Vincent, Jacob (1868-1953)

 
English | Nederlands

VINCENT, Jacob (1868-1953)

Vincent, Jacob, beiaardier (Amsterdam 4-12-1868 - Utrecht 22-2-1953). Zoon van Johan Pieter Vincent, winkelier, en Antoinetta Catharina Elizabeth Bakels. Gehuwd op 22-6-1893 met Geertruida Johanna Meijer. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (20-7-1938) gehuwd op 23-5-1939 met Sjoukje Hillegonda Los. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Vincent, Jacob

Al jong werd Jacob Vincent gegrepen door de instrumentale muziek. Gedurende zijn lagere-school- en gymnasiumjaren volgde hij piano- en orgellessen bij de Zaandamse organist K.A. Willeumier. Vader Vincent, die aan de Amsterdamse Herenstraat een winkel in huishoudelijke artikelen en speelgoed dreef, handelde ook in muziekinstrumenten. Jacob, die in de zaak van zijn vader werkte, nam tot diens grote ergernis te pas en te onpas plaats achter een orgel dat stond opgeborgen in het winkelmagazijn. Schoorvoetend moest vader Vincent toegeven dat zijn zoon meer aanleg had voor muziek dan voor de handel.

Jacob Vincent vervolgde zijn muziekstudie bij A.A.L. Tiggers (harmonie en contrapunt) en A. Pomper (piano en orgel). Spoedig volgde zijn aanstelling als organist van het Evangelisch Luthersche Oude Mannen- en Vrouwenhuis aan de Muidergracht. Daarnaast leidde hij enige koren en trad hij op als organist en pianist. Op 16 mei 1893 kreeg Vincent een vaste aanstelling als organist van de Weeshuiskerk der Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente aan de Herenmarkt, een functie die hij tientallen jaren heeft vervuld. Daarenboven was hij ook pianoleraar. Als zodanig heeft hij veel leerlingen opgeleid voor het diploma 'pianist' van de (Koninklijke) Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging. Voor deze instelling was hij tevens lange tijd examinator.

De grootste bekendheid verwierf Vincent evenwel als beiaardier. Zijn leermeester Albert Pomper wist bij hem belangstelling voor het carillonspel te wekken. In 1898 werd Pomper benoemd tot klokkenist van de Zuiderkerk in Amsterdam. Aangezien deze blind was en tevens leed onder een slechte gezondheid, droeg hij dit werk onmiddellijk over aan Vincent. Toen daarna ook de betrekking van carillonneur van het Koninklijk Paleis op de Dam vrij kwam, solliciteerde Vincent hiernaar. Op voorspraak van Pomper en de organist M.F. Hasselaar kwam hij per 1 maart 1900 in persoonlijke dienst van koningin Wilhelmina. Iedere maandagmiddag speelde hij vaderlandse liederen, zonder dat dit overigens indruk maakte op de voorbijgangers. Er bestond toentertijd nog nauwelijks belangstelling voor het beiaardspel. De meeste carillons waren in verval geraakt, en er was niemand die zich hierom bekommerde. Vincent zou hierin verandering brengen. De eerste bespeling die een duizendkoppige menigte op de been bracht, was het feestconcert op 30 april 1909, ter ere van prinses Juliana's geboorte. Sedertdien heeft Vincent op feestdagen en zomeravonden veel populaire concerten gegeven. Door de groeiende belangstelling ontstond van lieverlede een herleving van de oud-vaderlandse klokkenspelkunst.

Reeds op 18 juni (Waterloodag) 1927 werd Vincents carillonbespeling via Philips' experimentele kortegolfzender PCJJ naar het toenmalige Nederlands-Indië uitgezonden, hetgeen daar een golf van ontroering teweeg bracht. Nadien heeft hij vaak voor de binnenlandse radio en Philips' Omroep Holland-Indië (PHOHI) geconcerteerd. Hierdoor namen zijn bekendheid en de waardering voor het klokkenspel verder toe. In 1928 werd Vincent benoemd tot beiaardier van de Sint Laurenstoren te Weesp, twee jaar later van de speeltoren te Monnickendam, en in 1940 van het kleine carillon van kasteel Nijenrode bij Breukelen, terwijl hij in binnen- en buitenland gastoptredens verzorgde. Voorts bestudeerde Vincent de ontstaansgeschiedenis en de techniek van het klokkenspel, waarover hij verscheidene artikelen in kranten en tijdschriften publiceerde. Door zijn omvangrijke kennis van zaken vroeg men zijn adviezen bij de restauratie van beiaards, zoals van de Sint Jacobstoren in Den Haag, de Waagtoren te Alkmaar, de Sint Lebuïnustoren in Deventer en van de speeltorens van Edam en Monnickendam. In 1924 werd het Amsterdamse Paleiscarillon naar zijn aanwijzingen hersteld en gewijzigd. In de loop der jaren heeft Vincent veel klokkenspelen verstoken, dat wil zeggen de stand der stalen pennen in de trommel van de mechanische speeluurwerken zodanig aangepast dat een nieuwe melodie ontstaat. Tevens heeft men zijn deskundige hulp herhaalde malen ingeroepen bij het herstel van luidklokken. In het gehele land en voor de radio hield hij lezingen over carillons en klokkengieterijen. Vincent heeft verscheidene jonge musici tot beiaardier opgeleid en vond voorts nog de tijd werken voor carillon te componeren.

In 1915 kwam Vincent in contact met de Belgische 'koning der beiaardiers' Jef Denijn uit Mechelen. Deze - eveneens een vurig voorvechter van de herleving van de klokkenspelkunst - was zijn door de Duitsers bezette vaderland ontvlucht en maakte op uitnodiging van diverse gemeentebesturen een rondreis door Nederland. Op 18 februari was hij in de klokkentoren van het Paleis op de Dam de gast van Vincent. De collegiale vriendschap tussen beiden was evenwel slechts van korte duur, want al spoedig openbaarde zich een ernstig verschil van inzicht over de gewenste constructie van het beiaardspel. Denijn besteedde veel aandacht aan de gehele inrichting: de vorm en de maten van de toren, de klokken, de klokkenkamer en het klavier moesten zijns inziens één harmonisch geheel vormen. In de verbinding tussen toetsen en klepels liet hij de oude, vertrouwde tuimelinrichting aanbrengen. Nieuw was echter dat de klepels door een terugstelveer na aanslag meteen in hun oorspronkelijke stand werden teruggetrokken. Hierdoor werd het voor beiaardiers mogelijk tremolo's te spelen. Vincent voelde niets voor dit nieuwe systeem van Denijn. Hij bleef hardnekkig vasthouden aan het 'broekstelsel' van de Amsterdamse firma J.H. Addicks & Zoon. Voor- en tegenstanders van beide systemen ontketenden daarop een heftige pennestrijd, die omstreeks 1920 zijn hoogtepunt beleefde. Ofschoon het 'Denijnstelsel' ook in ons land steeds meer toepassing vond, bleef Vincent, die altijd al gevreesd werd om zijn eigenzinnige en ongenaakbare houding, er afwijzend tegenover staan. Hij beklemtoonde steeds de nadelen van het nieuwe systeem: het bespelen van de toetsen vergde meer lichamelijke inspanning en het geluid was minder verfijnd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam Vincent door zijn Oranjegezinde houding verschillende malen in conflict met pro-Duitse autoriteiten, omdat hij het niet kon nalaten voor hen onwelgevallige liederen ten gehore te brengen. Uiteindelijk werd hij daarom uit zijn beiaardiersfunctie ontheven. Na reeds in 1938 Amsterdam voor het Gooi te hebben verruild, verhuisde Vincent in 1947 met zijn tweede vrouw naar een rusthuis in Oudenrijn bij Utrecht. Ondanks zijn slechter wordende gezondheid, maar dank zij een ijzeren wilskracht, bleef hij carillons bespelen. Op 28 april 1952, een jaar voor zijn dood, gaf hij zijn laatste concert vanaf het Paleis op de Dam. De drie kinderen van Jacob Vincent beschikten eveneens over muzikale talenten: Truus was beiaardier en pianolerares, Piet beiaardier en muziekschooldirecteur, en Jo was de beroemde concertzangeres.

A: Verzameling kranteknipsels betreffende Jacob Vincent bij de Nederlandse Beiaardschool te Amersfoort.

P: 'Klokkengieters, klokkenisten, uurwerkmakers, enz.', in De Muziekbode 30 (1915) 71 t/m 165; 'De herleving der Oud-Hollandsche kunst van klokkengieten', in De Telegraaf , 15-3-1917; 'Is het Mechelsche systeem wenschelijk voor onze carillons?', in De Vereenigde Tijdschriften. Caecilia en het Muziekcollege 81 (1923/1924) 24-27; 'Kunnen gescheurde klokken gelascht worden', in Caecilia en de Muziek 94 (1937) 175; 'Disharmonisch klokgelui', ibidem 95 (1938) 6-7; 'Luiden van klokken voorheen en thans', ibidem 95 (1938) 75-76; 'Bekende carillons in kerktorens', in De Standaard , 16-1-1939 en 30-1-1939; 'Klokkenspellen en klokkengieters', in Historia. Maandschrift voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis 6 (1940) 16-24. Het beiaardspel van Jacob Vincent werd kort na 1930 door Philips, in de serie 'Philips' Carillon', op grammofoonplaten vastgelegd.

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. in Haagsche Post , 31-7-1920; Algemeen Handelsblad , 28-2-1925 (av.) en 1-12-1948; De Amsterdammer. Christelijk dagblad voor Nederland , 28-2-1925; De Telegraaf , 27-2-1940 (av.); Het Parool , 23-2-1953; Amstelodamum. Maandblad voor de kennis van Amsterdam 40 (1953) 54-55: J.W. Enschedé, 'Nieuwere Vlaamsche carillon-constructie', in Caecilia. Maandblad voor Muziek 68 (1911) 177-180; Jef Denijn, 'Broek en Mechelsch systeem', in De Vereenigde Tijdschriften. Caecilia en het Muziekcollege 81 (1923/1924) 71-73; Ralf de Raedt, 'Bij den beiaardier van het Koninklijk Paleis', in Alle Klokken luiden (Baarn, 1936) 101-107.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1535.

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013