Tadema, Lourens Alma (1836-1912)

 
English | Nederlands

TADEMA, Lourens Alma (1836-1912)

Tadema, Lourens Alma, (ook bekend onder de namen Laurens Alma Tadema en Lawrence Alma-Tadema, sinds 24-5-1899 sir Lawrence Alma-Tadema), schilder (Dronrijp (F.) 8-1-1836 - Wiesbaden (Duitsland) 25-6-1912). Zoon van Pieter Tadema, notaris, en Hinke Brouwer. Gehuwd op 24-9-1863 met Marie Pauline Gressin Dumoulin. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 2 dochters geboren. Na haar overlijden (28-5-1869) gehuwd op 29-7-1871 met Laura Theresa Epps. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Hij kreeg in januari 1873 de Britse nationaliteit. afbeelding van Tadema, Lourens Alma

Op vierjarige leeftijd verloor Lourens Tadema zijn vader, notaris te Leeuwarden. Evenals twee van zijn drie stiefbroers was hij voorbestemd voor de rechtenstudie, en als voorbereiding daarop bezocht hij het gymnasium in de Friese hoofdstad. Lourens ambieerde echter een artistieke carrière: als kind had hij al blijk gegeven van grote vaardigheid in het tekenen, en omstreeks zijn veertiende vervaardigde hij zijn eerste schilderijen. Toen na een zware ziekte, die het ergste deed vrezen, de familie hem de vrije keus liet, ging hij zich volledig aan de kunst wijden.

Na tevergeefs om toelating te hebben gevraagd bij verschillende Nederlandse academies, werd Tadema in 1852 aangenomen bij de Koninklijke Akademie van Schoone Kunsten te Antwerpen, waar hij tot 1857 zou studeren. Zijn vroege werk verraadt de invloed van de docenten Gustaaf Wappers en Joseph Dijckmans. Eerstgenoemde verzette zich tegen de toen nog steeds heersende stijl van de Franse classicistische schilder Jacques Louis David en stelde daartegenover een romantisch koloriet en de kwaliteiten van de Vlaamse en Hollandse meesters. Dijckmans had grote belangstelling voor historische genrestukken en propageerde een zeer gedetailleerde schilderkunst met fijn penseel.

Van belang voor Tadema's vorming was ook het contact met Louis de Taeye, leraar geschiedenis en kostuum aan de Akademie. Deze nam hem in 1855 aan als leerling-assistent en gaf hem inwoning. Hij bracht de vroege geschiedenis van Frankrijk en België, de wereld der Merovingen en Franken, onder zijn aandacht. Bovendien werd Tadema door toedoen van De Taeye in 1857 lid van de Cercle artistique, littéraire et scientifique d'Anvers, waar zijn belangstelling voor Duitse literatuur en geschiedenis werd gewekt. Dit alles is terug te vinden in zijn onderwerpkeuze uit deze jaren. In de herfst van 1858 werd Tadema door De Taeye voorgesteld aan de gerenommeerde schilder Hendrik Leys, wiens assistent hij werd. Onder zijn leiding werkte hij onder meer aan de fresco's in de grote zaal van het Antwerpse stadhuis. Wegens Tadema's vooruitzichten op een succesrijke artistieke loopbaan besloten zijn moeder en enige zuster in 1859 Friesland te verlaten en in Antwerpen bij hem in te trekken.

In de jaren zestig ging Tadema zich als zelfstandig beroepsschilder presenteren. Hij ondernam zijn eerste reizen: naar Keulen in 1861 en naar Londen in 1862. In het laatstgenoemde jaar behoorde hij tot de deelnemers aan de Tentoonstelling van Werken van Levende Meesters te Amsterdam, waar hij een gouden medaille won met het schilderij Venantius Fortunatus ; ook werd hij hier tot lid gekozen van de kunstenaarssociëteit 'Arti et Amicitiae'. In september 1863, acht maanden na het overlijden van zijn moeder, huwde Tadema de dochter van een Franse adellijke journalist en met haar bezocht hij op huwelijksreis Florence, Rome, Napels en Pompeji. Hij raakte er gefascineerd door de klassieke cultuur, vooral door het dagelijks leven in de oudheid. Na terugkeer uit Italië, een jaar later, verdwenen allengs de middeleeuwse thema's uit zijn schilderijen en gingen onderwerpen uit het Grieks-Romeinse verleden zijn oeuvre domineren, slechts nu en dan afgewisseld met onderwerpen ontleend aan de Egyptische geschiedenis, die overigens al eerder zijn belangstelling had gehad.

In 1864 kwam Tadema in contact met Ernest Gambart, een toonaangevende Belgische kunsthandelaar met vestigingen in verschillende Europese steden. Deze ontmoeting zou van grote betekenis zijn. Gambart nam hem onder contract en introduceerde zijn werk in Groot-Brittannië, waar het onmiddellijk erg in de smaak viel. In 1865 vestigde Tadema zich in Brussel, niet alleen omdat de familie van zijn echtgenote er woonde, maar ook omdat hij er dat jaar met zijn schilderij Fredegonda en Praetextatus op de Salon een groot succes had behaald èn omdat zich hier een van de vestigingen van Gambart bevond.

In 1870 - zijn vrouw was het jaar daarvoor overleden - besloot Tadema zich in Londen te vestigen. Na het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog trokken daar vanuit Parijs vele kunstenaars heen, en bovendien had hij er inmiddels verschillende vrienden. In de Britse hoofdstad werd hij goed ontvangen in de kring van schilders van de klassieke oudheid: Edward Armitage, Frederick Leighton, Edward Poynter en Albert Moore. Door zijn specialiteit, het dagelijkse leven in de Oudheid - schertsend werd wel gesproken van 'five-o'clock-tea antiquity' -, vormde hij voor hen geen directe bedreiging. Integendeel, hun gezamenlijke positie werd door zijn komst alleen maar versterkt. Na enkele maanden in Londen te hebben gewoond, kocht Tadema Townshend House in Regents Park, dat door hem werd verbouwd en verfraaid met marmer, kunstvoorwerpen, exotische objecten en snuisterijen. Hij begon zich steeds meer allure aan te meten. Zo liet hij zich Alma-Tadema noemen, wat hem niet alleen meer aanzien verschafte, maar tevens zijn naam vooraan in de alfabetische tentoonstellingscatalogi bracht. In 1871 hertrouwde hij met een van zijn leerlingen, de negentienjarige dochter van een Londense arts, en twee jaar later werd hij Brits staatsburger.

Tadema nam van 1869 tot 1904 deel aan de Royal Academy of Arts Exhibitions en oogstte er weldra grote roem. Het tentoonstellen, in 1873, van De dood van de eerstgeborene was een gebeurtenis in artistiek Londen. Hetzelfde was het geval in 1875 met Een beeldengalerij en een jaar later met Een audiëntie ten huize van Agrippa . Weliswaar laakte de criticus John Ruskin, met zijn opvatting dat kunst moet verheffen, Tadema's heidense onderwerpen en had ook de historicus Thomas Carlyle zijn reserves tegen diens 'Greek prejudice', maar zij werden overstemd door de bewonderaars, en zowel kunsthandelaren als verzamelaars betaalden steeds hogere prijzen voor zijn werk.

Op zijn vele reizen en dank zij een in de loop der jaren bijeengebrachte verzameling boeken, gravures en foto's had Tadema een grote archeologische kennis opgedaan. Met behulp van dit documentatiemateriaal schilderde hij zijn complexe en gedetailleerde, antiquiserende decors met balkons, colonnades, exedra's, rijk gemeubileerde villa's, badhuizen en theaters. Hierin beeldde hij zijn jongeren af die praten, flirten, uitgaan of baden, sensueel naakt of in keurige toga's en tunica`s, met gespen en knopen, het hoofd getooid met bloemenkransen en sluiers, met sieraden om de hals, polsen en enkels. Zijn kleurgebruik onderging intussen een wijziging. Terwijl hij in België aanvankelijk werkte in een warm koloriet, werd zijn werk nu lichter van toon en deed het als geheel mondainer aan.

Aangezien met de opkomst van de romantiek, het realisme, de school van Barbizon en het landschapschilderen in het algemeen het prestige van de klassieke oudheid en de doelstellingen van de kunstacademies alom onder druk waren komen te staan, bestond er in behoudende artistieke kringen grote waardering voor iemand als Tadema, die de aan de Grieks-Romeinse oudheid ontleende onderwerpen nieuwe glans wist te geven. Zo ontving hij in vele Europese landen een indrukwekkend aantal onderscheidingen van nationale kunstacademies en andere, de tradities respecterende instellingen. De bekroning van dit internationale eerbetoon vond plaats in Groot-Brittannië, waar hem in juni 1879 het lidmaatschap van de Royal Academy of Arts te beurt viel en ruim drie jaar later een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk plaatsvond. Op 24 mei 1899, ten slotte, werd hij 'knight'.

In 1884 kocht Tadema de monumentale villa 34 Grove End Road in het noordwesten van Londen, die eveneens door hem op kostbare wijze werd verfraaid: de interieurs hadden decoraties van zeegroen marmer en waren voorzien van parket, dat men slechts met sloffen aan mocht betreden; er was een atrium met mozaïekvloer, een atelier met een grote absisvormige afsluiting, een hal met 45, door vrienden geschilderde panelen en een tuin met colonnade. Het was er alsof men een schilderij van de meester zelf binnenstapte.

Tadema verenigde in zich een succesvol zakenman en een practical joker, een liefhebber van muziek, theater en van mechanisch kinderspeelgoed, een kunstenaar en een erudiet die een grote kennis van de Grieks-Romeinse oudheid bezat en Nederlands, Engels, Frans, Duits en Italiaans sprak, zij het met een zwaar Fries accent. Hij was niet een echt spiritueel causeur, maar wel charmant in de omgang en onderhield een druk sociaal leven. Boven een deur van zijn villa las men de inscriptie: 'When friends meet hearts warm'. Onder die vele vrienden van 'Tad' bevonden zich prominenten zoals de schilders John Millais, John Sargent en James Whistler, de acteur Henry Irving, de schrijver Oscar Wilde, de operazanger Enrico Caruso en de componist Tsjaikovski. Zij waren te gast bij zijn ontvangsten, diners en concerten of zaten model voor hun portret, zoals de Poolse pianist I.J. Paderewski en de Britse politicus A.J. Balfour. Hoewel zijn klassieke oeuvre in Nederland niet zo aansloeg als in Groot-Brittannië, had hij toch ook hier vrienden: de schilders Hendrik Mesdag, een ver familielid, de gebroeders Maris, die hij nog uit zijn Antwerpse academietijd kende, en vooral ook de literator Carel Vosmaer, die verschillende artikelen aan zijn werk wijdde. De schrijver Louis Couperus zocht hem in 1898 op in Londen, maar was meer onder de indruk van zijn huis dan van zijn persoonlijkheid.

In 1905 stierf Tadema's tweede echtgenote, wat een zware slag voor hem betekende. In de daaropvolgende jaren ging zijn gezondheid achteruit, en in 1912 overleed hij, terwijl hij genezing zocht in het Kurort Wiesbaden. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in Saint Paul's Cathedral te Londen.

Tadema heeft een rijk oeuvre nagelaten. Zelf gaf hij aan 408 werken - merendeels in olieverf - een opusnummer. Hij vervaardigde aquarellen en tekeningen, en ontwierp meubilair, kostuums en toneeldecors. Geheel overeenkomstig Tadema's eigen persoonlijkheid en leefmilieu tonen de door hem afgebeelde personages weinig betrokkenheid bij de sociale, politieke of religieuze problemen van hun tijd; zij leven het onbekommerde bestaan van de in rijkdom en weelde badende aristocratie. Tegen een prachtige, authentiek-klassiek ogende achtergrond schilderde hij een probleemloze wereld van schoonheid en jeugd en wist hij daarmee velen te boeien.

Na Tadema's dood is er decennialang nauwelijk waardering geweest voor zijn werk. Weliswaar oefenden zijn schilderijen - volgens sommigen - invloed uit op grote 20e-eeuwse filmprodukties als van Cecil B. de Mille en D.W. Griffith, die de klassieke wereld in beeld trachtten te brengen, maar bij het grote publiek waren zij nagenoeg onbekend. In de vooruitstrevende milieus telden alleen expressionisten, abstracten en surrealisten, kunstenaars die naar nieuwe vormen zochten of het diepere wezen van de mens probeerden bloot te leggen. Van de meesters van de voorbije eeuw werden vooral zij bewonderd die met hun koloriet of tekening vernieuwing hadden gebracht, zoals de romantici en de impressionisten, maar niet degenen die in essentie de traditie waren trouw gebleven. Pas in de jaren zestig en zeventig van deze eeuw ontstond een herwaardering voor 19e-eeuwse kunstenaars als Tadema, voor wie kunst niet alleen creativiteit en vernieuwing, maar ook kennis, vakmanschap en traditie was.

A: Persoonlijke bescheiden betreffende Alma Tadema berusten in Birmingham University Library.

P: Beredeneerde oeuvrecatalogus in de onder L genoemde publikatie van Swanson, The biography and catalogue raisonné ... , 113-279. In dit werk zijn ook, voor zover beschikbaar, illustraties opgenomen van al Tadema's werken (281-492), alsmede een overzicht van zijn publikaties (498).

L: Vern G. Swanson, Sir Lawrence Alma-Tadema. The painter of the Victorian vision of the ancient world (Londen, 1977); F.L. Bastet, 'Een five o'clock tea in de Griekse thermen. De volmaakte oudheid van Alma Tadema', in Museumjournaal 29 (1984) 96-105; Russell Ash, Sir Lawrence Alma-Tadema (Londen, 1989); Vern G. Swanson, The biography and catalogue raisonné of the paintings of sir Lawrence Alma-Tadema, OM, RA (Londen, 1990); Constant Cuypers, 'De droom van Alma Tadema', in Kunstschrift 35 (1991) 4 (juli/aug.) 38-47; Lawrence Alma-Tadema [Tentoonstellingscatalogus Paul Getty Museum] (Malibu, 1991); Hanna Pennock, 'De levens van twee neven: Hendrik Willem Mesdag en Lourens Alma Tadema', in Jong Holland 9 (1993) 8-19; Teio Meedendorp, '''Ik ben eigenlijk een lompert...''. Zeven brieven van Lourens Alma Tadema aan Christoffel Bisschop', ibidem 9 (1993) 20-26.

I: Edmund Swinglehurst, Lawrence Alma-Tadema (San Diego 2001) 11 [Zelfportret uit 1896; Galleria degli Uffizi, Florence].

L.J.I. Ewals


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013