Stuiveling, Garmt (1907-1985)

 
English | Nederlands

STUIVELING, Garmt (1907-1985)

Stuiveling, Garmt, literatuurhistoricus en criticus (Stroobos (F.) 21-12-1907 - Hilversum 11-5-1985). Zoon van Pieter Stuiveling, onderwijzer, en Johanna Rebekka Tiel. Gehuwd op 29-8-1935 met jkvr. Mathilde van Vierssen Trip (pseudoniem Merijn Trip), schrijfster (1907-2010). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. afbeelding van Stuiveling, Garmt

Vanuit het Friese Buitenpost, waar zijn vader onderwijzer was, bezocht Garmt Stuiveling van 1920 tot 1925 de HBS in Groningen. Hij werd er lid van de socialistische jeugdbeweging. Na het staatsexamen gymnasium-A studeerde hij sinds 1927 Nederlands aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Zijn leermeesters waren de taal- en letterkundigen A. Kluyver en G.S. Overdiep, de historicus I.H. Gosses, en de wijsgeren G. Heymans en L. Polak. Laatstgenoemden versterkten bij Stuiveling, die zonder godsdienstige overtuiging was opgegroeid, de theoretische grondslag van zijn humanistische levensovertuiging. Van 1928 tot 1932 was hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Hij werd lid en voorzitter van de Sociaal-Democratische Studentenclub, en hij toonde zich een actief drankbestrijder en pacifist: in 1929 verscheen van zijn hand Het vraagstuk van de vrede , een brochure van de Jeugdbond voor Onthouding. Als lid van de Socialistische Kunstenaarskring in Groningen leerde Stuiveling Henriëtte Roland Holst kennen, die een inleiding schreef op de bundel socialistische gedichten Tijdsignalen , waarmee hij in 1929 als dichter zijn debuut in boekvorm maakte.

Na op 29 april 1932 met lof het doctoraal examen te hebben behaald, werkte Stuiveling als gewetensbezwaard dienstplichtige op het Centraal Bureau voor de Statistiek in Den Haag. Op 18 mei 1934 promoveerde hij cum laude bij prof. G.S. Overdiep op Versbouw en rhythme in den tijd van '80 , grotendeels gebaseerd op statistisch onderzoek. Het jaar daarop werd hij leraar - tot 1958 - aan 'Het Nieuwe Lyceum' te Hilversum, de stad waar hij zich toen voorgoed vestigde. In 1939 werd Stuiveling tevens privaatdocent Nederlandse letteren sedert 1880 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, op voordracht van C.G.N. de Vooys, hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aldaar. Hieraan kwam een einde in 1946, toen Stuiveling gepasseerd werd als diens opvolger. Vanaf 1950 doceerde hij aan de Universiteit van Amsterdam het vak taalbeheersing. In 1956 kreeg hij het ordinariaat Nederlandse letterkunde erbij. In 1972 ging hij met emeritaat, maar hij bleef publiceren, vooral tekstuitgaven.

Stuivelings werk kenmerkte zich intussen door produktiviteit en veelzijdigheid. Van zijn hand verschenen enkele dichtbundels, waarin vooral taalvirtuositeit en beheersing van de verstechniek opvallen. Als literatuurcriticus publiceerde hij in Tijd en Taak , waarvoor hij van 1932 tot 1940 de literaire rubriek verzorgde, in Het boek van Nu en het Nieuw Vlaams Tijdschrift , waarvan hij respectievelijk van 1947 tot 1962 en van 1952 tot 1983 redacteur was, alsmede in vele andere bladen. In de periode 1945-1950 had Stuiveling bij de VARA-radio de leiding van de gesproken-woorduitzendingen. Hij was een veelgevraagd spreker, ook in Vlaanderen. In 1963 werd hij buitenlands lid van de Koninklijke Vlaamse Academie en in 1965 eredoctor van de universiteit van Gent.

Al vóór de Tweede Wereldoorlog ontpopte Stuiveling zich als een exponent van het humanisme als wereldbeschouwing. Zijn Erasmus. Spel van het humanisme in zes taferelen uit 1936, dat in Rotterdam werd opgevoerd, is niet los te denken van de bedreiging van humanistische en culturele waarden in de jaren dertig. In een twee jaar eerder gepubliceerde brochure, Kultuur of barbarisme? , noemde hij fascisme en nationaal-socialisme cultuurverwoestend. In 1946 zou hij betrokken zijn bij de oprichting van het Humanistisch Verbond, waarvan hij jarenlang bestuurslid en spreekbuis was, onder andere via de radio.

Stuivelings maatschappelijke betrokkenheid bleek ook uit talrijke andere activiteiten. Met John Pront richtte hij in 1936 het Kunstenaars-Centrum voor Geestelijke Weerbaarheid op, dat kunstenaars opriep en hielp in actie te komen 'tegen het geweldsgeloof van deze tijd', en dat vele demonstratieve congressen organiseerde en contacten legde met buitenlandse kunstenaars. Het Centrum ging met de Duitse inval in mei 1940 ten onder. Na de bevrijding was Stuiveling lid van de Raad van Beroep voor de zuivering bij de radio. Sinds 1945 had hij zitting in de Hilversumse gemeenteraad, van 1946 tot 1962 voor de Partij van de Arbeid.

Tussen 1957 en 1972 was Stuiveling voorzitter van de Vereniging van Letterkundigen (VVL), waarvan hij meer een vakbond maakte. Mede door de inspanningen van de VVL werd in 1965 het Fonds der Letteren opgericht en in 1970 het leenrecht erkend. Hij droeg zeer bij tot de totstandkoming van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag, de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap en - als voorzitter van het Multatuli Genootschap van 1945 tot 1983 - het Multatuli Museum in Amsterdam. Zijn alomtegenwoordigheid wekte veler respect, maar ook irritatie. Zo schreef Cees Buddingh' in 1954 als pseudo-grafdichter: 'Het leven is blijvend verarmd, / Want hier ligt Stuiveling, Garmt'.

Stuiveling was als hoogleraar in de taalbeheersing pionier, maar sterk op de praktijk gericht, geen theoreticus. Als literair-historicus publiceerde hij talrijke studies en essays. Hij toonde zich hierin een scherp opmerker en sterk in het bondig formuleren van een kwestie of van een schrijversprofiel, in een zakelijke, levendige en spitse taal, vrij van vakjargon. Hij was een geboren docent. Een wijdere greep deed hij in Een eeuw Nederlandse letteren uit 1943 (geantedateerd 1941), waarin hij de literatuur van Nederland en Vlaanderen als één geheel behandelt, niet naar personen, maar naar tijdperken ingedeeld.

Intussen was Stuiveling, van de zestiende druk in 1939 af, medeauteur geworden van de Historische schets van de Nederlandse letterkunde voor schoolgebruik en hoofdacte-studie , door De Vooys geschreven en voor iedere herdruk bijgehouden. De zeventiende druk van 1942 zou Stuiveling na de bevrijding veel last bezorgen. Deze oorlogseditie mocht pas verschijnen nadat aanpassingen in de tekst waren aangebracht. Beide auteurs weerstonden weliswaar de aandrang van de censuur het aantal te behandelen joodse auteurs terug te brengen, maar hiertegenover staat dat van die schrijvers bij wie dit niet al in de zestiende druk gebeurd was, hun joodse afkomst alsnog moest worden vermeld. In de hoofdstukken van de hand van Stuiveling betrof dit zes nog levende schrijvers. Eén van hen maakte hier in 1948 een kwestie van en verweet hem de betrokken auteurs in gevaar te hebben gebracht. Een op Stuivelings verzoek optredende Ereraad deed in 1955 een enigszins tweeslachtige uitspraak: deze veroordeelde zijn handelwijze als mogelijkerwijs gevaarlijk voor de betrokkenen, maar achtte zijn goede trouw boven elke twijfel verheven. De Ereraad, die in beslotenheid zijn werk deed, vermocht geen einde aan de zaak te maken. Vanaf 1957 was de kwestie bij tijd en wijle in de publiciteit en voelde Stuiveling zich herhaaldelijk gedwongen zich te verweren.

Voor Stuiveling was de literatuurgeschiedenis een wetenschap die zich richt op geschriften met een esthetische component, nu of in de ogen van onze voorouders. Een zo objectief mogelijke ontleding van het samenstel van oorzaken en gevolgen moest het inzicht vergroten. Feiten - stilistische, taalkundige, maatschappelijke, persoonlijke et cetera - waren van beslissende betekenis. Vooroordelen en legendes moesten worden ontmaskerd. Oorspronkelijke documenten en de juiste chronologie waren voor een goed begrip van historische processen van groot belang.

Ook in het uitgeven van oudere teksten was Stuiveling produktief. Met terzijdelating van veel ander werk zijn hierin drie brandpunten te onderscheiden. Het belangrijkste is gelegen in en rond het tijdperk der vernieuwing van 1880. In 1935, één jaar na zijn proefschrift, verscheen De Nieuwe Gids als geestelijk brandpunt . Tekstuitgaven, documentenuitgaven, studies en bloemlezingen volgden betreffende Jacques Perk, Carel Vosmaer, Louis Couperus, Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Willem Kloos en anderen. Ten tweede hield Stuiveling zich zijn leven lang bezig met Multatuli. Behalve de eerste uitgave in 1949 van de Max Havelaar naar het oorspronkelijke handschrift, de zogeheten nulde druk, ondernam hij de uitgave van de Volledige Werken , waarvan de eerste zeven delen, verschenen in de jaren 1950-1953, het volledige literaire werk bevatten, terwijl in de daaropvolgende delen brieven en documenten betreffende de schrijver zijn opgenomen; de reeks was bij zijn dood in 1985 nog niet voltooid. Ook talloze studies wijdde hij aan persoon en werk van Douwes Dekker. Ten slotte is er Stuivelings werk voor de heruitgave van Bredero. Hij leidde de redactie, verzorgde zelf de uitgave van G.A. Bredero's boertigh, amoreus en aendachtigh groot lied-boeck (3 dln.; 1975-1983), bereidde de uitgave in 1986 van Bredero's Verspreid werk voor en leverde bijdragen aan andere onderdelen. Bij gebrek aan voldoende documentatie voor een biografie publiceerde hij in 1970 een Memoriaal van Bredero. Documentaire van een dichterleven .

Het meest blijvend van waarde zal waarschijnlijk Stuivelings literair-historisch werk zijn, en dan vooral de tekstedities. Zijn zozeer gespreide aandacht kan men bewonderen als veelzijdigheid of betreuren als versnippering.

A: Archief-G. Stuiveling in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Een bibliografie van afzonderlijk verschenen werken in de periode 1928-1958 is te vinden in het kaartsysteem Mededelingen van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven . Een bibliografie van afzonderlijk verschenen werken in de periode 1958-1971 is te vinden in het onder L genoemde Weerwerk , 230-237. In deze laatste publikatie is tevens een systematische bibliografie over de periode 1928-1971 opgenomen (237-245). In het Stuiveling-nummer van Over Multatuli (1982) nr. 10 werden negen artikelen over Multatuli herdrukt. Het bevat tevens een overzicht van andere publikaties betreffende Multatuli (116-117).

L: G.H. 's-Gravesande, 'Een onderhoud met Garmt Stuiveling', in Den gulden winckel (1933) 142-146; E. du Perron, 'Garmt Stuiveling. Tegen de stroom', in idem Verzameld werk VI (Amsterdam, 1958) 519-526; M. Janssens, 'Garmt Stuiveling 60', in Ons erfdeel 11 (1967/1968) 141-143; J.J. Oversteegen, 'De socialisten: Garmt Stuiveling (geb. 1907)', in Vorm of vent. Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen (Amsterdam, 1969) 361-368; J. Florquin, 'Prof. dr. Garmt Stuiveling', in Ten huize van... (Leuven, 1972) 99-147; A.J. Govers, 'De kwestie Marja - Stuiveling', in Maatstaf 20 (1972/1973) 532-542; verschillende artikelen over Stuiveling, in Weerwerk. Opstellen aangeboden aan professor dr. Garmt Stuiveling... [Onder red. van A.M. Cram-Magré e.a.] (Assen, 1973); interview door E. Francken en E. Kummer, in Over Multatuli (1979) 25-33; A. Braet, 'Renaissance van de retorica', in Ons erfdeel 25 (1982) 162-170; interview door Fr. Vermeulen, in Literatuur 2 (1985) 43-47; K. Middelhoff, in Dietsche Warande en Belfort 130 (1985) 451-452; G.W. Huygens, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1985-1986 (Leiden, 1987) 131-154; Martien J.G. de Jong, Liever waarheid dan sensatie. Met een eerherstel voor Ed. Hoornik en andere slachtoffers van valse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog (Baarn, 1990) 61-79.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: H. van Dijk; Collectie ANEFO; Stuiveling in juni 1980].

M.C.A. van der Heijden


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013