Smelik, Evert Louis (1900-1985)

 
English | Nederlands

SMELIK, Evert Louis (1900-1985)

Smelik, Evert Louis, predikant en kerkelijk hoogleraar ('s-Gravenhage 8-9-1900 - Geldrop (N.B.) 22-2-1985). Zoon van Jacob Smelik, onderwijzer, en Elisabeth Alberta van Ruijtenberg. Gehuwd op 27-11-1925 met Geertje Jaape, verpleegster. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. Na haar overlijden (11-1-1954) gehuwd op 30-12-1960 met Margaretha Sneller, longarts. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Smelik, Evert Louis

In het gezin waarin Evert Smelik opgroeide, heersten calvinistische soberheid en bescheidenheid. Na het Christelijk Gymnasium in Den Haag studeerde Smelik vanaf 1919 theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. In deze jaren was hij - tegen synodaal advies in - lid van de Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging, wat leidde tot een verdieping van zijn geloofsleven. In 1924 deed Smelik kandidaats-examen en werd hij vervolgens hulpprediker in Bloemendaal. Hier leerde hij Geertje Jaape, verpleegster in het psychiatrisch ziekenhuis 'Vogelensangh', kennen, met wie hij eind 1925 in het huwelijk trad. Twee weken later werd hij bevestigd in Tienhoven.

Lang zou Smelik geen gereformeerd predikant in dit Utrechtse dorp blijven. Toen dominee J.G. Geelkerken, die had gepleit voor meer ruimte voor de historisch-kritische exegese van de scheppingsverhalen - 'de sprekende slang' -, in 1926 door een buitengewone synode geschorst en uit zijn ambt gezet werd, schaarde Smelik zich aan zijn zijde, waardoor hem een zelfde lot trof: na schorsing door de classis Breukelen volgde op 29 september zijn afzetting. Met een deel van zijn gemeente sloot hij zich daarop aan bij de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband. Het waren voor Smelik en zijn gezin moeilijke jaren.

De jonge dominee betekende veel voor het Hersteld Verband. Onder zijn leiding werden in 1927 in Baarn en Amersfoort, en een jaar later in Den Haag en Utrecht, nieuwe gemeenten geïnstitueerd. Verder redigeerde hij samen met dominee J.J. Buskes vanaf 1928 de preekbundelserie De komst van het Koninkrijk . In 1936 was Smelik de opsteller van een nieuw huwelijksformulier en een kerkenordening. In 1937 publiceerde hij - met dominee J. Diepersloot - de brochure Plaats en koers (der Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband) en een brochure voor het evangelisatiewerk. In 1943 zagen zijn Kindergebeden het licht.

Mede om af te rekenen met de vanzelfsprekendheid van het verleden besloot Smelik zijn studie geheel over te doen. Hij ging theologie studeren aan de Leidse universiteit, waar hij op 27 juni 1939 cum laude het doctoraal examen aflegde. Op 8 april 1943 volgde zijn promotie aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam bij N. Westendorp Boerma, hoogleraar in de ethiek. In zijn dissertatie, Vergelden en vergeven. Een theologisch-ethische studie naar aanleiding van Nietzsche's denkbeelden over schuld en straf , liet Smelik zich door deze Duitse filosoof inspireren en ontleende hij op redelijk en existentieel vlak het nodige aan zijn werk, daarmee afstand nemend van de burgerlijke zekerheden, waaronder hij zelf zo had geleden.

Als predikant kreeg Smelik al spoedig te maken met de verslechterende economische en politieke situatie. In Rotterdam, waarheen hij in 1928 was beroepen, richtte hij in de crisistijd een Commissie voor de bestrijding van de werkeloosheid op. In 1937 predikant geworden te Hilversum kreeg hij moeilijkheden met enkele gemeenteleden die de Nationaal-Socialistische Beweging waren toegedaan. Deze gemeente verwisselde hij na twee jaar voor Amsterdam-zuid. In deze stad werd hij de collega van J.G. Geelkerken. Tijdens de Duitse bezetting was Smelik betrokken bij het verzetswerk, in het bijzonder de hulp aan joodse onderduikers. Daarbij mag het overigens een klein wonder worden genoemd dat hij, ondanks zijn soms roekeloze gedrag, nooit is opgepakt. Van dank van overlevenden wilde hij later niets weten. Het was hem te veel om 'zijn hele leven door te gaan met de last van de dankbaarheid van die mensen'.

Op 15 mei 1946 verenigden de kerken van het Hersteld Verband zich met de Nederlandse Hervormde Kerk. Smelik volgde toen K.H. Miskotte op als predikant voor het werk onder buitenkerkelijken, vooral studenten, in Amsterdam-zuid. Met een meer psychologische aanpak dan zijn voorganger was Smelik beter in staat zijn kapitaal in kleine munt uit te delen. Zo breidde hij het cursuswerk in deze wijk sterk uit.

De Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk benoemde Smelik op 15 februari 1949 tot kerkelijk hoogleraar aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, met als leeropdracht de bijbelse godgeleerdheid, de christelijke zedenkunde, de praktische godgeleerdheid en het Nederlands hervormd kerkrecht. Bovendien gaf hij college op het Theologisch Seminarium van de Nederlandse Hervormde Kerk in Driebergen. Smeliks oratie op 21 maart handelde over Het gesprek in de pastorale theologie , een terrein dat in zijn leven minstens zo belangrijk was als de ethiek. Wat dit laatste onderdeel van zijn leeropdracht betreft, beklemtoonde Smelik in publikaties het belang van de zedenkunde als 'het vak van de toekomst'. In zijn boek De ethiek in de verkondiging uit 1961 ontkende hij de noodzaak van een afzonderlijke christelijke ethiek. Als ethicus was hij lid van de Staatscommissie voor de herziening van de echtscheidingswet, die op 7 mei 1971 haar beslag kreeg.

Verder leverde Smelik met zijn homiletische commentaren op het evangelie volgens Johannes, de pastorale brieven en de brief van Jacobus belangrijk bijbels-theologisch werk, hoewel hierop van exegetische zijde nogal wat kritiek werd uitgeoefend. Bekendheid kreeg Smelik, behalve door zijn zes als 'Postilles' verschenen preekschetsen, vooral door zijn bijdragen aan het Liedboek voor de Kerken , dat, na lange voorbereiding in de hervormde gezangencommissie, in 1973 zou verschijnen. De liederen dienden een hoog niveau van stijl en schoonheid te hebben, terwijl hierin ook de stem van de traditie van de kerk moest doorklinken. Van 1952 tot 1970 als voorzitter van de gezangencommissie optredend was Smelik streng en dwingend. Naast enkele vertalingen van liederen van onder anderen de door hem zo bewonderde Johann Christoff en Christoff Blumhardt, dichtte Smelik, vooral componerend in de stijl van Hugo Wolf en Gustav Mahler, sterk geestelijk en ethisch ingestelde liederen. Deze hadden 'iets strengs, hoekigs, met korte regels, staccato, helder als metaal' (Schulte Nordholt, 128).

Begin 1954 verloor Smelik zijn vrouw, waarna een periode van grote eenzaamheid volgde. Daaraan kwam pas in december 1960 werkelijk een einde, toen hij met een oud-catechisante uit Rotterdam, Margaretha Sneller, longarts van het voormalige studentensanatorium in Laren, trouwde. Op 1 september 1967 ging Smelik met emeritaat. Twee jaar later verliet hij Amsterdam en verhuisde hij naar Noord-Brabant: eerst naar Bergeyk, in 1980 naar Geldrop. Tot hij hier op 84-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersenbloeding overleed, wijdde hij zich aan het dichten en het componeren van liederen. Ook preekte hij nog geregeld.

Smelik was niet gemakkelijk, noch voor anderen noch voor zichzelf. Maar hoewel scherp en soms bits in zijn oordeel werd hij voor een generatie predikanten toch herder en leermeester in de praktische theologie. Ter wille van een pastorale en homiletische toewijding eiste hij van zichzelf en anderen een radicale integriteit. Smelik was een fijngevoelige en kunstzinnige man, met grote liefde voor muziek en kunst, die hij met religie combineerde. Weliswaar weinig gesteld op gezelligheid was hij steeds vol aandacht voor zijn naaste. In zijn optreden toonde hij zich bescheiden en zonder enige ijdelheid.

P: Bibliografie in Ethiek als waagstuk. Opstellen aangeboden aan dr. E.L. Smelik, emeritus-hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam (Nijkerk, 1969) 141-142. Na 1969 verschenen o.a.: Het transparante bestaan. Bespreking van het bijbelboekje Ruth voor het gebruik in gespreksgroepen (Driebergen [1973]); Nieuwe liederen rond Kerstmis voor zangstem met klavierbegeleiding (Bergeyk, 1978).

L: Behalve necrologieën en herdenkingsartikelen o.a. door J. Geursen en F.O. van Gennep, in In de Waagschaal 14 (1985/1986) 26-31; G.H. ter Schegget, in Woord en Dienst 34 (1985) 133; F.O. van Gennep, in Nederlands Theologisch Tijdschrift 39 (1985) 231-235; J.W. Schulte Nordholt, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1985-1986 (Leiden, 1987) 122-130: [J.F.D. van Halsema,] in De kogel door de kerk. 14 interviews met gewezen gereformeerden . Samengest. door Koosje Koster [e.a.] (Amsterdam, 1965), 66-79; G.F.W. Herngreen, Een handjevol verkenners. Ontstaan en geschiedenis van het 'H.V.', de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband (Baarn, 1976) 31-32, 43, 63-64, 68, 70-71, 88-89, 94, 120, 161; B. Smilde, Hasper en het kerklied. Een onderzoek naar het hymnodische en hymnologische werk van ds. Hendrik Hasper (1886-1974)... (Leeuwarden, 1986); H.J.Ph.G. Kaajan, 'Kerkstrijd in het Sticht. Het ontstaan en de geschiedenis van het Hersteld Verband in Utrecht en Tienhoven (1926-1946)', in Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland 6 (1992) 130-166.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Joop van Bilsen; Collectie ANEFO; Smelik in november 1960].

H.J.Ph.G. Kaajan


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013