Seijffardt, August Lodewijk Willem (1840-1909)

 
English | Nederlands

SEIJFFARDT, August Lodewijk Willem (1840-1909)

Seijffardt, August Lodewijk Willem, (bekend onder de naam Seyffardt), legerofficier en minister van Oorlog (Den Helder 14-12-1840 - 's-Gravenhage 10-11-1909). Zoon van August Ludwig Wilhelm Christian Seyffardt, legerofficier en militair gouverneur van Curaçao, en Amelia Charlotte de Chalmot. Gehuwd op 30-7-1867 met Catharina Louisa de Hollander. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. Na haar overlijden (8-11-1874) gehuwd op 19-7-1876 met Johanna Jacoba de Hollander. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (13-12-1883) gehuwd op 26-5-1886 met Theodora Jakoba Offerhaus. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Seijffardt, August Lodewijk Willem

Seyffardt stamde uit een Hessische familie, die al sinds de 18e eeuw militairen leverde aan de Nederlanden. Op veertienjarige leeftijd ging hij naar de Koninklijke Militaire Akademie (KMA) te Breda, die hij in 1859 als tweede luitenant der artillerie verliet. Hij kwam terecht bij het 2e Regiment Vestingartillerie, maar werd nog dat zelfde jaar gedetacheerd op het eiland Curaçao, waar zijn vader majoor-commandant van het garnizoen was. Nog voor zijn aankomst overleed zijn vader in december 1859 plotseling aan de gele koorts. In april 1860 keerde Seyffardt naar Nederland terug met zijn moeder en zusters. Op eigen verzoek mocht hij toen zijn oude plaats bij het 2e Regiment Vestingartillerie weer innemen.

In 1864 werd Seyffardt als eerste luitenant benoemd tot docent artilleriewetenschappen op de KMA. Nadat hij in 1871 tot kapitein was bevorderd, volgde begin oktober 1878 zijn overplaatsing naar de Krijgsschool in Den Haag als leraar vestingartillerie, wat hij tot 1885 zou blijven. Bovendien werd hij in 1881 toegevoegd aan de Generale Staf. Seyffardt had zich vooral na de Frans-Duitse oorlog van 1870/1871 ontwikkeld tot een vooraanstaand deskundige op het gebied van de vestingoorlog. Hij publiceerde er veel over en geloofde heilig in de grote defensieve waarde van moderne forten en vestinglinies in het waterrijke Nederland. Hier deelde hij de opvatting van minister van Oorlog A.E. Reuther (1879-1883). Deze benoemde hem in 1883 tot secretaris van de bewapeningscommissie, die ruim gelegenheid kreeg nieuw geschut aan te schaffen. Seyffardt maakte nu snel carrière. In 1885 werd hij majoor bij de Generale Staf, en het jaar daarop werd hij in deze rang toegevoegd aan de commandant van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie te Utrecht.

In deze jaren kwam men in politieke en militaire kringen allengs tot het inzicht dat Nederlands statische vestingstelsel door de technische ontwikkelingen te kort begon te schieten in defensiekracht. Tijdens de felle discussies over de grondwetswijzigingen van 1887 - waaronder de defensieparagraaf - moet Seyffardts bekering hebben plaatsgevonden: Saulus de vestingvechter werd de Paulus van de volksweerbaarheid. Algemeen kiesrecht en algemene weerplicht zag hij als twee zijden van een en dezelfde links-liberale medaille. Deze denkbeelden, onder meer neergelegd in zijn artikel 'Wat nu? Beperkte of algemeene dienstplicht?' in De Gids (52 (1888) I, 95-121), trokken in zijn woonplaats Utrecht de aandacht van de liberale kiesvereniging, die hem prompt kandidaat stelde voor de Tweede-Kamerverkiezingen van dat jaar. Seyffardt won met grote meerderheid, en zo maakte hij in mei 1888 zijn entree in het parlement. De journalist-publicist Frans Netscher beschreef zijn verschijning hier als volgt: de majoor, 'die er erg boos uitziet, met zijn kleine gestalte, kale kruin, puntig afgeknipte baard en lange snor. Over zijn geheele uiterlijk ligt het kachet van een gefronste brommerigheid, van een man die zijn kleinheid van gestalte door een ferme parmantigheid zoekt goed te maken'. Men hoorde uit zijn 'snorbaard een hoog, zwak, bijna pieperig stemmetje komen, een orgaan voor een kijfend kemphaantje' (Uit ons parlement , 100-101).

In en buiten de Kamer bepleitte Seyffardt nu een algemene oefen- en weerplicht, een korte diensttijd, verblijf buiten de kazernes en een kader dat zoveel mogelijk diende te worden gerekruteerd uit miliciens. Mobilisatie moest lokaal of regionaal plaatsvinden, met de nadruk op de plaatselijke schutterijen en een landweer. Zo zou een heus volksleger ontstaan op basis van het 'gewapende en weerbare volk'. Het zou bovendien een werkelijk defensief leger zijn, passend voor het neutrale Nederland. Fel bestreed Seyffardt de ontwerp-legerwet van minister J.W. Bergansius (1888-1891). Deze wilde plaatsvervanging afschaffen, persoonlijke dienstplicht invoeren, kazernering van de dienstplichtigen en een sterk leger, goed geoefend door een groot beroepskader. Kortom, een 'militair leger' tegenover het idee van een volksleger. Bij de periodieke verkiezingen van juni 1891 waren door de voortdurende obstructie van de oppositie - een minderheid overigens, ook bij de liberalen - de besprekingen over de legerwet in de Kamer nog niet afgerond. De Utrechtse kiesvereniging stelde Seyffardt, die inmiddels naar Den Haag was verhuisd, niet meer kandidaat. Daarmee kwam aan zijn parlementaire loopbaan een einde.

Na de liberale verkiezingszege kostte het formateur G. van Tienhoven veel moeite een minister van Oorlog te vinden. De een na de ander weigerde, gezien de gecompliceerde defensieperikelen. Uiteindelijk toonde Seyffardt, de grote opponent van Bergansius, zich bereid deze post op zich te nemen. Op 21 augustus 1891 trad het nieuwe ministerie aan. Een van Seyffardts eerste daden was het intrekken van de ontwerp-legerwet Bergansius, wat zowel bij koningin Emma als bij de meerderheid van de nieuw gekozen Tweede Kamer, bestaande uit antirevolutionairen en het merendeel van de liberalen, aanleiding gaf tot wrevel en scepsis tegenover de nieuwe bewindsman. Seyffardt werd een van de meest omstreden en bestreden ministers van Oorlog. In de ministerraad kreeg hij zelden onverdeelde steun, en militaire specialisten in en buiten de Kamer stelden hem voor als een onpraktische idealist of een waardeloos warhoofd. Slechts de katholieken, gedreven door afkeer van de wet-Bergansius, en de enkele links-liberale aanhangers van Seyffardt hadden enig vertrouwen in een door hem te ontwerpen legerwet.

Het was echter een zwak punt van Seyffardt dat hij bleef talmen met de indiening van zijn toegezegde alternatief. Wellicht besefte hij dat zijn legerwet het in de Kamer niet zou halen. Ook de legerleiding, ambtenaren op zijn departement en gezaghebbende militaire bladen verzetten zich tegen zijn linkse volkslegerdenkbeelden. In april 1892 gelukte het Seyffardt een noodwetje tot tijdelijke versterking van de nationale militie, door hem weermacht genoemd, goedgekeurd te krijgen. In november van dat jaar kwam hij met een wetsontwerp tot regeling van de samenstelling der landmacht. Nu bleek de minister geen voorstander van algemene volkswapening, maar van een klein leger met een grote reserve. Over dienstplicht of oefenplicht en diensttijd werd in het ontwerp niet gerept. Het zat zo slecht in elkaar en bevatte zoveel lacunes en zulke merkwaardige details dat de afdelingen van de Tweede Kamer weigerden tot behandeling ervan over te gaan.

De slechte relatie tot de regentes vergde veel van Seyffardt. Evenals koning Willem III beschouwde zij de officiersbenoemingen bij het regiment grenadiers en jagers een koninklijk prerogatief. De weigering van Emma, in september 1891, het benoemingsbesluit van een door Seyffardt als regimentscommandant voorgedragen kolonel te tekenen, deed de minister, na langdurig geschrijf over en weer, in februari 1892 zijn ontslag aanbieden. Uiteindelijk werd een compromis gevonden: de ministerraad adviseerde de regentes Seyffardt ontslag te weigeren, en zelf een officier voor te dragen, die vervolgens door de bewindsman als commandant werd geaccepteerd. De wapenstilstand duurde niet lang. In december 1892 nam de Tweede Kamer een amendement aan op de begroting van Oorlog, waardoor de bevordering van twee adjudanten van Emma financieel onmogelijk werd gemaakt. Seyffardt aanvaardde het amendement, en met instemming van zijn collega's lichtte de minister de regentes in over de onmogelijkheid de adjudanten in rang te verhogen. Emma protesteerde krachtig, maar het kabinet hield voet bij stuk en vond de zaak geen conflict met de Kamer waard.

Na deze kwestie leek de verhouding tussen Emma en Seyffardt te verbeteren. In april 1893 werd de minister zelf zonder problemen tot kolonel bevorderd. Vijf maanden later was de regentes Seyffardt zeer dankbaar toen hij loyaal meehielp de populariteit van de dertienjarige Wilhelmina te vergroten door haar - tegen zijn aanvankelijk voornemen in - de nieuwe vaandels en standaards aan een aantal regimenten op het Haagse Malieveld te te laten uitreiken, terwijl Emma over de troepen heen het Nederlandse volk toesprak over de hechte band tussen leger, vorstenhuis en vaderland.

Slechts op detailpunten heeft Seyffardt iets bereikt voor zijn idee van een volksleger, zoals mobilisatie zo dicht mogelijk bij de woonplaats, verbetering van de opleiding tot onderofficier voor miliciens en het vergemakkelijken van de toegang ertoe. Niet zonder bitterheid legde Seyffardt op 9 mei 1894, na de verloren verkiezingen, te zamen met de overige bewindslieden, het ministerschap neer. In zijn ogen was het van alle hoge staatsambten 'het onaangenaamste, het ondankbaarste en daarbij zeker een der moeilijkste' (Vragen des Tijds (1908/1909) I, 1). In zijn geval was deze functie extra zwaar geweest vanwege 'het uitstrooien van allerlei praatjes en malle voorstellingen door de Hofkliek', die zijn 'verhouding tot den Troon niet al te aangenaam' had gemaakt (Netscher, 'Seyffardt', 178).

Na zijn aftreden en gelijktijdige pensionering uit het leger ijverde Seyffardt, radicaler dan ooit, voor herziening van het vestingstelsel en voor het volksleger. In tijdschriften als De Gids , Vragen des Tijds , De Tijdspiegel en de Militaire Spectator verscheen het ene na het andere artikel van zijn hand. Samen met de Utrechtse hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, Gerrit Kalff, richtte hij in 1899 de vereniging 'Volksweerbaarheid' op, die hij tot volkslegerbond wilde maken. 'Volksweerbaarheid' ijverde met enig succes voor gymnastiek in en buiten het onderwijs, voor tucht en morele opvoeding, en voor schietbanen in elk dorp. Vooral de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902) bracht het idee van een gewapend, weerbaar volk opnieuw onder de aandacht - ook van de politici - en bezorgde de vereniging tijdelijk een grote aanwas van leden. Seyffardt was tot zijn dood in 1909 als secretaris de drijvende kracht achter alle activiteiten.

In zijn privé-leven bleef Seyffardt rampspoed niet bespaard: tot tweemaal toe werd hij weduwnaar - zijn eerste en tweede echtgenote waren zusters -, en van zijn vijf kinderen bereikten er slechts twee de volwassen leeftijd. Seyffardt was een verdienstelijk militair specialist en docent tot aan zijn 'bekering' omstreeks 1887. Van toen af werd hij steeds meer gezien als een links-liberaal idealist zonder praktisch politiek en maatschappelijk inzicht. Als kamerlid en minister won hij geen sympathie voor zijn denkbeelden. In de laatstgenoemde functie was hij, zoals Emma het voorzag, 'de verkeerde man op het verkeerde moment' (Gooren, 37).

P: Boeken, brochures en artikelen, vermeld in de onder L genoemde publikatie van Klinkert, 525-526. Verder o.a.: Ons krijgswezen in de Staten-Generaal (3 dln.; 's-Gravenhage, 1898-1902).

L: F. Netscher, Uit ons parlement. Portretten en schetsen uit de Eerste- en Tweede Kamer (Amsterdam, 1890); idem, 'A.L.W. Seyffardt', in De Hollandsche Revue 5 (1900) 170-184; W.E. van Dam van Isselt, Zestig jaren hooger militair onderwijs ('s-Gravenhage, 1928); H.J. Scheffer, Henry Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes (Bussum, 1976); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980); R.H.E. Gooren, Krijgsdienst en krijgsmacht in de Nederlandse politiek 1866-1914 [Utrechtse Historische Cahiers 8 (1987) nr. 1] (Utrecht, 1987); Marcel E. Verburg, Koningin Emma. Regentes van het koninkrijk (Baarn, 1989); Koningin Emma. Opstellen over haar regentschap en voogdij . Onder red. van C.A. Tamse (Baarn, 1990); Wim Klinkert, Het vaderland verdedigd. Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland 1874-1914 ('s-Gravenhage, 1992).

I: Website Parlementair Documentatie Centrum te Leiden: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [4-11-2008].

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013