Teulings, Franciscus Gerardus Cornelis Josephus Maria (1891-1966)

 
English | Nederlands

TEULINGS, Franciscus Gerardus Cornelis Josephus Maria (1891-1966)

Teulings, Franciscus Gerardus Cornelis Josephus Maria, politicus ('s-Hertogenbosch 15-11-1891 - Vught 23-6-1966). Zoon van Christianus Theodorus Maria Teulings, boekdrukker, en Anna Petronella Maria Meuwese. Gehuwd op 17-7-1923 met Theresia Maria Cornelia Josepha van Son. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (24-2-1932) gehuwd op 30-6-1933 met Catharina Godefrida Martina Maria van Son. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Frans Teulings bezocht het katholieke Pensionaat 'Ruwenberg' in Sint-Michielsgestel, vervolgens het Stedelijk Gymnasium te 's-Hertogenbosch, en studeerde vanaf 1911 rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was van 1914 tot 1916 praeses van de studentenvereniging 'Sanctus Thomas Aquinas' en van 1915 tot 1916 praeses van de Unie van Katholieke Studentenvereenigingen. In 1918 werd hij verbonden aan de familiefirma de NV C.N. Teulings' Drukkerijen te 's-Hertogenbosch, sedert 1920 als directeur van de dag- en weekbladuitgaven.

Door de sociale priester C.G. Prinsen werd Teulings geïntroduceerd in de kring van leidinggevende katholieke politici. Hij wilde zich inspannen voor de emancipatie van zijn geloofsgenoten, vooral van die uit Noord-Brabant. In 1921 werd Teulings secretaris van de Bond van R.K.- Rijkskieskringen-organisatie, waaruit de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) zou voortkomen. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck beschouwde hij als zijn politieke peetvader en C.M.J.F. Goseling als zijn beste politieke vriend. Samen met H.A.M.T. Kolfschoten organiseerde hij het partijbureau. Op 17 september 1929 werd hij lid van de Tweede Kamer. In 1933 keerde hij zich tegen allerlei fascistische groeperingen die toen de aandacht trokken. Teulings voelde zich aangetrokken tot de denkbeelden van Goseling, die van de RKSP een beginselpartij wilde maken. Sinds 1935 trad hij in de Tweede Kamer op als financieel deskundige: hij analyseerde jaarlijks de miljoenennota's, steunde het beleid van minister van Economische Zaken M.P.L. Steenberghe, toonde zich tevreden met de devaluatie en sprak zich uit tegen belastingverhoging als middel om begrotingstekorten te dekken.

Eind 1937 was Teulings kandidaat voor het voorzitterschap van de RKSP. Door onhandig optreden van het dagelijks bestuur van de partij en wegens interne tegenstellingen - veroorzaakt door de financiële politiek van het vierde ministerie-Colijn -, maar ook door een tekort aan persoonlijk prestige ging het voorzitterschap aan zijn neus voorbij. In 1938 maakte Teulings samen met een ander katholiek Tweede-Kamerlid, M.J.M. van Poll, een studiereis naar Nederlands-Indië om zich daar te laten informeren over de activiteiten van de Indische Katholieke Partij, de Perkoempoelan Politiek Katholiek Indonesia en de katholieke missie.

Inmiddels bekleedde Teulings belangrijke bestuurlijke functies in organisaties voor de katholieke Nederlandse dagbladpers en voor het onderwijs. Als bestuurslid van de Katholieke Radio-Omroep (KRO) trad hij vóór en na de Duitse bezetting op als trait d'union tussen de KRO en politiek Den Haag. Binnen de RKSP leek zijn carrière echter in 1937 te zijn gestuit: hij was een effectief partijsecretaris en een zorgvuldig en deskundig fractielid, maar hij was afgewezen als fractie- en partijvoorzitter. Teulings behoorde tot de 'jongere' richting binnen de partij, maar miste het vermogen aan deze richting leiding te geven. Hij was eerder de man om te assisteren en om - als financieel specialist - degelijk na te rekenen wat in de rijksbegrotingen was verborgen. Zijn invloed bleef, maar nam niet toe: hij heeft een stabiliserende functie vervuld.

Na de Duitse inval in mei 1940 waarschuwde Teulings de kringbesturen niet zonder meer toe te geven aan de 'eenheidsideologie', daarmee doelend op de Nederlandsche Unie. Zijn belangrijkste werk werd nu het voorzitterschap van Ons Middelbaar Onderwijs, de organisatie van katholieke middelbare scholen in Noord-Brabant. Hij vervulde die functie van 1941 tot 1949.

Na de bevrijding van het zuiden van Nederland, in de herfst van 1944, probeerde Teulings de RKSP nieuw leven in te blazen. Dit was niet eenvoudig, omdat veel Brabantse katholieken voorstanders waren van de zogeheten Doorbraak. Teulings achtte zich door de 'vernieuwers' en door het Militair Gezag tegengewerkt. Tevergeefs probeerde hij van minister-president P.S. Gerbrandy een uitnodiging te krijgen om in Londen tegenspel te bieden. Teulings was beducht voor de 'algemene anti-democratische tendens' bij vernieuwers als L.J.M. Beel en J.E. de Quay, die versterking van het uitvoerend gezag nastreefden. Hij, de gekozen volksvertegenwoordiger, voelde zich gepasseerd.

Teulings' vasthoudend ijveren voor herstel van de RKSP boekte succes. Vanaf de eerste vergadering van het dagelijks bestuur, op 21 juni 1945, werd hij opnieuw een centrale figuur in de partij. Hij ontwierp een circulaire waarin de nieuwe geest van de partij werd aangeduid, bewoog waarnemend voorzitter P.J. Witteman tot groter activiteit, schreef in augustus 1945 een nieuw concept-programma en werd december 1945 lid van het dagelijks bestuur en penningmeester van de nieuwe Katholieke Volkspartij. Hij behoorde nu tot de rechtervleugel van de partij, werd vice-voorzitter van de fractie en gaf als financieel-economisch specialist tegenspel aan de minister van Financiën. Op 27 juli 1948 stapte hij - mede wegens persoonlijke omstandigheden en gezondheidsredenen - over van de Tweede naar de Eerste Kamer.

Van 20 september 1949 tot 15 maart 1951 was Teulings minister van Binnenlandse Zaken in het eerste kabinet-Drees. Daarna trad hij tot 2 september 1952, als minister zonder portefeuille, op als vice-premier in het tweede kabinet-Drees. Op het departement van Binnenlandse Zaken zorgde hij voor verbetering van het imago van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Teulings was geen spectaculair bewindsman, wel uitermate constructief en degelijk. Zijn wetgeving werd geprezen, evenals zijn omgang met het parlement. Na zijn ministerschap nam hij opnieuw - van 15 juli 1952 tot 3 mei 1957 - zitting in de Eerste Kamer.

Men heeft Teulings een gemoedelijk man genoemd; hij was zeker een man zonder vertoon, iemand met groot verantwoordelijkheidsgevoel en toewijding aan de publieke zaak, geen solist of voortrekker, maar een vasthoudend organisator, geen oorspronkelijke geest, wél een bekwaam parlementariër, een vroom katholiek, iemand die zich, behalve op politiek gebied, inspande voor het katholieke dagbladwezen, het katholiek onderwijs en de katholieke radio-omroep.

A: Archief-F.G.C.J. Teulings in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen (KDC 571).

L: P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland IV-VI (2e dr.; Assen, 1968); A.F. Manning, 'Zoeklicht op mr. Frans Teulings', in Van blauwe stoep tot Citadel. Varia Historica Brabantica nova Ludovico Pirenne dedicata . Onder red. van J.P.A. Coopmans en A.M.D. van der Veen ('s-Hertogenbosch, 1988) 321-336; L.M. Kupers, Mr. Frans Teulings en het herstel van de RKSP, oktober 1944 - december 1945 [Ongepubliceerde doctoraalscriptie, vakgroep Nieuwste Geschiedenis KU Nijmegen] (Nijmegen, 1988); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht, 1991); Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951) . Onder red. van P.F. Maas (2 dln.; Nijmegen, 1991-1992) vooral band B, 366-373.

A.F. Manning †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013