Snoeck Henkemans, Johan Reinhardt (1862-1945)

 
English | Nederlands

SNOECK HENKEMANS, Johan Reinhardt (1862-1945)

Snoeck Henkemans, Johan Reinhardt, journalist en politicus ('s-Gravenhage 21-5-1862 - Haarlem 24-5-1945). Zoon van Gerhard Snoeck Henkemans, wijnkoper, en Johanna Clasina Scholt. Gehuwd op 24-6-1887 met Anna Maria van den Berg. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (31-7-1924) gehuwd op 16-8-1928 met Elizabeth Cornelia Bachofner. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Snoeck Henkemans, Johan Reinhardt

Vader Snoeck Henkemans had zoon Reinhardt voorbestemd als opvolger in zijn Haagse wijnhandel. Na het MULO-examen in 1876 doorliep Reinhardt nog de derde en vierde klas van de HBS, alvorens in Rotterdam een opleiding tot wijnkoper te volgen. Op zeventienjarige leeftijd trad hij bij zijn vader in dienst. Tot 1924 zou hij het familiebedrijf leiden.

In de jaren negentig van de 19e eeuw kreeg Snoeck Henkemans grote belangstelling voor maatschappelijke en politieke zaken. Door zijn ambt van diaken in de hervormde gemeente van Den Haag (vanaf 1891) kwam hij in aanraking met de noden van de sociaal zwakkeren in de samenleving. Hij verdiepte zich in studies over armenzorg en sociale wetgeving en publiceerde daarover - ook later - in tijdschriften en brochures. Tot de vele activiteiten van Snoeck Henkemans op dit terrein behoorden onder meer het voorzitterschap van de Haagse Armenraad van 1913 tot 1940, en het bestuurslidmaatschap van de afdeling Den Haag van de vereniging 'Kinderzorg' van 1903 tot 1942.

Op aandringen van predikant en Tweede-Kamerlid J.Th. de Visser, die hij persoonlijk had leren kennen, sloot Snoeck Henkemans zich in 1903 aan bij de Christelijk-Historische Partij. Bij de totstandkoming van de Christelijk-Historische Unie (CHU) in 1908 trad hij tot deze nieuwe groepering toe. Op 21 september 1909 kwam hij namens het kiesdistrict Amsterdam-II in de Tweede Kamer. Vier jaar later werd hij bij de verkiezingen weliswaar niet herkozen, maar een tussentijdse verkiezing in Apeldoorn bracht hem op 14 maart 1916 opnieuw naar het Binnenhof. Tot 1935 zou hij onafgebroken deel uitmaken van de christelijk-historische kamerfractie.

Snoeck Henkemans' positie binnen de CHU was - ondanks zijn verkiezing tot partijsecretaris in 1918 - niet geheel onomstreden. Zijn ministeriële ambities werden niet door ieder gewaardeerd, te minder omdat als een van de beginselen van de CHU gold dat niet naar de praktische regeermacht mocht worden gestreefd. Zijn sociale opstelling en de vele functies die hij in de top van de partij bekleedde - kamerlid, secretaris en, sinds 1921, hoofdredacteur van het christelijk-historische dagblad De Nederlander - brachten hem bij herhaling in conflict met (vooral) de conservatieve CHU'ers, zoals de Eerste-Kamerleden W.L. baron De Vos van Steenwijk en jhr. B.C. de Savornin Lohman.

Bij de achterban van de CHU was Snoeck Henkemans evenwel zeer gezien, mede dank zij het vele werk dat hij voor een betere interne organisatie van de partij verrichtte. Zijn reserves jegens een te grote machtspositie van H. Colijn, de leider van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in het interbellum, waren onder anderen De Vos van Steenwijk een doorn in het oog, omdat deze vond dat Colijn 'torenhoog boven ons allen uitsteekt' (Veertien brieven , 33) en Snoeck Henkemans een in zijn ogen veel te kritische houding ten opzichte van de antirevolutionaire voorman aannam, vooral in de zogeheten Vlootwetcrisis van eind 1923.

In de Tweede Kamer sprak Snoeck Henkemans voornamelijk over onderwerpen die meer of minder rechtstreeks op de sociale wetgeving betrekking hadden. Tijdens de formatiepoging van zijn partijgenoot De Visser in 1925 nam hij namens de CHU aan de besprekingen deel. Mede door zijn optreden, gesteund door de kamerfractie, slaagde De Visser er niet in een oplossing voor de Vaticaan-crisis - die in de zogeheten 'Nacht van Kersten' tot de val van het eerste kabinet-Colijn had geleid - te vinden: de CHU wenste haar principiële afwijzing van een gezant bij de Heilige Stoel niet op te geven.

Onder druk van de rechtervleugel van de CHU moest Snoeck Henkemans het hoofdredacteurschap van De Nederlander op 1 januari 1932 opgeven. Directe aanleiding daarvoor was de publikatie van een beschouwing van G.E. van Walsum, waarin een rede van B.C. de Savornin Lohman over het functioneren van de democratie aan een uiterst kritisch oordeel werd onderworpen. In 1935 nam Snoeck Henkemans ontslag als lid van de Tweede Kamer, een jaar later gevolgd door zijn terugtreden als secretaris van de CHU.

Toch bleef Snoeck Henkemans, ondanks een slechter wordend gezichtsvermogen, op diverse terreinen actief. In Den Haag, waar hij van 1915 tot 1941 zitting had in de gemeenteraad, was hij bovendien van 1933 tot 1939 wethouder van Financiën. Pas in 1941 zou hij zich terugtrekken als hoofdredacteur van het christelijk-historische weekblad Koningin en Vaderland , na deze functie 25 jaar te hebben vervuld. Ook was hij lange tijd voorzitter van de Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding van Christelijke MULO-scholen te 's-Gravenhage geweest en meer dan veertig jaar voorzitter van de Haagse zangvereniging 'Excelsior'. Snoeck Henkemans overleed kort na de bevrijding, drie dagen na zijn 83e verjaardag.

Naast meer op de voorgrond tredende vooroorlogse partijgenoten als jhr. A.F. de Savornin Lohman, J. Schokking, jhr. D.J. de Geer, J.R. Slotemaker de Bruïne en J.Th. de Visser, heeft Snoeck Henkemans een bescheiden rol in de Nederlandse politiek vertolkt. Door zijn talloze spreekbeurten in het land wist hij wat er bij de 'gewone man' leefde, en zijn artikelen in De Nederlander waren in eerste aanleg ook voor die christelijk-historische kiezers geschreven. Hoewel hij niet gespeend was van een zekere ijdelheid en eigenzinnigheid waren de verdiensten bij zijn vele belangeloze werk voor de CHU boven iedere twijfel verheven.

A: Collectie-Snoeck Henkemans in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Naast brochures en tijdschriftartikelen in het bijzonder over de armenzorg: Christelijk-historische idealen. Een woord tot de jongeren ('s-Gravenhage, 1927); Geschiedenis en beginsel van de Christelijk-Historische Unie (Apeldoorn, 1929); De vaste pijlers van den Staat. Eene overdenking in Mei 1945 ['s-Gravenhage, 1946]; Parlementaire herinneringen ['s-Gravenhage, 1946].

L: G. Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven (Kampen, 1966) 77-79; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 I-V (2e dr.; Assen, 1968); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie (2 dln.; Kampen, 1969, 1980); J. van Bruggen, 'De Christelijk-Historische Unie voor de oorlog', in Christelijk-Historisch Tijdschrift 23 (1978) 31-46; Herinneringen aan de Unie waarin we ons thuis voelden. Christelijk-historische karakteristieken . Onder red. van A.J. van Dulst (['s-Gravenhage] 1980); Veertien brieven aan J.R. Snoeck Henkemans. Opvattingen binnen de CHU tijdens de Vlootwetcrisis... . Ingel. en van commentaar voorzien door H. van Spanning [Alblasserdam, 1982]; J. Wieten, Dagblad en doorbraak. De Nederlander en De Nieuwe Nederlander (Kampen, 1986); Hans van Spanning, De Christelijk-Historische Unie (1908-1980). Enige hoofdlijnen uit haar geschiedenis (2 dln.; [S.l.] 1988).

I: Website Parlementair Documentatie Centrum te Leiden: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [5-11-2008].

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013