Risseeuw, Pieter Johannes (1901-1968)

 
English | Nederlands

RISSEEUW, Pieter Johannes (1901-1968)

Risseeuw, Pieter Johannes, schrijver ('s-Gravenhage 16-5-1901 - Utrecht 11-6-1968). Zoon van Jannis Adriaan Risseeuw, smid, en Pieternella van Es, pensionhoudster. Gehuwd op 16-5-1928 met Jannetje Passchier. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Piet Risseeuw werd geboren in het milieu van de 'kleine luyden': een eenvoudig gereformeerd gezin, geworteld in de Afscheiding van 1834, dat afkomstig was uit Zeeland. Het vroegtijdig overlijden van vader Risseeuw, in 1904, deed zijn moeder besluiten in Scheveningen een pension te beginnen om in haar onderhoud te voorzien. In zijn Gasten en vreemdelingen. Haagse familieroman uit 1960 heeft hij, min of meer verhuld, dit gezin getekend. Na de lagere school werd Risseuw geen onderwijzer zoals zijn broer, maar bankemployé: tot zijn zestigste zou hij in dienst blijven bij de Twentsche Bank in Den Haag.

Het bankwerk liet Risseeuw, ondanks een zwakke gezondheid, voldoende tijd om zich te wijden aan zijn literaire oeuvre, waarvan hij een gedeelte onder het pseudoniem Joh.P. Ruys publiceerde. Risseeuws grote betekenis lag evenwel in het organiseren en stimuleren van de protestants-christelijke literatuur. Zijn vriend C. Rijnsdorp zou hierover later schrijven: 'Veertig jaar lang is een groot deel van zijn schaarse vrije tijd en de energie van een niet al te sterk fysiek aan anderen besteed geweest. Hij kende, en correspondeerde met, iedereen; las manuscripten, gaf raad, introduceerde, organiseerde conferenties, weekends, tentoonstellingen, bracht mensen met elkaar in kennis, zette aan het werk' (Nieuwe Haagsche Courant , 13-5-1961).

Al in 1916 stichtte Risseeuw met enige vrienden de christelijke letterkundige kring te Scheveningen. Deze kring verspreidde een eigen blad, handgeschreven en in één exemplaar: Nut en Genoegen . Later kreeg dit tijdschrift, dat sinds 1918 in druk werd uitgegeven, de naam Opgang. Tijdschrift op christelijken grondslag ter beoefening van letteren en kunst . Het werd het officiële orgaan van de Bond van Christelijk Letterkundige Kringen, bij de totstandkoming waarvan Risseeuw in mei 1921 mede was betrokken. Onenigheid met de uitgever leidde echter in 1923 tot de oprichting van een nieuw tijdschrift: Opwaartsche wegen . Alleen in het eerste jaar zou Risseeuw hiervan redacteur zijn; hij bleef echter medewerker en stuwende kracht.

In 1946 behoorde Risseeuw tot de oprichters - en werd hij tevens redacteur - van het nieuwe protestantse literaire tijdschrift Ontmoeting . Uit de Bond van Christelijk Letterkundige Kringen kwam in 1929 de Christelijke Auteurskring voort, en weer was Risseeuw hierbij een van de stuwende krachten. Over dit tijdschrift- en bondswerk vertelt hij in zijn Kinderen en erfgenamen. Haagse familieroman uit 1964. Zijn beide min of meer autobiografische romans, die bovendien een goed overzicht geven van de ontwikkelingen binnen het gereformeerde volksdeel, zouden vanaf 1968 samen onder de titel De familie Leenhouts verschijnen.

Risseeuw stimuleerde niet alleen tot schrijven, hij wilde ook het eigen volksdeel tot de literatuur brengen. Zo gaf hij in 1926 de aanzet tot de oprichting van de Christelijke Leeszaal en Bibliotheek te Scheveningen, waarvan hij tot aan zijn dood bestuurslid was. Dit betekende overigens niet dat hij antithetisch of sektarisch dacht. Niet alleen christelijke literatuur en lectuur moest worden aangeschaft, zei hij in 1927 in een radiopraatje voor de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging (NCRV), de bibliotheek zou ook een voorlichtende functie moeten hebben; de christen hoefde geen achterlijk mens te zijn. Integendeel, hij moest midden in de wereld staan.

Dit tekent Risseeuw: hij was zowel de animator als opvoeder, die het als zijn taak zag de kunst bij de massa te brengen, en de massa op te voeden tot de kunst. In 1923 trad hij in contact met de firma Callenbach in Nijkerk, die een serie volksromans, de Christelijke Bibliotheek, uitgaf. Risseeuw stelde voor speciaal voor deze abonnees een letterkundig jaarboek samen te stellen om hen zo kennis te laten maken met literatuur. Het lag in de bedoeling dat Callenbach dan later werk van een meer literair gehalte in zijn reeks zou opnemen. Deze 'kerstboeken' werden een succes; van 1924 tot 1933 verschenen er negen, terwijl in 1932 de reeks onderbroken werd door een soortgelijke, niet aan kerstmis gebonden uitgave, Nieuwe oogst genaamd.

In 1935 ontstond er een conflict met de uitgever. De Christelijke Bibliotheek was op aandrang van Risseeuw vervangen door de Nobelreeks, waarin door Risseeuw 'ontdekte' jonge auteurs, zoals J.K. van Eerbeek, Anne de Vries en Henk van Randwijk, hun werk zouden publiceren. Hij organiseerde voor deze reeks allerlei propagandaspreekbeurten. Door een directiewisseling bij de firma Callenbach kreeg Risseeuw bij deze serie en de daarin te verschijnen jaarboeken niet de functie van redacteur, maar werd hij 'figurant op de achtergrond', een voor hem onacceptabele degradatie. Hoewel de scherpste kantjes er na een gesprek af waren, is de relatie nooit meer helemaal goed geworden. Nog in 1965, bij de ordening van zijn archief, zou Risseeuw beschuldigingen en verduidelijkingen op doorslagen van eertijds verzonden brieven plaatsen.

Jonge talenten introduceerde Risseeuw sedertdien bij uitgeverij Kok in Kampen. Juist doordat hij over veel plaatsingsmogelijkheden beschikte - sinds 1929 was hij redacteur van het zondagsblad van De Rotterdammer en van het weekblad De Spiegel - wendden veel beginnende schrijvers zich tot hem, per brief, maar ook persoonlijk. Bij Kok had hij in 1930 Christelijke schrijvers van dezen tijd uitgegeven, met daarin karakteriseringen van ruim veertig auteurs, gevolgd door een bibliografie. Ook hier ging het om meer dan zuivere literatuur: 'Niet alleen hen, wier werk gerekend kan worden tot de christelijke literatuur, doch ook auteurs, wier belletrie meer sociale dan literaire beteekenis heeft, vindt men vertegenwoordigd', schreef hij in de inleiding. In 1931 verscheen bij dezelfde uitgever Christelijke dichters van dezen tijd en zeven jaar later Christelijke dichters van dezen tijd. Nieuwe bundel . Wat Risseeuw voor volwassenen deed, probeerde hij ook voor kinderen. In 1930 verscheen het door hem samen met Q.A. de Ridder geredigeerde Hou zee! Eerste christelijk jeugd-jaarboek , twee jaar later gevolgd door een tweede bundel.

Van Risseeuws eigen werk baarde de crisisroman Is het mijn schuld? uit 1937 opzien. Via de figuur van de jonge hulpprediker Egbert Lemke kritiseerde hij de 'ouderwetse' predikant, die wel preekte, maar te weinig oog had voor de sociale nood. Hij pleitte voor een wezenlijk deelgenootschap in de kerkelijke gemeente. In 1941, kort vóór de instelling van de Kultuurkamer, publiceerde hij Geleend goed , een roman over het Westland. Vijfentwintig jaar later, in 1966, zou hij het tuindersmilieu opnieuw tot onderwerp van een roman maken, namelijk in De glazen stad , een boek dat grote bekendheid kreeg door de televisiebewerking die de NCRV twee jaar na het verschijnen later uitzond. Risseeuw zelf was over deze bewerking zeer ontevreden; de bewerkers en de regisseur hadden naar zijn mening te weinig oog gehad voor de feitelijke bedoeling van de auteur.

Reeds vanaf de eerste helft van de jaren veertig had Risseeuw zich verdiept in de geschiedenis van de Afgescheidenen die in 1846 en 1847 naar de Verenigde Staten waren getrokken. De veel gelezen romans Vrijheid en brood (1947), De huilende wildernis (1947) en Ik worstel en ontkom (1951) waren van deze uitvoerige studie het resultaat. Vanaf 1959 werden deze romans, enigszins verkort, uitgegeven als de trilogie Landverhuizers . Ook na zijn pensionering hield Risseeuw belangstelling voor emigratie uit Nederland. Hij maakte toen reizen naar Canada, de Verenigde Staten, Australië en Zuid-Afrika en deed verslag over die reizen en het leven van de emigranten in Overal Hollanders. Een reisverhaal uit 1965.

Ondanks al dit boeiend vertelde, helder en zakelijk geschreven eigen werk - hij was een groot bewonderaar van de stijl van F. Bordewijk - ligt de grote betekenis van Risseeuw toch in zijn niet aflatende streven het gereformeerde volksdeel ook cultureel te emanciperen. Het volk leren lezen, en de schrijvers voor het volk leren schrijven, dat was zijn doel. Nog in 1949 schreef hij in Ontmoeting (3 (1948/1949) 517) over de reeksen christelijke romans: 'Ik beschouw deze boekenseries als nuttige instellingen voor de volksontwikkeling. Zij zijn het a.b.c. om het volk te leren lezen en zij brengen doorgaans de massa liefde bij voor ''het boek''. (...) Niemand onderschatte de sociale en - in bredere zin - literaire taak van deze lectuurverspreiding en gros.' Aan die verspreiding had Risseeuw, vooral in de jaren dertig, ruimschoots het zijne bijgedragen.

A: Archief-Risseeuw in Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.

P: Bibliografie tot 1968 in het onder L genoemd levensbericht van Rijnsdorp, 178-180.

L: Interview door Jan H. de Groot, in Het Korenland 7 (1930) 251-254; interview door D. v.d. Stoep, Ontmoeting 4 (1949/1950) 59-70; C. Rijnsdorp, In drie etappen (Baarn [1952]); J.W. Ooms, 'Auteur van Landverhuizers overleden', in Christelijke Bibliotheek 16 (1968) 8 (sept.) 2-3; J. Hoekstra, 'P.J. Risseeuw. De man die stimuleerde en kritiseerde', ibidem 16 (1968) 3-5; levensbericht door C. Rijnsdorp, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1968-1969 (Leiden, 1971) 174-180.

H. Jongsma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013