Rietstap, Johannes Baptista (1828-1891)

 
English | Nederlands

RIETSTAP, Johannes Baptista (1828-1891)

Rietstap, Johannes Baptista, heraldicus en genealoog (Rotterdam 12-5-1828 - 's-Gravenhage 24-12-1891). Zoon van Willem Hendrik Rietstap, boekhouder, agent in assurantiën, en Elizabeth Hermina Remmert. Gehuwd op 16-9-1857 met Johanna Maria de Haas. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

afbeelding van Rietstap, Johannes Baptista

Na enige tijd werkzaam te zijn geweest in de boekhandel, kreeg Rietstap een betrekking als redacteur en corrector bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hier bleek al spoedig waar zijn ware belangstelling lag. Reeds op jeugdige leeftijd verzamelde hij lakafdrukken van zegelstempels, een liefhebberij die hem ertoe bracht zich te verdiepen in de geschiedenis en theorie van de wapenkunde. Wanneer er tussen het redactiewerk door wat tijd over was, besteedde Rietstap deze aan heraldiek; naar verluidt had hij altijd wel literatuur over dit onderwerp of wapenafbeeldingen bij zich. Daarnaast bezat hij een bijzondere voorliefde voor vreemde talen. Op 25-jarige leeftijd leerde hij nog Latijn, en toen de commissarissen van de krant het wenselijk achtten dat een der redacteuren het Spaans beheerste, maakte hij zich ook deze taal eigen, en wel zo snel dat hij reeds na enkele maanden Spaanse kranten kon lezen.

Rietstap, een bescheiden en in zichzelf gekeerde man die zijn leven lang tobde met een zwakke gezondheid, kon het niet lang uithouden in de rumoerige redactielokalen; vooral de nachtdiensten stonden hem tegen. In november 1850 aanvaardde hij daarom een betrekking bij de Stenographische Inrichting van de Beide Kamers der Staten-Generaal, die een jaar eerder was opgericht. Eind februari 1852 trad hij hier in vaste dienst. Deze weinig opvallende werkkring combineerde Rietstap met een indrukwekkende publicistische arbeid op velerlei terrein: 'Hij rekende een dag verloren, waarop hij althans niet één bladzijde geschreven had' (De Nederlandsche Spectator (1892) 5).

Rietstaps eerste publikaties waren vertalingen uit het Frans, Duits en Engels van levensbeschouwelijke, historische en romantische lectuur en van reisbeschrijvingen. Als vertaler was hij tot het begin van de jaren zeventig actief. In deze hoedanigheid leverde hij ook bijdragen aan het in 1858 opgerichte De Tijdstroom. Maandschrift gewijd aan Letteren, Wetenschap en Kunst , waarvan hij twee jaar lang redacteur was. Verder publiceerde Rietstap voor het onderwijs een Beknopte geschiedenis van Nederland in 1861 en het Leerboek der stenographie in 1869.

Rietstaps grootste verdiensten liggen echter op het terrein van de heraldiek en dan vooral op dat der familiewapens; de overheidsheraldiek had veel minder zijn belangstelling. In 1856 verscheen van zijn hand het Handboek der wapenkunde , dat, behalve een schets van de geschiedenis van de heraldiek en enkele wapenregisters, een inleiding in de praktijk van de wapenkunde bevatte. Vooral aan het laatstgenoemde onderdeel ontleent dit werk zijn belang. Rietstap stelde zich ten doel de 'heraldische taal van den wanstaltigen, smakelozen tooi der bastaardwoorden te ontdoen'. Het door hem ontworpen vocabulaire voor het blazoeneren (: beschrijven van wapens) was 'van een haast puristische zuiverheid' (Pama, 99). Het verving de vele woorden in verbasterd Frans, waarvan de heraldiek zich tot dan toe had bediend. Rietstaps handboek is - later aangevuld en bewerkt door C. Pama - nog steeds een heraldisch standaardwerk.

In 1861 publiceerde Rietstap de eerste druk van wat eveneens een heraldisch standaardwerk zou worden: het Armorial général, contenant la description des armoiries des familles nobles et patriciennes de l'Europe, précédé d'un dictionnaire des termes du blason . Het bevat de beschrijvingen van zo'n 46.000 wapens van Europese adellijke en patricische families, alfabetisch geordend op familienaam. Bij de samensteling van dit werk profiteerde Rietstap van het sinds het tweede kwart van de negentiende eeuw groeiende aantal heraldische bronnenpublikaties en regionale en nationale wapenboeken. Voor de tweede druk van het Armorial général , inmiddels uitgedijd tot twee delen, die in 1884 en 1887 verschenen, maakte hij bovendien gebruik van de internationale contacten die hij dank zij zijn heraldische publikaties had gekregen.

Met de groeiende belangstelling voor de beoefening van de wapenkunde achtte Rietstap in 1871 de tijd rijp voor een heraldisch tijdschrift. Hij wilde vooral de ontwikkelingen in het buitenland onder de aandacht brengen van de Nederlandse lezer. Hoewel de reacties op de prospectus hem tegenvielen, bracht hij een jaar later toch het eerste nummer uit van Heraldieke Bibliotheek , waarvoor hij blijkens de ondertitel, Tijdschrift voor Wapen-, Geslacht-, Zegel- en Penningkunde , inmiddels een ruimere formule had gekozen. Dit eerste Nederlandse heraldisch-genealogische tijdschrift - dat tot 1882 zou bestaan - werd voor een belangrijk deel door Rietstap zelf volgeschreven.

In de jaren tachtig publiceerde Rietstap nog twee studies over genealogie en wapens van de Nederlandse adel, namelijk het Wapenboek van den Nederlandschen adel , dat in twee foliodelen tussen 1880 en 1887 verscheen, en De wapens van den tegenwoordigen en den vroegeren Nederlandschen adel met genealogische en heraldische aanteekeningen uit 1890. In de 'Voorrede' op het laatstgenoemde werk laat Rietstap zich kennen als criticus van de ontwikkelingen betreffende de spelling van de Nederlandse taal. Vooral de 'verminking' van familie- en plaatsnamen stoorde hem. Uit zijn belangstelling voor aardrijkskundige namen komt Rietstaps laatste publikatie voort, het Beknopt aardrijkskundig woordenboek van Nederland en zijne koloniën , dat begin 1892 postuum verscheen.

Bij de Stenographische Inrichting had Rietstap in de loop der jaren gestaag carrière gemaakt: sinds januari 1887 bekleedde hij hier de functie van eerste stenograaf. Drieënhalf jaar later werd hem - om gezondheidsredenen - op eigen verzoek ontslag verleend. De Haagse krant Het Vaderland (26-6-1890), dat van zijn vertrek melding maakte, noemde Rietstap bij die gelegenheid een 'zeer bekwaam, voor zijn taak volkomen berekend ambtenaar'. Van het hem toegekende pensioen genoot hij slechts ruim een jaar. Op kerstavond 1891 overleed hij, 63 jaar oud.

Rietstap kan worden beschouwd als de grondlegger van de moderne heraldiek in Nederland. Hij legde een theoretisch fundament voor de wapenkunde, vooral door het scheppen van een Nederlands begrippenapparaat. De ontwikkelingen in de Europese heraldiek bracht hij door vertaling en bewerking binnen het Nederlandse taalgebied. Zijn internationale naam, die onder andere blijkt uit het erelidmaatschap van de verenigingen 'Adler' in Wenen en 'Herold' te Berlijn, dankt Rietstap in de eerste plaats aan het Armorial général.

P: Bibliografie bij het onder L genoemde levensbericht van Vorsterman van Oyen, 170-172.

L: Behalve necrologieën o.a. in De Nederlandsche Spectator (1892) 4-5 en door A.A. Vorsterman van Oyen, in Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Bijlage tot de handelingen van 1893-1894 (Leiden, 1894) 161-172; A.G. van der Steur, 'De beoefening van de genealogie in Nederland sedert het midden van de 19e eeuw', in Gedenkboek 1948-1978 [van de] Afdeling Kennemerland van de Nederlandse Genealogische Vereniging (S.l., 1978) 120-147; C. Pama, 'J.B. Rietstap 150 jaar geleden geboren', in De Nederlandsche Leeuw 95 (1978) 98-100; H. Douxchamps, in 'Rietstap et son Armorial Général. Bio-bibliographie', in Le Parchemin 56 (1991) 386-405.

I: Genealogie. Kwartaalblad van het Centraalblad voor Genealogie 11 (voorjaar 2005) 17.

Rob van Drie


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013