Romijn, Gijsbert (1868-1930)

 
English | Nederlands

ROMIJN, Gijsbert (1868-1930)

Romijn, Gijsbert, hydrobioloog (Apeldoorn 10-1-1868 - Haarlem 20-1-1930). Zoon van Gerrit Johannes Romijn, apotheker, en Johanna Maria Gehrels. Gehuwd op 14-12-1892 met Cornelia van Eck. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

Gijsbert Romijn groeide op als oudste zoon in een gezin met vijf kinderen. De liefde voor de natuur werd hem met de paplepel ingegoten. Zijn vader bracht zijn vrije tijd graag door in de bosrijke omgeving van Apeldoorn, en geregeld sloot hij de hofapotheek om er enkele dagen op uit te trekken. De jonge Romijn doorliep de HBS in zijn geboorteplaats om zich vervolgens, in januari 1887, als student in de wiskunde en natuurwetenschappen in te schrijven aan de Rijksuniversiteit te Leiden. In zijn studententijd was hij lid van de farmaceutische studentenvereniging 'Aesculapius'. Hier deed hij als praeses zijn eerste bestuurservaring op en kon hij zich bekwamen als redenaar. In 1891 behaalde Romijn het apothekersdiploma en twee jaar later, op 1 juli 1893, promoveerde hij bij prof. H.P. Wijsman jr. in de artsenijbereidkunde. Zijn dissertatie, De bepaling van de in water opgeloste zuurstof , handelt over waterverontreiniging, een onderwerp waaraan hij zich zijn verdere leven zou blijven wijden. Met dit onderzoek leverde hij een bijdrage aan het onderzoek van H.W. Bakhuys Rooseboom, lector in de scheikunde, over de verversing van de stadsgrachten in Leiden.

Na zijn promotie werd Romijn compagnon van zijn vader in de apotheek. Deze werd uitgebreid met een laboratorium met wekplaats en destilleerketels, zodat hij hier zelf watermonsters kon analyseren. In 1897 publiceerde hij zijn eerste onderzoeksresultaten: 'Over het chemisch onderzoek van drinkwater' (in Nederlandsch Tijdschrift voor Pharmacie, Chemie en Toxicologie 9 (1897) 118-122). Voor het werk in de apotheek vond zijn vader hem te zeer gericht op theoretische vraagstukken; ook zijn vergeetachtigheid maakte hem hiervoor ongeschikt. Toen zijn vader in april 1898 overleed, erfde Romijn de apotheek dan ook slechts voorlopig. Zijn jongere broer Johannes Marius kreeg het recht van overname, indien hij binnen drie jaar zijn apothekersdiploma behaalde, wat ook inderdaad gebeurde.

In augustus 1901 trad Romijn als scheikundige in dienst bij de Coöperatieve Apothekers Vereeniging 'De Onderlinge Pharmaceutische Groothandel' te Utrecht. Binnen deze nog jonge vereniging wist hij snel het vertrouwen van het bestuur te winnen, zodat hij al na een half jaar bevorderd werd tot directeur. Toch zag Romijn voor zichzelf geen loopbaan binnen de apothekersvereniging weggelegd, en nog geen jaar later koos hij voor het reizende bestaan van farmaceutisch inspecteur: in juni 1902 werd hij aangesteld als inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid voor de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Limburg. Het gezin Romijn verhuisde van Utrecht naar 's-Hertogenbosch, waar het zich snel aanpaste aan de Bourgondische levensstijl. In zijn nieuwe functie werd Romijn in beginsel belast met het toezicht op geneesmiddelen en de bereiding ervan. In de praktijk bleek zijn expertise inzake waterverontreiniging van groot belang voor het onderkennen en oplossen van drinkwater- en afvalwaterproblemen. Veruit de meeste adviezen en rapportages hierover waren dan ook van zijn hand.

In 1907 kreeg Romijns belangstelling voor waterverontreiniging een nieuwe dimensie toen hij gedurende enkele weken bij de Königliche Versuchs- und Prüfungsanstalt für Wasserversorgung und Abwässerbeseitigung te Berlijn werd gedetacheerd. In dit onderzoeksinstituut werden veranderingen in aquatische levensgemeenschappen bij toenemende vervuiling bestudeerd. Hij maakte hier kennis met de onderzoeksmethoden en toepassing van de hydrobiologie. Na terugkeer in Nederland begon Romijn met niet aflatende ijver de flora en fauna in zijn naaste omgeving te bemonsteren. Na een drietal jaren van zelfstandig pionieren ontstond de behoefte de onderzoeksmogelijkheden uit te breiden in een speciaal daartoe uitgerust instituut. In het artikel 'Hydrobiologisch onderzoek' (in Water, Bodem, Lucht 1 (1910) 65-70) uitte hij zijn hartewens, een hydrobiologisch instituut verbonden aan de Rijksuniversiteit te Leiden, een wens die evenwel nooit in vervulling is gegaan.

Aan het begin van de 20e eeuw werden er verscheidene discussies gevoerd over kwesties als hygiëne en de competentiestrijd tussen apothekers en drogisten. Romijn nam hieraan actief deel en werd gezien als een onpartijdige autoriteit, die menig debat wist af te sluiten met een rake schets van de problemen en oplossingen. Op tactvolle wijze maakte hij steeds zijn oordeel kenbaar, zoals in het artikel 'Beoordeeling van drinkwater' in het Pharmaceutisch Weekblad voor Nederland (41 (1904) 693-696), waarin hij betoogde dat het afkeuren van drinkwater op grond van een chemische analyse voorbarig kon zijn en dat verschillende omgevingsfactoren in de overweging moesten worden betrokken. Romijn baseerde zich bij voorkeur op door hem zelf verricht onderzoek. Zo meende hij in 1906 te moeten bedanken als lid van de commissie voor de Codex Alimentarius, waarin regels voor bemonstering, analyse en beoordeling van drink- en etenswaren werden vastgelegd, omdat hij niet in de gelegenheid was analytisch werk te verrichten. Ter verontschuldiging voerde hij aan niet te willen 'naschrijven, hetgeen door anderen is gepubliceerd, zonder het zelf te controleeren' (ibidem 45 (1908) 412).

In discussies over het apothekerswezen reageerde Romijn feller. Eén van deze debatten gaat over een apotheker die incorrect handelde bij het leveren van slijm- en maagpillen aan een drogist (ibidem , 43 (1906) 141-143, 176-177). Romijn was van mening dat dit soort tekortkomingen voortkwamen uit de ontoereikende wettelijke regelgeving inzake de apothekerij. Veel later, in 1916, zou Romijn zijn visie op dit punt kernachtig uiteenzetten in een - samen met G. Jongbloed en J.S. Meihuizen geschreven - artikel, 'Nieuwe grondslagen voor de uitoefening der artsenijbereidkunst' (ibidem , 53 (1916) 658-665).

Romijn had buiten zijn directe ambtelijke bezigheden verscheidene nevenactiviteiten, die er veelal op waren gericht collega's in aanverwante disciplines enthousiast te maken voor de hydrobiologie. Zo gaf hij in 1916 een vakantiecursus in dit vak voor biologen en farmaceuten. Collega-onderzoekers verleende hij hulp bij het verrichten van moeilijke determinaties. Romijn was ook een veelgevraagd spreker, wiens voordrachten, naar de mening van zijn vriend Jos Cremers, als gevolg van zijn geestdrift soms slecht op zijn toehoorders waren afgestemd.

Romijn besefte het grote belang van buitenlandse contacten. Om die reden werd hij lid van de Internationale Vereinigung für theoretische und angewandte Limnologie. In Duitsland onderhield hij een persoonlijk contact met prof. A. Thienemann, directeur van de Biologische Anstalt der Kaiser Wilhelm-Gesellschaft te Plön. Aan de vorderingen die zijn buitenlandse vakgenoten in het hydrobiologisch onderzoek maakten, besteedde hij in uitvoerige boekbesprekingen geregeld aandacht.

Met ingang van 1 september 1920 werd Romijn als inspecteur overgeplaatst naar Haarlem. Zijn taken werden uitgebreid met het toezicht op de handhaving van de warenwet in het keuringsgebied Alkmaar, Haarlem en Leiden. Het verzoek een hydrobiologische bijdrage te leveren aan het werk van de Staatscommissie inzake de verontreiniging van de Vecht betekende officiële erkenning. Hierdoor aangemoedigd pleitte hij voor de oprichting van 'Een internationaal hydrobiologisch instituut in Nederland' (in Vragen van den Dag 35 (1920) 241-250). De minister van Arbeid, P.J.M. Aalberse, besloot echter slechts tot het uitbreiden van het Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid te Utrecht met een Limnologische Afdeeling. De stuwende kracht was uiteraard Romijn, die hieraan als gastmedewerker verbonden was. In deze samenwerking kwam de hydrobiologische inventarisatie van Rijnland tot stand. Romijn toonde in dit onderzoek het verband aan tussen kwantitatief boezembeheer en verzilting en legde daarmee de basis voor de taakverbreding van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

In 1927 werd Romijn getroffen door een beroerte die hem het spreken onmogelijk maakte. Niet meer in staat zijn werkzaamheden voort te zetten, werd hem twee jaar later eervol ontslag verleend. Ondanks zijn kwaliteiten als inspecteur van het Staatstoezicht lagen Romijns grote verdiensten in de eerste plaats op het gebied van de hydrobiologie. Hij beschikte over een zakelijke instelling, formidabele kennis en vele contacten. Helaas was het hem niet gegeven om, met gebruikmaking van deze talenten, een wetenschappelijk onderzoeksinstituut te leiden. Zijn zachtmoedig karakter speelde hem waarschijnlijk parten bij zijn pogingen bij de Haagse ministeries gehoor te vinden voor zijn plannen en pleidooien: hij gaf zich meestal te snel gewonnen. Desondanks verrichtte Romijn in de marge van zijn inspecteursambt veel pionierswerk en hij deed dat met volle overgave.

A: Familie-archief J.M. Romijn te Zaandam. Brieven en rapporten van G. Romijn, in Nieuw Secretarie-archief van het hoogheemraadschap van Rijnland te Leiden, inv.nr. 4704 (voorl. nummering).

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties o.a.: 'Zware metalen in drinkwater', in Pharmaceutisch Weekblad voor Nederland 33 (1897) nr. 3; 'Een merkwaardige misvorming bij beekmijten in Zuid-Limburg', in Handelingen van het XIXde Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres (Haarlem, 1923) 133-134.

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. in Pharmaceutisch Weekblad voor Nederland 67 (1930) 100-101 en door Jos Cremers in Natuurhistorisch Maandblad 19 (1930) 17-20: (Jaar)verslag van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid , 1902-1929; M.F.L. Ennema, 'De Romijn Apotheek te Apeldoorn', in De Apotheek 2 (1934) 1-5; R. During, 'Hydrobiologisch onderzoek van de Vecht in 1920 door de inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, dr. Gysbert Romijn', in H2O 25 (1992) 117-119.

R. During


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013