Tienhoven, Pieter Gerbrand van (1875-1953)

 
English | Nederlands

TIENHOVEN, Pieter Gerbrand van (1875-1953)

Tienhoven, Pieter Gerbrand van, natuurbeschermer (Amsterdam 19-11-1875 - Amsterdam 5-5-1953). Zoon van Gijsbert van Tienhoven, burgemeester en minister, en Anna Sara Maria Hacke. Gehuwd op 15-2-1910 met Cornelia Johanna Marggraff. Dit huwelijk, waaruit geen kinderen werden geboren, werd ontbonden op 14-8-1916. afbeelding van Tienhoven, Pieter Gerbrand van

Piet van Tienhoven groeide op als vijfde van de negen kinderen in een intellectueel en artistiek gezin. Hij volgde een gymnasiale opleiding, eerst in zijn geboorteplaats en daarna in Gouda, waar hij in 1895 eindexamen deed. In dat zelfde jaar liet hij zich inschrijven aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde hier rechten en biologie. Op 30 juni 1902 promoveerde hij op stellingen tot doctor in de rechtswetenschappen. Vervolgens begon een loopbaan als assuradeur in het verzekeringswezen. Zo richtte Van Tienhoven in september 1904 de Nationale Zee- en Brand Assurantiemaatschappij NV op, waarvan hij tot in 1949 mededirecteur bleef. Verder was hij directeur bij de NV Hollandsche Brand- en Levensverzekering Societeit (1908-1935) en bij de Noord-, Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche Zee- en Brandverzekering-maatschappij. Overigens liet Van Tienhoven de dagelijkse werkzaamheden van de 'Nationale' vrijwel geheel over aan zijn procuratiehouder. Zijn assurantiewerk bracht hem vaak op de Amsterdamse Beurs, waar hij evenwel de meeste tijd besteedde aan het onderhouden van contacten ten behoeve van de natuurbescherming.

Het was namelijk niet als assuradeur, maar als natuurbeschermer dat Van Tienhoven bekend zou worden. Omstreeks 1905 - maar mogelijk reeds eerder - was hij in contact gekomen met de onderwijzer en amateur-bioloog Jac.P. Thijsse, die in 1904 met succes had gestreden tegen een plan van het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam om het Naardermeer als vuilstortplaats te bestemmen. Deze actie had in april 1905 geleid tot de oprichting van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, en nog hetzelfde jaar nam Van Tienhoven zitting in het bestuur: van 1907 tot aan zijn dood in 1953 trad hij op als penningmeester en van 1923 tot 1927 als vice-voorzitter. Het kantoor van Natuurmonumenten kreeg aanvankelijk onderdak in het Amsterdamse pand van het assurantiekantoor van Van Tienhoven.

In zijn bestuursfuncties bij Natuurmonumenten ging Van Tienhoven zich intensief bezighouden met het verwerven van terreinen. Hij beperkte het beleid van de vereniging niet tot wetenschappelijk interessante gebieden, maar liet met het oog op recreatie en exploitatie ook landgoederen, bossen en andere terreinen aankopen. Juist deze natuurgebieden spraken tot de verbeelding van de grote massa, en het was zijns inziens zaak dat de vereniging door brede lagen van de bevolking werd gedragen. Dit beleid, waarbij sterk werd gelet op de financiële mogelijkheden van de terreinen èn van de vereniging, bracht Van Tienhoven meer dan eens in conflict met de meer wetenschappelijk georiënteerde bestuursleden. Doorgaans slaagde hij er echter in zijn standpunt met vasthoudendheid en durf door te drukken. Deze eigenschappen, alsook zijn vele connecties en zijn gewiekst optreden als niet-aflatende onderhandelaar, zorgden ervoor dat Natuurmonumenten vele natuurgebieden in bezit wist te krijgen.

Nadat eerdere Zwitserse pogingen om te komen tot de oprichting van een internationale natuurbeschermingsorganisatie op niets waren uitgelopen, besloot Van Tienhoven zich hiervoor te gaan inspannen. Hij kwam met het idee om in verschillende landen nationale, onafhankelijke commissies voor internationale natuurbescherming op te richten. De kwestie hoorde in Van Tienhovens visie uiteindelijk bij de Volkenbond thuis, maar kon daar pas ter sprake worden gebracht wanneer eerst de nationale krachten waren gebundeld. In 1925 werd door Van Tienhoven de Nederlandsche Commissie voor Internationale Natuurbescherming opgericht, die haar werkzaamheden ook tot Nederlands-Indië uitstrekte. Drie jaar later speelde hij een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Office International (de Documentation et de la Corrélation) pour la Protection de la Nature, een internationaal documentatie- en informatiecentrum in Brussel. Pas in 1948 zou door Zwitsers initiatief een internationale natuurbeschermingsorganisatie tot stand komen, waarvan Van Tienhoven tot erelid werd benoemd: de Union Internationale pour la Protection de la Nature.

In 1927 volgde Van Tienhoven J.Th. Oudemans op als voorzitter van Natuurmonumenten. Dit was eigenlijk niet meer dan een formaliteit, want hij was toen al lange tijd het werkzame middelpunt van de vereniging, terzijde gestaan door Thijsse als secretaris en door J. Drijver als administrateur. De aankoop van zijn familielandgoed 'Kampina' bij het Noordbrabantse Boxtel in 1924, de daaropvolgende uitbreidingen van dit natuurreservaat en de totstandkoming van het Nationale Park 'De Veluwezoom' zag Van Tienhoven als enkele van zijn belangrijkste prestaties. Zijn eigenzinnige en doortastende optreden, in feite de grondslag voor het succes van de vereniging, riep ook weerstand op. Zijn interventie in 1934 en 1935 om het uitgestrekte landgoed 'De Hooge Veluwe' voor Natuurmonumenten te verwerven liep onder meer stuk op verschil van inzicht met de beheerders, het echtpaar Kröller-Müller. Van Tienhoven wenste de kunstverzameling van het echtpaar buiten de transactie te houden en stond een meer bedrijfsmatige exploitatie van het landgoed voor.

Tussen 1927 en 1936 werden elf provinciale organisaties die het aankopen en beschermen van natuurterreinen nastreefden, in het leven geroepen. Bij de totstandkoming van deze provinciale 'Landschappen' speelde Van Tienhoven in de meeste gevallen een initiërende rol. Hij beschouwde deze organisaties als een noodzakelijke aanvulling op het werk van Natuurmonumenten en hoopte op nieuwe, meer regionale impulsen. In 1932 was Van Tienhoven betrokken bij de oprichting van de Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming, de voorganger van de Stichting Natuur en Milieu, die ontstond als een reactie op plannen tot de bouw van stuwbekkens in het Boven-Geuldal.

Van Tienhoven stond een actief natuurbeheer met menselijk ingrijpen voor, omdat dit de waarde van terreinen zou verhogen. Dat hij daarbij in aanvaring kwam met biologen, onder wie zijn voornaamste opponent en oud-studiegenoot prof. Th. Weevers, deerde hem niet. Deze Amsterdamse hoogleraar in de plantenfysiologie ging uit van het idee van non-interventie, waarbij de natuur zoveel mogelijk aan zichzelf moest worden overgelaten. Niettemin onderhield Van Tienhoven goede contacten met hem, en het was Weevers die hem toesprak, toen hij in januari 1946 een eredoctoraat in de wis- en natuurkunde ontving van de Universiteit van Amsterdam.

Van Tienhoven was lid van verschillende adviescommissies en -organen van de rijksoverheid. Hierin verdedigde hij doorgaans de belangen van de natuurbescherming, zij het niet altijd met succes. Zo zat hij in het College voor de Visscherijen, waarvan hij sinds juli 1912 deel uitmaakte, de Commissie inzake het Zeehondenvraagstuk voor. Hier vond Van Tienhoven in 1932 een meerderheid tegenover zich die de zeehond schadelijk achtte voor de visstand en daarom van mening was dat de rijksoverheid het doden van deze diersoort moest bevorderen, onder andere door het laten voortbestaan van het omstreden premiestelsel. Samen met Thijsse was hij in 1932 lid van de commissie die een herziening van de Vogelwet van 1912 moest voorbereiden. Beiden brachten hier met wisselend succes verschillende voorstellen in. Zijn bijnaam 'Vogelenpiet' verwierf Van Tienhoven door zijn grote belangstelling voor vogels, wat bijvoorbeeld bleek uit zijn bestuurlijke activiteiten voor de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels, waarvan hij jarenlang ondervoorzitter was.

Naast de natuurbescherming had ook de monumentenzorg Van Tienhovens grote belangstelling. In 1911 behoorde hij tot de oprichters van de Bond Heemschut, een federatieve vereniging die zich tot taak stelde de stedelijke en landschappelijke schoonheid van Nederland te behouden. Tientallen jaren lang maakte hij hier deel uit van het bestuur. Ook binnen de in 1918 opgerichte Vereeniging 'Hendrick de Keyser', die zich ten doel stelde historisch waardevolle oude gebouwen in Nederland voor de ondergang te behoeden, toonde hij zich bijzonder actief. In 1923 was Van Tienhoven de belangrijkste initiatiefnemer tot de oprichting van 'De Hollandsche Molen', waarvan hij tot 1953 het voorzitterschap bekleedde. De administratie van deze Vereeniging tot Behoud van Molens in Nederland werd ondergebracht in het kantoor van Natuurmonumenten in Amsterdam, waar men gedeeltelijk van hetzelfde personeel gebruik maakte.

Van Tienhoven bleef zijn leven lang in doen en denken een zelfbewuste Amsterdamse patriciër, die overigens met hetzelfde gemak omging met zakenlieden en bestuurders als met opzichters en boswachters. De weinig democratische structuur van Natuurmonumenten, waar Van Tienhoven vrijwel alleen de scepter zwaaide, kwam in de loop van de jaren veertig overigens steeds meer bloot te staan aan kritiek. Deze werd op de jaarvergaderingen van de vereniging vooral geuit door leden van de Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie. Na lange onderhandelingen werd in februari 1947 een compromis bereikt, waarin ook Van Tienhoven zich kon vinden.

Niettegenstaande de drukke werkzaamheden die zijn vele bestuursfuncties met zich brachten, wist Van Tienhoven toch nu en dan tijd vrij te maken om de natuur in te trekken, een rugzak op de gekromde rug en met zijn cocker-spaniël Mona aan zijn zijde. Tot op het laatst bleef hij actief. Toen zijn stem- en gehoorvermogen achteruitging en dit hem in toenemende mate hinderde bij het leiden van vergaderingen, trad hij in maart 1952 terug als voorzitter van Natuurmonumenten, hoewel hij als vice-voorzitter en penningmeester nog sterk bij de vereniging bleef betrokken. Een jaar later overleed hij aan een beroerte. Overeenkomstig zijn wens werd zijn stoffelijk overschot gecremeerd en werd de as uitgestrooid op het voormalige familielandgoed 'Kampina'.

A: Correspondentie van Van Tienhoven in het archief van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland in het Gemeentearchief te Amsterdam en in het archief van de Nederlandsche Commissie voor Internationale Natuurbescherming, beide bij de Gemeentelijke Archiefdienst te Amsterdam.

P: 'Internationale natuurbescherming', in Jaarboek van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland 1923-1928 (Amsterdam, s.a.) 191-202.

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. door J.H. van Heek, in Jaarboek van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland 1950-1953 (Amsterdam, 1953) 17-20; door J. Heimans, ibidem , 21-22; door J. Drijver, ibidem , 23-38; door Chr.P. van Eeghen, in Amstelodamum. Maandblad voor de kennis van Amsterdam 40 (1953) 83-84: G.A. Brouwer, 'Leben und Wirken von Pieter Gerbrand van Tienhoven', in Naturschutzparke , Heft 18 (1960) 41-45; H.P. Gorter, 'Op 19 november herdenken wij de honderdste geboortedag van Pieter Gerbrand van Tienhoven', in Natuurbehoud 6 (1975) 82-84; idem, Ruimte voor Natuur. 80 jaar bezig voor de natuur van de toekomst ('s-Graveland, 1986); E. Pelzers, 'De Munt- en Wolfsbergkwestie. De aankoop van de natuurgebieden Munt- en Wolfsberg bij Nijmegen door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, 1928-1930', in Jaarboek Numaga 40 (1993) 135-145.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1469.

E. Pelzers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013