Unnik, Willem Cornelis van (1910-1978)

 
English | Nederlands

UNNIK, Willem Cornelis van (1910-1978)

Unnik, Willem Cornelis van, theoloog (Haarlem 28-8-1910 - Utrecht 17-3-1978). Zoon van Cornelis van Unnik, bouwkundige, en Johanna Maria Comijs. Gehuwd op 28-7-1944 met Sophie Niemantsverdriet. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Unnik, Willem Cornelis van

Haarlem, Van Unniks geboortestad, was de plaats waar zijn vader een zelfstandige werkkring als architect trachtte op te bouwen. Toen dit niet lukte, aanvaardde deze een functie bij de Dienst Publieke Werken te Amsterdam, al bleef hij in Haarlem wonen. In religieus opzicht gaf binnen het gezin de zogeheten ethische richting de toon aan, een richting die vooral de nadruk legde op de beleving van het geloof, met belangstelling voor de sociale problematiek van die tijd. De vader deed dienst als diaken in de Nederlandsche hervormde kerk. De moeder, die onderwijzeres was geweest, droeg zorg voor de gastvrije en blijmoedige sfeer in het gezin.

Aanvankelijk koesterde de jonge Van Unnik de wens zendeling te worden. Ter voorbereiding daarvan bezocht hij eerst het Stedelijk Gymnasium, waar de legendarische C. Spoelder als rector de jongen wist te enthousiasmeren voor de klassieke talen. Tevens vatte hij door de lectuur van boeken als Adolf Deissmanns Licht vom Osten (Tübingen, 1908) een grote belangstelling op voor de wereld waarin het Nieuwe Testament was ontstaan. Hij volgde echter niet de suggestie van de gecommitteerde prof. R.H. Woltjer, die hem onder de indruk van zijn fraaie cijfers suggereerde een dubbele studie klassieke talen en theologie te volgen.

Het werd in 1928 alleen theologie, maar wel ingebed in een breed opgezette studie, aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Van de hoogleraren trok hem aanvankelijk vooral de kerkhistoricus A. Eekhof, die in het liberale Leiden de meer behoudende richting vertegenwoordigde. De hoogleraar Hebreeuws, G.J. Thierry, wist enige religieuze twijfel weg te nemen. Behalve de verplichte vakken liep Van Unnik ook colleges bij de classici B.A. van Groningen en J.H. Thiel, terwijl hij tevens een privatissimum Syrisch volgde bij A.J. Wensinck, en zelfs lessen Koptisch bij A. de Buck. Het was echter de hoogleraar Nieuwe Testament, J. de Zwaan, die hem verder hielp, vooral door de aandacht die deze besteedde aan de relatie tussen het Nieuwe Testament en de antieke cultuur.

Het kandidaatsexamen werd in 1931 cum laude afgelegd; het doctoraal, samen met het proponentsexamen, volgde, eveneens met lof, op 5 maart 1934. Daarvóór had Van Unnik op instigatie van De Zwaan in 1932/1933 twee 'terms' doorgebracht aan het Quaker College 'Woodbrooke' in Birmingham. In deze kring verruimde de jonge geleerde zijn blikveld, terwijl hij zich verder bekwaamde in het Syrisch bij de uit Mesopotamië afkomstige A. Mingana. Deze laatste verschafte hem ook het liturgische handschrift waarop hij op 26 november 1937 promoveerde: Nestorian questions on the administration of the eucharist, by Isho'yabh IV. A contribution to the history of the eucharist in the Eastern Church . In 1946 werd hem hiervoor de Mallinckrodt-prijs toegekend, waarmee iedere tien jaar de beste theologische dissertatie wordt bekroond.

Intussen had Van Unniks maatschappelijke loopbaan een aanvang genomen. Na van 1933 tot 1935 een assistentschap Hebreeuws in Leiden te hebben vervuld, werd hij in 1936 tot hulpprediker bij de Vereeniging van Rechtzinnig Hervormden te Enkhuizen. Een jaar later kwam een beroep als predikant naar het Noordhollandse Opperdoes, 'een rechtzinnig eiland in een vrijzinnige omgeving' (A.J. Bronkhorst, in Woorden gaan leven , 47). Zijn zuster stond hem hier bij in het gemeentewerk. Het wetenschappelijke werk vond inmiddels voortgang via een privaatdocentschap voor oudchristelijke letterkunde te Leiden van 1939 tot de sluiting van de universiteit. In verband met het uitbreken van de oorlog was het in 1940 onmogelijk gebleken een benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit van Pretoria in Zuid-Afrika te aanvaarden. Het werd daardoor een baan als godsdienstleraar in Den Haag, waar hij van 1942 tot 1945 bleef, en waar hij de lerares Frans leerde kennen die in 1944 zijn vrouw werd.

Na een korte periode als predikant in Schiedam, van oktober 1945 tot midden 1946, volgde in juni van het laatstgenoemde jaar de functie waar Van Unniks wetenschappelijke aanleg hem bij uitstek voor kwalificeerde, namelijk die van gewoon hoogleraar in de uitlegging van het Nieuwe Testament en de oudchristelijke letterkunde aan de Utrechtse universiteit. De inaugurele rede uit 1947 behandelde Hedendaagsche problemen in de Nieuw-Testamentische wetenschap en deed de spreker kennen als een man van behoudende signatuur, met een verklaarde voorkeur voor de conservatieve Angelsaksische bijbelwetenschap boven de meer avontuurlijke Duitse. Van Unnik ontplooide zich in korte tijd tot een geleerde van formaat, die vooral over de 'Umwelt' van het Nieuwe Testament belangrijke studies publiceerde. Zijn opleiding kwam goed van pas bij het onderzoek naar de Semitische achtergronden van het Nieuwe Testament. Voorts waren het vooral gnosticisme en de hellenistische wereld die Van Unniks belangstelling hadden. Dit laatste mondde uit in een poging het Corpus Hellenisticum Novi Testamenti nieuw leven in te blazen, een project waarbij alle voor het christendom relevante verwijzingen uit de klassieke oudheid werden verzameld, en dat al sinds het begin van deze eeuw met moeilijkheden te kampen had.

Als Nieuwtestamenticus zocht Van Unnik zijn eigen weg, maar de kwaliteit van zijn menigvuldige publikaties en zijn open aard verschaften hem tevens een veelheid van internationale contacten. Zo was hij sinds 1955 lid van de zogeheten 'Kirchenväterkommission' van de Deutsche Akademie der Wissenschaften te Berlijn, verkreeg hij verscheidene eredoctoraten, en was hij in 1961 voorzitter van de Society of New Testament Studies. Ook voor de nationale wetenschapsbeoefening heeft hij veel betekend, onder meer als lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen sinds 1951 en als voorzitter van het Nederlands Bijbelgenootschap vanaf 1967. Toen hij in 1970 voorzitter werd van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek heeft hij zijn brede belangstelling en stuwkracht ook hier dienstbaar gemaakt aan het algemeen belang. Hetzelfde gold voor de overige functies die hij vervulde, en die varieerden van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur van de NCRV tot een rectoraat van de Utrechtse universiteit in 1962/1963, met een hernieuwd optreden aldaar als prorector in het woelige jaar 1968.

Dit alles wijst op een overvol bestaan als geleerde en bestuurder, waarbij dan bovendien nog geregelde predikbeurten en andere activiteiten moeten worden opgeteld. Als mens en als hoogleraar stond Van Unnik open voor anderen. Zijn geloof is wel gekarakteriserd als de religie der 'Quakers, laagkerkelijk, spiritueel, blijmoedig, onbekommerd' (G. Quispel, in Woorden gaan leven , 20).

P: Bibliografie door K.W.H. Kunne in de onder L genoemde bundel Woorden gaan leven , 285-306. Van Unniks belangrijkste studies zijn bijeengebracht in de bundels Sparsa collecta. The collected essays (3 dln.; Leiden, 1973-1983).

L: G. Puchinger, in Hervormd - gereformeerd, één of gescheiden? (Delft, 1969) 85-126; K. Aland, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1978 (Amsterdam [etc.], 1979) 174-181; Woorden gaan leven. Opstellen van en over Willem Cornelis van Unnik (1910-1978) . Onder red. van A.J. Bronkhorst [e.a.] (Kampen, 1979); H.A. Oberman, in The library of the late dr. W.C. van Unnik (Utrecht, 1980) 3-4.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1978 (Amsterdam 1979) 174.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013