Spronck, Charles Henri Hubert (1858-1932)

 
English | Nederlands

SPRONCK, Charles Henri Hubert (1858-1932)

Spronck, Charles Henri Hubert, seroloog (Beek (L.) 18-2-1858 - Zeist 3-12-1932). Zoon van Joannes Henricus Agidius Spronck, huisarts, en Maria Anna Hubertina Loduwina van Hees. Gehuwd op 7-4-1891 met Marie Rosalie Raphael Felicie Josephine Nève. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Spronck, Charles Henri Hubert

Spronck volgde het gymnasium te Maastricht, studeerde daarna, in navolging van zijn door hem vereerde vader, die bijna vijftig jaren huisarts te Beek was, vanaf 1876 medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam. Van december 1879 tot september 1880 onderbrak hij deze studie om in Parijs lessen te volgen, onder anderen bij Louis Pasteur. Na assistentschappen bij de patholoog-anatoom C.H. Kuhn en de internist P.K. Pel, die hem een blijvende zin voor het klinische bijbracht, promoveerde hij op 1 oktober 1886 cum laude bij Kuhn op een experimenteel onderzoek naar de invloed van arteriële anemie op het ruggemerg van het konijn, getiteld Over ischaemie van het ruggemerg . Reeds negen maanden voor zijn promotie was hij op voordracht van de faculteit der geneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht benoemd tot lector in de ontleedkunde naast de ziekelijke hoogleraar W. Koster; enige geschriften op histologisch-morfologisch terrein volgden. Zijn hart ging echter uit naar de klinische wetenschappen.

In 1888 kwam voor Spronck de beslissende wending, toen hij op dertigjarige leeftijd werd benoemd tot hoogleraar in de ziektekunde en de ziektekundige ontleedkunde, tevens directeur van het Pathologisch Instituut. Dit professoraat, dat hij op 24 september 1888 aanvaardde met de rede De onsterfelijkheid in de levende natuur , zou hij tot 28 augustus 1919 vervullen. De altijd goedgehumeurde en vriendelijke Spronck met zijn licht Limburgse accent gold onder de studenten als een zeer gewaardeerd docent, wiens klinische secties als zeer leerzaam werden beschouwd. Bekend was dat hij, door de gebrekkige beheersing van zijn gezichtsspieren, vol afgrijzen kon kijken wanneer hij over een ernstig ziektegeval sprak of bij een autopsie iets buitengewoons ontdekte.

Onder Sproncks leiding werden 28 dissertaties geschreven, waarvan er evenwel slechts zeer weinige een onderwerp uit de pathologische anatomie behandelden. In het onderzoek ging zijn belangstelling na enige jaren namelijk vooral uit naar de algemene ziektekunde, in het bijzonder naar de etiologie, die in die tijd - waarin de verwekkers van miltvuur, tyfus, tuberculose en cholera ontdekt werden - bijna gelijk stond met 'bacteriologie'. Zo deed hij bacteriologisch onderzoek naar cholera, lepra, bacillaire dysenterie, difterie, tetanus en vooral naar tuberculose. Hij wist bijvoorbeeld - als autodidact-bacterioloog - bij zijn onderzoek naar de Rotterdamse cholera-epidemie van 1892/1893 uit besmet drinkwater de kommabacil te isoleren. De klinicus Spronck voelde zich allengs steeds meer aangetrokken tot de bestrijding, respectievelijk genezing van bacteriële ziekteprocessen; de bacterioloog ontwikkelde zich tot seroloog en werd de initiator van de serotherapie in Nederland.

In zijn Pathologisch Instituut, een klein, uiterst bescheiden ingericht gebouw, vervaardigde hij vanaf 1895 het vijf jaar eerder door de Duitsers E.A. von Behring en P. Ehrlich ontwikkelde anti-difterieserum, dat kosteloos ter beschikking werd gesteld aan 'on- en minvermogenden en aan instellingen van weldadigheid'. Daarnaast werd te Utrecht in het Bacterio-Therapeutisch Instituut van W.C.M. van Eeten onder controle van Spronck serum voor 'vermogenden' gemaakt, dat in apotheken verkrijgbaar was. Toen Van Eeten in 1900 zijn activiteiten staakte, nam de 'toezichthouder' tot opluchting van de regering dit Instituut over en kreeg zo een eigen 'serum-fabriek'. Spronck verrichtte het wetenschappelijk serotherapeutisch onderzoek in zijn Pathologisch Instituut en produceerde in gebouwen en met behulp van proefdieren die hem privé toebehoorden, de sera en in 1914 het eerste vaccin (tegen rabies). Zijn aandringen ten spijt kwam het echter niet tot de oprichting van een afzonderlijk universitair instituut voor serologie. Wel bracht hij de bouw tot stand van het in 1908 voltooide, nieuwe, zeer ruim opgezette, Pathologisch Instituut aan de Pasteurstraat - een concessie hem gedaan toen hij in 1900 een hoogleraarsbenoeming te Leiden afsloeg -, maar zijn serologisch laboratorium bracht hij toen onder in zijn woonhuis aan de Utrechtse Maliebaan. Elders beschikte hij ook over eigen dierenstallen.

Spronck werd een erkend autoriteit op het gebied van de volksgezondheid en in 1903 volgde dan ook zijn benoeming tot lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Zijn geest had zich rond dat jaar naar het behandelen of voorkomen van tuberculose gewend, getuige zijn rectorale rede uit 1904 Enkele tuberculose-vraagpunten in het licht van de pathologische anatomie . Aan dit onderwerp zou Spronck zich tot aan zijn dood blijven wijden. Daarnaast trok onder andere de bestrijding van kanker zijn aandacht: hij werd de eerste voorzitter van het in mei 1909 opgerichte 'Nederlandsch Comité voor Kankeronderzoek'.

In de Eerste Wereldoorlog bleek het Bacterio-Therapeutisch Instituut van vitaal belang voor de volksgezondheid en de krijgsmacht. De in september 1918 voor het eerst aantredende minister van Arbeid, P.J.M. Aalberse, onder wie toen ook volksgezondheid kwam te ressorteren, achtte na de opgedane ervaringen daarom de tijd rijp voor de oprichting van een rijks-seruminrichting, zulks door overname van Sproncks bestaande instituut. Voor een aanzienlijk bedrag werden in 1919 diens dierenstallen, levende have, voorraden en inventaris eigendom van het rijk. Spronck zelf nam ontslag als hoogleraar in de pathologische anatomie en aanvaardde de benoemingen tot directeur van 's Rijks Serologisch Instituut en tot buitengewoon hoogleraar in de serologie aan de Utrechtse universiteit. Bij de aanvaarding van dit professoraat, op 15 oktober 1920, hield hij de rede De wetenschap der immuniteit en hare vruchten voor de prophylaxis en therapie der infectieziekten .

In afwachting van de bouw van het instituut zette Spronck zijn werk voort in zijn laboratorium aan de Maliebaan. Toen de nieuwbouw echter niet doorging, trad hij op 16 september 1923 - strijdens-, maar niet arbeidsmoe - af als hoogleraar en directeur en zegde hij het Instituut de huur op. Noodgedwongen werd dit toen bij het Centraal Laboratorium voor Volksgezondheid te Utrecht ondergebracht. Spronck bouwde op zijn buitenplaats 'Schaerweijde' te Zeist een eigen bacterio-therapeutisch laboratorium, waar hij samen met zijn medewerkster, de arts Wilhelmina Hamburger, experimenteel onderzoek verrichtte naar de immuniteit tegen tuberculose. Zonder succes ontwikkelde hij daar zijn 'tuberculan' als specifiek antigeen, doch vooral zijn 'transmutan' als vaccin tegen tuberculose. Tot het einde van zijn leven bleef hij onderzoek doen. Hij overleed aan de gevolgen van een beroerte die hem trof toen hij aan het werk was in zijn laboratorium.

Spronck, rond de eeuwwisseling zo goed als de enige katholieke hoogleraar in Nederland, was een gelovig man, die in het Utrechtse kerkelijke leven verschillende functies bekleedde. Landelijk kwam hij op de voorgrond door zijn optreden als eerste voorzitter, van 1904 tot 1913, van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland, het latere Thijmgenootschap.

A: Stukken betreffende C.H.H. Spronck in het Archief van het College van Curatoren van de Rijksuniversiteit te Utrecht in het Rijksarchief te Utrecht.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: samen met E. Wintgens en J.A. van den Brink, 'De diphtherie-bacil (Klebs-Loeffler) en zijn pathogene beteekenis', in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 25 (1889) II, 685-690, 717-729; 'Iets over het onderzoek naar cholera-bacteriën in dejecties en de resultaten daarvan in 18 verdachte gevallen', ibidem 28 (1892) II, 605-617; 'Over cholera-bacillen, onlangs in Nederland uit rivier-, vaart-, gracht- en slootwater gekweekt', ibidem 29 (1893) II, 653-668; samen met K. Hoefnagel, 'Accidenteele infectie van den mensch met runder-tuberculose en reïnoculatie van het virus op het rund', ibidem 38 (1902) II, 1117-1125; 'Over adenoma destruens bij cavia cobaya; een bijdrage tot de erfelijkheid van kanker', ibidem 51 (1907) IB, 1033-1040; samen met W. Hamburger, 'Over de getransmuteerde tuberkelbacillen type BTTx en hun beteekenis voor de diagnose en de therapie der tuberculose', in Verslag van de gewone vergadering der afdeeling natuurkunde [van de] Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 36 (1927) 942-959.

L: S., in De Katholieke Illustratie 48 (1913) 1, 4-5; K., 'Professor Spronck zeventig jaar', in Het Vaderland , 17-2-1928; R. de Josselin de Jong, in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 76 (1932) 5726-5729; W. Hamburger, in Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad , 5-12-1932 (ocht.); L.J. Rogier, 'Een halve eeuw levens van het Thijmgenootschap, 1904-1954', in De ontwikkeling der wetenschappen in de laatste halve eeuw. Gedenkboek van het Thijmgenootschap bij het vijftigjarig bestaan (Amsterdam, 1954) xix-xlvi; G. ten Doesschate, De Utrechtse universiteit en de geneeskunde 1636-1900 (Nieuwkoop, 1963) 122; Hans Bornewasser, In de geest van Thijm: 1904-1984. Ontwikkelingen in de verhouding tussen wetenschap en geloof (Baarn, 1985); G.T. Haneveld, Adieu Pasteur. De geschiedenis van het Utrechts Pathologisch Instituut (Utrecht, 1990); H. van Zon, Tachtig jaar RIVM (Assen [etc.], 1990) hfst. 2 en 3.

I: G.T. Haneveld, Adieu Pasteur. De geschiedenis van het Utrechts Pathologisch Instituut (Utrecht, 1990) 19.

P.L. Nève


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013