn echtgenote hem ter zijde staan.

Er waren echter ook principiëlere kwesties die moeilijkheden veroorzaakten. Ernstig was de onenigheid binnen de Vrij Nederland -groep over de levensbeschouwelijke en politieke koers die Van Randwijk steeds duidelijker voor het blad koos. Zijn artikelen werden minder christelijk van toon en allure, openlijker ook socialistisch-gezind en soms vergaand tegemoetkomend ten aanzien van het communisme en de Sovjetunie. Begin 1943 leidde dit zelfs tot een breuk, toen een van zijn gewaardeerde medewerksters, de juriste Gezina H.J. van der Molen, met vele anderen Vrij Nederland verliet om het antirevolutionaire verzetsblad Trouw op te richten, dat spoedig tot de belangrijkste illegale uitgaven ging behoren.

Bij de bevrijding van Nederland stond Van Randwijk even in het zenit van de roem. Op 9 mei 1945 was hij het die namens het Verzet bij het bevrijdingsfeest op de Dam in Amsterdam het verzamelde publiek toesprak, en het regende voor hem aanbiedingen zitting te nemen in nieuwe commissies en besturen; zelfs werd hij nog, als een van de adviseurs uit het Verzet, door W. Schermerhorn betrokken bij diens kabinetsformatie in mei/juni 1945. Vóór alles wierp hij zich echter op de, reeds in bezettingstijd voorbereide, voortzetting van Vrij Nederland als een legaal en groots opgezet weekblad. Aanvankelijk was Van Randwijk van dit alles het bruisend middelpunt. Bruisend inderdaad, want hij bleef de 'Lebemann' met 'Wein, Weib und Gesang', die zich weinig wilde of kon bekommeren om financiële en administratieve problemen. Het leek zijn weekblad ook voor de wind te gaan, want de abonnees stroomden toe. Waarschijnlijk dacht hij dat alles goed op de rails was gezet, toen hij van begin 1946 af, voor zaken en reportage vaak, langdurige en soms verre reizen buitenslands ging ondernemen.

Een eerste bezoek begin 1947 aan Nederlands-Indië had ook politieke bedoelingen. Reeds in bezettingstijd had Van Randwijk een snelle onafhankelijkheid van de kolonie bepleit, en nu wilde hij ten gunste daarvan persoonlijk bemiddelen tussen de teruggekeerde Nederlandse autoriteiten en de nationalistische opstandelingen. Maar al hield hij er vriendschappen met Indonesische politici aan over, veel kon hij, zo min of meer op eigen houtje, toch niet bereiken. In de kringen van de partij waarmee hij zich het meest verwant voelde, de Partij van de Arbeid (PVDA), ontmoette hij bij terugkeer weinig waardering, en het ging tussen hem en de PVDA geheel mis toen hij daarna nog in 1947 en in 1948 de twee tegen de Republiek ontketende politiële acties in zijn blad fel veroordeelde. Trouwens, ook de in diezelfde jaren uitbrekende Koude Oorlog bezorgde hem, die de Sovjetunie de eer van een afwachtende bewondering bleef gunnen, de tegenwind van een verhevigd anticommunistische publieke opinie.

Van de bevrijdingseuforie kon bij Vrij Nederland weinig overblijven: vooral de snelle teruggang van het aantal abonnees was alarmerend. Vele vaste medewerkers, toch al geërgerd over Van Randwijks autoritaire optreden en administratief-financiële desinteresse, zeiden bovendien het blad vaarwel. Toen Vrij Nederland zich in 1950 op de rand van een faillissement bevond, bleek ten slotte de Arbeiderspers bereid de uitgave van het weekblad over te nemen. Van Randwijk, bij de PVDA persona non grata geworden, moest zijn hoofdredacteurschap opgeven om ten slotte, in 1952, alle verdere medewerking te beëindigen.

Ondertussen had Van Randwijk in 1950 een nieuw project aangevat: een uitgeversmaatschappij, De Brug-Djambatan geheten. Voor hem als directeur was deze naam een program. Aangemoedigd door zijn vertrouwen in de dekolonisatie en zijn goede betrekkingen met Indonesiërs wilde hij - de onderwijzer herleefde in hem - leer- en studieboeken uitgeven voor school en universiteit in de nieuwe Zuidoostaziatische staten en daarmee een culturele 'brug' slaan tussen Nederland en het verjongde werelddeel. Een zorgvuldig voorbereide Aziëcentrische schoolatlas werd daar door ruime verkoop een groot succes. Maar mede door de slechte Nederlands-Indonesische betrekkingen, die in 1957 zelfs tijdelijk geheel werden verbroken, was er voor Van Randwijk op den duur niet meer weggelegd dan het directeurschap van een drastisch ingekrompen en kwijnend uitgeversbedrijf.

De roerige jaren zestig deden Van Randwijk opnieuw opveren. Bij hem althans was een jeugdig doende aanpassing aan de radicaal-progressieve stemming niet nodig. In 1959 vroeg een naar inhoud en toon veranderend Vrij Nederland hem als vaste medewerker terug te keren, en zijn beschouwingen kregen in het weekblad opnieuw een plaats. Grote bekendheid verwierf Van Randwijk door zijn optreden als forumlid in het VARA-televisieprogramma Welbeschouwd . Dit panel verscheen van 1959 tot in 1962 regelmatig op de buis om antwoord te geven op vragen van kijkers over actuele kwesties van maatschappelijke en morele aard. Van Randwijk was daarbij de dominerende figuur. Zijn stevige, enigszins gezet geworden postuur en een doorgroefd gelaat imponeerden, en hij bleek met zijn openhartig uitgesproken meningen - óók over de PVDA - een goed gevoel voor 'show' te hebben. Aan het einde van 1960 verzocht het Algemeen Handelsblad hem zijn verzetsherinneringen in feuilletonvorm te publiceren. De los van elkaar staande bijdragen die hij tot in 1965 onder het pseudoniem Sjoerd van Vliet schreef, waren zo'n succes dat zij postuum in een bundel werden herdrukt. Dit boek uit 1967, In de schaduw van gisteren. Kroniek van het verzet 1940-1945 getiteld, heeft door de levendig-anekdotische schrijfstijl ervan zijn historische waarde behouden.

Lichamelijk bleek Van Randwijk intussen te veel van zichzelf te hebben gevergd. Hij geraakte opgebrand. Het was zijn besluit in 1962 een voor hem en zijn vrouw gebouwd huis in Ilpendam te betrekken en het daar - als hij dat had gekund - kalmer aan te doen. Hij was nog vol plannen toen hij er, in 1966, na een zware galblaasoperatie bezweek.

Een verzetsheld had Van Randwijk zichzelf nooit willen noemen - dat woord lag hem niet -, maar hij was dat wel geweest. Met dezelfde moed van zijn overtuiging bleef hij daarna zijn eigen weg begaan, alweer desnoods tegen alles en allen in.

A: Archieven en collecties betreffende H.M. van Randwijk bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam, het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage en de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties o.a.: Op verbeurd gebied [dichtbundel] (Amsterdam, 1934) en Heet van de naald. Keuze uit het werk van een man in verzet . Ingel. door Mathieu Smedts ('s-Gravenhage [etc.], 1968). Zie verder Arendina F. de Boer, Bibliografie van de publikaties van H.M. van Randwijk [Gestencild werkstuk Bibliotheek- en Documentatieschool te Amsterdam] ([Amsterdam,] 1969).

L: Themanummer 'H.M. van Randwijk 1909-1966' van Maatstaf 16 (1968) 1/2 (apr./mei) 1-232; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (14 dln.; 's-Gravenhage, 1969-1991) vooral de delen 5, 6, 7, 9 en 10; J.J. Buskes, 'Henk van Randwijk', in idem, Vier vrienden (Apeldoorn, 1971) 35-88; Gerard Mulder en Paul Koedijk, H.M. van Randwijk. Een biografie (Amsterdam, 1988); H.J. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie 1926-1946 ('s-Gravenhage, 1988); Lydia E. Winkel, De ondergrondse pers 1940-1945 . Herzien door Hans de Vries ('s-Gravenhage, 1989); Dineke Colenbrander [e.a.], Opwaartsche Wegen ('s-Gravenhage, 1989); Hans van den Heuvel en Gerard Mulder, Het vrije woord. De illegale pers in Nederland, 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1990); Madelon de Keizer, Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd (2e, herz. dr.; Amsterdam, 1991). Op 23-8-1985 zond de VARA de televisiedocumentaire H.M. van Randwijk, strijder voor recht en menselijkheid door Hans Jacobs uit.

I: Gerard Mulder en Paul Koedijk, H.M. van Randwijk. Een biografie (Amsterdam, 1988) omslagfoto.

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013