Sluijser, Meijer (1901-1973)

 
English | Nederlands

SLUIJSER, Meijer (1901-1973)

Sluijser, Meijer, (bekend onder de naam Meyer Sluyser), journalist en radiocommentator (Amsterdam 9-9-1901 - Bussum 26-1-1973). Zoon van Mozes Sluijser, diamantslijper, en Sara Verdooner. Gehuwd op 10-6-1926 met Henrietta Blog. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (9-1-1958) gehuwd op 20-5-1959 met Selma van IJssel. Na haar overlijden (1-10-1962) gehuwd op 18-3-1966 met Mia Klorn. Uit het 2e en 3e huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Sluijser, Meijer

Opgroeiend in een joods gezin in de Amsterdamse jodenbuurt volgde Meyer Sluyser na de lagere school een driejarige MULO-opleiding, die hij in 1916 voltooide. Van huis uit kreeg hij haast vanzelfsprekend een sterke socialistische overtuiging mee. Zijn vader nam hem al heel jong mee naar de bijeenkomsten van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Op dertienjarige leeftijd werd hij lid van de Arbeiders Jeugd Centrale en in 1919 van de SDAP. Tussen 1917 en 1919 had de jonge Sluyser verscheidene kantoorbaantjes, terwijl hij in de avonduren met succes cursussen boekhouden en Duits volgde. In 1919 kreeg hij een functie bij de Internationale van Werklieden in Overheidsdienst. Voor dit werk was een brede talenkennis nodig, en hij leerde daarom via opleidingen Engels, Frans, Duits en Spaans vloeiend beheersen, zodat hij op internationale bijeenkomsten als tolk kon optreden.

Ook op andere wijze wilde Sluyser zijn politieke overtuiging uitdragen, en daartoe vond hij in het jonge medium van de radio een geschikt middel. In 1926 werd hij lid van de pas opgerichte Vereeniging van Arbeiders-Radioamateurs (VARA) en een jaar later voorzitter van de afdeling Amsterdam. En daar bleef het niet bij. In 1928 kreeg Sluyser zitting in de reorganisatiecommissie die de verenigingsvorm van de VARA moest ontwerpen. In dat zelfde jaar werd hij voorzitter van de Federatie Amsterdam van deze omroep en tevens lid van het hoofdbestuur.

Sluyser stond altijd op de bres voor de belangen van zijn omroep. Dit bleek onder meer in de periode van de radiostrijd, van 1928 tot 1930, toen hij opkwam voor een naar zijn mening rechtmatige eigen plaats van de VARA in de ether. In 1930 schreef hij hierover een felle brochure, gericht tegen het monopoliestreven van de Algemeene Vereeniging Radio Omroep (AVRO): In den greep van Holdert. De moord op de A.V.R.O. In dat zelfde jaar nam hij in Donker Nederland. De radio-censuur in de Tweede Kamer krachtig stelling tegen de opgerichte Radio Omroep Controle Commissie, die in zijn ogen een vorm van ongewenste censuur inhield. In het omroepwerk zelf verzorgde Sluyser van 1930 tot 1940 voor de VARA de wekelijkse filmrubriek 'Van het Witte Doek'.

Behalve de omroep was ook de krant voor Sluyser een krachtig strijdmiddel. Hij was in 1929 als redacteur in dienst getreden van het sociaal-democratische dagblad Het Volk . Een reeks artikelen over het bittere lot van de joodse minderheden in Oost-Europa baarde opzien en verscheen in 1932 in boekvorm onder de titel Joden in nood...! Een reportage . Als democraat in hart en nieren was Sluyser een principiële tegenstander van elke vorm van dictatuur, zoals die zich manifesteerde in het communisme, het fascisme en het opkomend nationaal-socialisme. Toen in 1933 in Duitsland Hitler aan de macht kwam en daar een groot deel van de werkloze bevolking achter zich kreeg, wilde hij in Nederland de arbeiders, en vooral de werklozen onder hen, waarschuwen voor het onheil. De leiding van de SDAP en van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen liet zich door hem overtuigen dat de bevolking in haar geheel gemobiliseerd moest worden in de afwijzing van de dictatoriale ideologieën.

Sluysers opvattingen brachten hem in conflict met de nogal linkse VARA-secretaris G.J. Zwertbroek, die soms sprekers voor de microfoon haalde wier opvattingen strijdig waren met die van het democratisch-socialisme. Toen waarschuwingen niet hielpen, werd Zwertbroek, vooral door toedoen van Meyer Sluyser, door het hoogste orgaan van de VARA, de Vereenigingsraad, in 1934 ontslagen. De directe aanleiding voor dit ontslag was het feit dat Zwertbroek een aantal maten van de 'internationale' wenste te gebruiken als pauzeteken tussen de programma's, iets dat naar Sluysers opvatting een verkeerd imago gaf van de VARA.

Als leider van het Bureau van Actie en Propaganda voerde hij van 1933 tot 1936 een landelijke campagne tegen nationaal-socialisme en communisme via het colportageblad Vrijheid, Arbeid, Brood , dat in korte tijd een zeer hoge oplaag bereikte. In felle, emotionele artikelen pakte hij zijn politieke opponenten ombarmhartig aan. Toch wekte zijn ongepolijste taal op den duur bij de partijleiding weerstand. In 1936 kreeg het blad een andere redactie en werd het een propagandageschrift voor het Plan van den Arbeid. Ook in het weekblad De Groene Amsterdammer , waarvan Sluyser in 1938 - naast het redactiewerk voor Het Volk - medewerker werd, waarschuwde hij herhaaldelijk tegen het naderend gevaar van Hitler-Duitsland.

Na de Duitse inval en het bericht van de capitulatie van het Nederlandse leger wist Sluyser met zijn gezin nog op 15 mei 1940 naar Groot-Brittannië te ontkomen. Daar kon de uitgeweken Nederlandse regering al spoedig van zijn ervaring en bekwaamheid als journalist en radioman profiteren. Op 7 juli werd hij chef van de Radioluisterdienst, die tot taak had de radiouitzendingen vanuit het bezette gebied op te vangen en daarover aan Nederlandse regeringsinstanties te rapporteren. Ook werd Sluyser geregeld medewerker van 'Radio Oranje', schreef hij teksten voor het radiocabaret 'De Watergeus' en nam hij een jaar lang de leiding op zich van de quasi-illegale zender 'De Flitspuit', die de indruk moest wekken in het bezette gebied te opereren en daarmee het verzet in Nederland trachtte aan te moedigen. Bovendien werd hij enigszins betrokken bij het politieke beleid door een adviseurschap van minister-president P.S. Gerbrandy en het lidmaatschap van de Buitengewone Raad van Advies, een raad die, bij gebrek aan een parlement, sedert 21 maart 1942 optrad als klankbord voor het kabinetsbeleid. Sluyser was een van degenen die zich krachtig verzetten tegen plannen van enkele Nederlandse autoriteiten in Londen om na de bezetting het parlement buiten spel te zetten.

In november 1944 naar het bevrijde deel van Nederland teruggekeerd werd Sluyser een van de oprichters van het socialistische dagblad Het Vrije Volk . Hij zou daarna adjunct-chef van de redactie van deze krant worden en in deze functie, onder meer voor reportages, reizen maken in vrijwel alle werelddelen. Ook het radiowerk zette hij voort: hij was opnieuw lid van het hoofdbestuur van de VARA, en vanaf 1950 verzorgde hij voor deze omroep iedere zaterdagavond het 'Commentaar op het nieuws'.

Inmiddels was Sluyser, na onenigheid met de hoofdredactie van Het Vrije Volk , in 1951 chef van de afdeling Actie en Propaganda van de Partij van de Arbeid (PVDA) geworden. In deze functie leidde hij niet minder dan vier campagnes bij achtereenvolgende Tweede-Kamerverkiezingen. Het was mede aan hem te danken dat de PVDA in 1956 vijftig zetels behaalde: het hoogste aantal dat zij tot dan toe had weten te bereiken. Sinds 1953 was hij namens de socialisten lid van de gemeenteraad van Bussum.

Intussen bleef Sluyser actief als publicist en als omroepmedewerker. Bij het zilveren jubileum van de VARA in 1950 had hij al het gedenkboek Hier is de VARA. 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep geschreven, en bij het veertigjarig jubileum volgde zijn boekje Een klein mannetje met een klein potloodje. Impressies van 40 jaar VARA. Ook hield hij zijn wekelijkse commentaarrubriek vol, totdat in 1969 zijn politieke opvattingen zozeer van die van de VARA-leiding gingen afwijken dat hij werd verzocht zich terug te trekken. Sluyser had in deze tijd moeite met de onder invloed van Nieuw Links ingeslagen koers van de PVDA. Dit leidde er ten slotte toe dat hij voor deze partij bedankte en lid werd van de om dezelfde reden opgerichte Democratisch Socialisten '70 (DS'70). Hoezeer hij van zijn oude partij was vervreemd, bleek ook uit andere feiten: in 1971 nam hij met pijn afscheid als hoofdbestuurder van de VARA, en sedert 1970 schreef hij zijn politieke commentaren in het DS'70-gezinde weekblad Accent .

Ondertussen had Sluyser als schrijver ook naam gemaakt met zijn veel geprezen en gelezen schetsen van het gewone leven in de vooroorlogse Amsterdamse jodenbuurt. Dit was begonnen met stukken en stukjes in de krant, die in de jaren vijftig en zestig in talrijke bundels werden herdrukt. In treffende anekdotes en nostalgisch gekleurde typeringen liet Sluyser zien hoe in die vroegere joodse gemeenschap lief en leed werden gedeeld. Deze bundels ontmoetten zoveel waardering dat hem lidmaatschappen werden aangeboden van onder andere de Vereniging voor Joodse Wetenschap, de Vereniging van Letterkundigen en de Nederlandse PEN-club.

Sluyser was bij al zijn veelzijdigheid een controversieel man: lastig in de omgang, maar een briljant journalist met een dikwijls scherpe pen. Van zichzelf getuigde hij: 'Een naar de bek babbelaar ben ik nooit geweest' en 'Ik ontzie geen mens, geen enkel belang als het gaat mensen opzij te zetten die ik niet goed vind' ( Vrij Nederland , 30-9-1967). Toen hem overigens de vraag werd gesteld waarom hij als overtuigd socialist in 1965 toch het officierschap in de orde van Oranje-Nassau had aanvaard, antwoordde hij daarop: 'al heb ik een aangeboren gebrek aan respect voor gezag, als puntje bij paaltje komt, loopt er geen gouvernementeler mens rond dan Uw dienstwillige dienaar' ( ibidem , 24-2-1973).

A: Dossier-Meyer Sluyser in het Archief van de VARA te Hilversum; collectie-M. Sluyser in Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam; collectie-M. Sluyser in familiebezit

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Jacobus Fredericus de Brie. Een bedenksel (Amsterdam, 1933); Twaalf burgemeesters. 500 jaar Amsterdam. In samenw. met Fred. Thomas (Amsterdam, 1939) 'De partij' (Amsterdam, 1947); Die en die is er nóg... (Bussum [1951]); 'Geacht aetherforum...' (Bussum [1956]); Voordat ik het vergeet [Amsterdam, 1957]; Als de dag van gisteren... [Amsterdam, 1958]; Hun lach klinkt van zo ver... [Amsterdam, 1959]; Tussen speurders en spionnen. Avonturen van Dirk Poldervaert (Amsterdam [1960]); Er groeit gras in de Weesperstraat (Amsterdam, [1962]); Enkele notities uit Londen (Amsterdam, 1964); Amsterdam je hebt een zoute smaak (Amsterdam [1964]); ..., daar zaten wij. Impressies over 'Londen '40 - '45' (Amsterdam [etc., 1965]); Niemand die het antwoord weet (Amsterdam [etc. 1967]); De wereld is rond, maar mijn zolen zijn plat (Amsterdam [etc. 1970]).

L: Behalve artikelen en necrologieën o.a. in Vrij Nederland, 30-1-1973 en 24-2-1973; Het Parool, 29-1-1973; Het Vrije Volk, 29-1-1973; De Tijd, 30-1-1973; VARA Gids, 10-2-1973: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 I-VIII ('s-Gravenhage, 1949-1956); interview door Bibeb in Vrij Nederland , 30-9-1967; H. van Hulst [e.a.], Het roode vaandel volgen wij. Geschiedenis van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij van 1880 tot 1940 ('s-Gravenhage [1969]) 266-268; Martin van Amerongen, Meijer Sluyser. Voordat hij het vergat (Amsterdam [1973]); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IX ('s-Gravenhage, 1979); Philip van Praag, 'Meijer Sluijser (1901-1973)', in Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging (1990) 2-19; Elsbeth Etty, 'Het Amsterdam van Meyer Sluyser. De jodenbuurt voor Het Grote Verdriet', in Ons Amsterdam 44 (1992) 30-35; Philip van Praag, 'Meijer Sluijser', in Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland V (Amsterdam, 1992) 260-263; L. de Jong, Herinneringen I ('s-Gravenhage, 1993).

I: Martin van Amerongen, Meijer Sluyser. Voordat hij het vergat (Amsterdam [1973]) afbeelding op achterkaft.

H.W.A. Joosten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013