Visscher, Hugo (1864-1947)

 
English | Nederlands

VISSCHER, Hugo (1864-1947)

Visscher, Hugo, gereformeerd theoloog en politicus (Zwolle 12-10-1864 - Alkmaar 17-5-1947). Zoon van Derk Jan Visscher, timmerman, later koopman in aardappelen, en Antonia Bolmeijer. Gehuwd op 3-3-1891 met Gerridina Lindeboom. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 dochter die jong overleed, 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Visscher, Hugo

Hugo Visscher groeide op in een eenvoudig gezin, dat behoorde tot de hervormde gemeente in Zwolle. Na de lagere school werkte hij aanvankelijk in een smederij en in de constructiewerkplaats van de Nederlandsche Spoorwegen. Door toedoen van een predikant, die hem privé-lessen gaf, kon hij zich op zeventienjarige leeftijd laten inschrijven aan het gymnasium in zijn geboorteplaats, en met het aldaar behaalde diploma ging hij in 1886 theologie studeren in Leiden. Ofschoon uit een vrijzinnig milieu afkomstig, voelde Visscher zich als student - mede onder invloed van zijn latere promotor, de hoogleraar kerkgeschiedenis J.G.R. Acquoy - steeds meer aangetrokken tot de gereformeerde of calvinistische levensovertuiging. Deze orthodoxie zou hij zijn leven lang trouw blijven.

Na het afleggen van het doctoraal examen op 9 oktober 1890 beroepbaar gesteld, werd hij in 1891 bevestigd als predikant van de hervormde gemeente in het Friese Sint-Johannesga. Hij verruilde deze gemeente nauwelijks drie jaar later voor Zegveld bij Woerden. Intussen promoveerde Visscher op 5 oktober 1894 aan de Leidse Universiteit cum laude op het proefschrift Guilielmus Amesius. Zijn leven en werken . Van 1896 tot 1901 stond hij in Delft, een periode gekenmerkt door conflicten met zijn minder rechtzinnige collega's. Visschers spreekbuis werd het Gereformeerd Weekblad , in 1896 mede door hem opgericht. Na Delft was hij drie jaar lang predikant in Ouderkerk aan den IJssel.

Hier kreeg Visscher eind oktober 1903 te horen dat hij was benoemd tot gewoon hoogleraar godsdienstgeschiedenis, godsdienstwijsbegeerte en zedekunde in Utrecht. Deze benoeming baarde enig opzien, omdat zijn naam op geen enkele universitaire voordracht voorkwam en hij zich nooit op het terrein van zijn leeropdracht had bewogen. Hoogstwaarschijnlijk had hij dit professoraat te danken aan een persoonlijk initiatief van de minister van Binnenlandse Zaken, A. Kuyper, die graag een rechtzinnig theoloog op de katheder zag. Tijdens zijn hoogleraarschap toonde Visscher zich een produktief auteur: hij publiceerde verschillende brochures en beschouwingen, alsmede de godsdiensthistorische studie Religie en gemeenschap bij de natuurvolken I (1907). Van dit boek kwam in 1911 een Duitse vertaling uit, Religion und soziales Leben bei den Naturvölkern I: Prolegomena , met een tweede deel, Die Hauptprobleme , dat nooit in het Nederlands is verschenen. Als hoogleraar trachtte hij het calvinistische denken tot uitgangspunt van zijn wetenschappelijk werk te maken, daarmee handelend in de geest van het zogeheten neocalvinisme van gereformeerde theologen als Kuyper en H. Bavinck. Doordat Visscher zijn denkbeelden evenwel niet in bijvoorbeeld een dogmatiek afrondde, kreeg hij slechts weinig 'echte' leerlingen. Allengs werd duidelijk dat het wetenschappelijk werk alléén hem op den duur geen voldoening kon geven. Zijn ambities reikten verder: ook op kerkelijk en politiek gebied zag hij voor zichzelf graag een leidende rol weggelegd.

Op het eerstgenoemde terrein behoorde Visscher in april 1906 tot de oprichters van de 'Gereformeerde Bond tot Vrijmaking der Nederlandsche Hervormde Kerk'. Visscher zag in de in 1816 van overheidswege ingestelde synodale kerkorganisatie van de hervormde kerk een belemmering voor de geestelijke vrijheid van de plaatselijke kerken. Minder beperkingen voor de afzonderlijke gemeenten zou de gereformeerde richting gelegenheid geven zich te manifesteren en zich uiteindelijk met àlle gereformeerden te herenigen. Wat Visscher nastreefde - en daarin verschilde hij in zijn optreden van Kuyper in 1886 (Doleantie) -, was een herleving van de hervormde kerk bìnnen diezelfde kerk. Bij de afschaffing van de synodale organisatiestructuur zou de politiek, in Visschers ogen, een leidende rol moeten spelen. Tot zijn teleurstelling ging het coalitiekabinet-Heemskerk (1908-1913) hier niet toe over, en ook binnen de Gereformeerde Bond zelf bleek geen meerderheid voor zijn denkbeelden aanwezig. In dit laatste zag Visscher aanleiding zich op 8 januari 1909 terug te trekken als lid van het hoofdbestuur van de Bond, waarvan de officiële naam nog dat zelfde jaar werd gewijzigd in 'Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandsche-Hervormde (Gereformeerde) Kerk'.

Bij het aanbieden van het zogeheten 'modus-vivendivoorstel' in 1915 aan de Synode herhaalde Visscher in feite zijn visie van een aantal jaren eerder. Hij hekelde de hervormde kerk als volkskerk, waarin allerlei richtingen werden getolereerd. Het voorstel behelsde een onderverdeling van de kerk in modale gemeenten, onder het administratieve dak van de ene hervormde kerk. Dit zou de gereformeerde richting de mogelijkheid bieden tot echte geestelijke vrijheid, met uiteindelijk de terugkeer naar één Gereformeerde Kerk of - zoals Visscher haar bij voorkeur noemde - de 'oud-vaderlandsche kerk'. De Afgescheidenen van 1834 en de in 1892 ontstane Gereformeerde Kerken in Nederland zouden zich dan bij de hervormd-gereformeerden van Visscher en de zijnen kunnen aansluiten; de Gereformeerde Gemeenten met hun meer gesloten karakter had hij daarbij niet uitdrukkelijk op het oog. Doordat het 'modus-vivendivoorstel' na twee jaar nog steeds niet in reglementen was uitgewerkt, besloot de Synode in juli 1917 met een uiterst krappe meerderheid de kwestie niet verder in behandeling te nemen.

Nadat hij in oktober 1931 als gewoon hoogleraar vervroegd met emeritaat was gegaan, ten einde zijn leerling en geestverwant J. Severijn in staat te stellen hem op te volgen, werd Visscher in 1931 te Utrecht en twee jaar later ook te Leiden vanwege de Gereformeerde Bond benoemd tot bijzonder hoogleraar in de gereformeerde godgeleerdheid. Visschers relatie met de Gereformeerde Bond werd er in de loop der jaren echter niet beter op, en uiteindelijk bedankte hij op 1 juli 1937 voor het lidmaatschap van Bond; drie maanden later beëindigde hij ook de beide bijzondere hoogleraarschappen.

In de jaren dertig verslechterde ook Visschers verhouding tot de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Naar voren geschoven door Kuyper, die hem eens als 'de man met den geuzenkop' typeerde, speelde hij hier aanvankelijk een prominente rol. Zo was hij van 1905 tot 1916 lid van het centraal comité en had hij van 1922 tot en met 1935 voor de ARP zitting in de Tweede Kamer. Zijn kandidaatstelling bij opeenvolgende verkiezingen in de jaren twintig was overigens niet onomstreden, gezien het daarvoor door Visscher ingenomen standpunt bij het conflict binnen de partij over het leiderschap van Kuyper. Daarbij moest vooral Th. Heemskerk, een van de vijf auteurs van de brochure Leider en leiding in de Anti-Revolutionaire Partij uit 1915, het bij hem ontgelden. Ook later, in de jaren 1925-1932, toen Heemskerk na zijn ministerschap opnieuw zitting had in de Tweede Kamer, bleef hun onderlinge verstandhouding bijzonder slecht. Verder viel Visschers opvallende geldingsdrang om in de partij een vooraanstaande rol te spelen bij veel ARP-leden niet in goede aarde. Dat hij toch, gedurende een groot aantal jaren, op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst stond, had dan ook vooral politiek-tactische redenen. Visscher en zijn modaliteit-genoot L.F. Duymaer van Twist zorgden namelijk voor veel stemmen van hervormd-gereformeerden, die anders met grote waarschijnlijkheid naar groeperingen als de Staatkundig Gereformeerde Partij en de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij zouden zijn gegaan. In de Tweede Kamer voerde Visscher vooral het woord bij de voor die tijd typisch rechts-principiële onderwerpen als de doodstraf, vaccinatiedwang, zondagsrust, godslastering en het onderwijs. Zijn antipapisme was bekend, en zijn opvallende afwezigheid bij de stemming over het amendement tot opheffing van het gezantschap bij de Heilige Stoel in de 'Nacht van Kersten' van 10 op 11 november 1925 werd door slechts weinigen in zijn partij gewaardeerd.

Aangezien ook de rechtse coalitiekabinetten onder leiding van H. Colijn de door hem nog steeds gewenste reorganisatie van de hervormde kerk niet ter hand namen, besloot Visscher in de winter van 1935 de ARP te verlaten. Met ingang van 1 januari 1936 zegde hij zijn kamerlidmaatschap op, en korte tijd later richtte hij de Christelijk Nationale Aktie (CNA) op, die - alweer - de vestiging van de gereformeerde beginselen in de Nederlandse samenleving voorop stelde. De CNA nam in 1937 deel aan de kamerverkiezingen, maar behaalde slechts een half procent van de stemmen, te weinig voor een zetel.

Aan het einde van de jaren dertig kwam Visschers sympathie voor Duitsland en - na enige aarzeling - ook die voor de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) duidelijk naar voren. Hij verwierp het a-godsdienstige in het nationaal-socialisme, maar zijn bewondering voor hetgeen Hitler in Duitsland tot stand had gebracht, alsmede zijn afkeer van het communisme en het democratische partijenstelsel wogen op den duur zwaarder. Visschers pro-Duitse houding leidde uiteindelijk in oktober 1940 tot zijn vertrek als redacteur bij het Gereformeerd Weekblad , want dat hij in de 'nieuwe realiteit' (de Duitse suprematie in Europa) wenste te berusten, was voor zijn mederedacteur I. Kievit onaanvaardbaar. Visscher ging zelfs nog verder: in 1941 liet hij zich benoemen tot lid van de Nederlandse Kultuurraad en twee jaar later werd hij adviseur in schoolzaken en eredienst van NSB-leider A.A. Mussert. Ten slotte gaf hij in zijn laatste werk, Ondergang van de Republiek der Vereenigde Nederlanden uit 1943, blijk van de wenselijkheid van een definitieve aansluiting van Nederland bij een Groot-Duits rijk, zich beroepend op publikaties van G. Groen van Prinsterer.

Dit alles werd Visscher ten laste gelegd bij zijn aanhouding in december 1944 in Nijmegen, waar hij sinds 1938 woonde. Het Tribunaal van het arrondissement Arnhem in deze stad ontsloeg hem op 10 oktober 1945 van verdere rechtsvervolging, mede gezien zijn leeftijd en gezondheidstoestand en vanwege het feit dat hij reeds negen maanden in voorarrest had doorgebracht. Wel werd hem het actief en passief kiesrecht ontzegd. De laatste anderhalf jaar van zijn leven woonde Visscher bij zijn dochter in Alkmaar, waar hij op 82-jarige leeftijd overleed.

In de levensloop van Hugo Visscher is een zekere tragiek onmiskenbaar. Zijn niet aflatende pogingen bepaalde gebeurtenissen in kerk en politiek naar zijn hand te zetten hadden al te vaak conflicten en verstoorde persoonlijke verhoudingen tot gevolg. Zijn vertrek uit de ARP en terugtreden uit de leiding van de Gereformeerde Bond zijn daarvan voorbeelden. Visschers karakter vertoonde dan ook antagonistische trekken, en niet zelden bleef hij, tegen alle redelijke argumenten in, een eenmaal ingenomen standpunt trouw, hetgeen bij zijn wijzigingsvoorstellen voor de structuur van de hervormde kerk telkenmale bleek. Zijn toenadering tot het nationaal-socialisme droeg er voorts in belangrijke mate toe bij dat hij ten slotte sterk geïsoleerd kwam te staan. Dit isolement, in combinatie met zijn bestaande wrok jegens de democratische partijen, biedt mogelijk mede een verklaring voor zijn nazi-vriendelijke houding in bezettingstijd. Visschers werk als hoogleraar is in feite van beperkte betekenis geweest, daar zijn wetenschappelijke animo duidelijk bij zijn politieke ambities ten achterbleef.

A: Brieven van H. Visscher bevinden zich o.a. bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, in het documentatiedossier H. Visscher bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam, in het strafdossier (Tribunaal arrondissement Arnhem, dossier-H. Visscher) op het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage, alsmede in particulier bezit.

P: Een vrijwel volledige lijst van Visschers geschriften in het onder L genoemde werk van Wiegeraad, 308-313.

L: R. Bartlema, 'Dr. H. Visscher en zijn strijd om de kerk', in Waarheid, wijsheid en leven. Een bundel studiën opgedragen aan prof.dr. J. Severijn ... (Kampen, 1956) 165-185; I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden. Een historiografische en bibliografische studie (Arnhem [etc.], 1956);P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1914-1918 II-V (2e dr.; Assen, 1968); ; G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 1933-1941 (Utrecht [etc.], 1973); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie . II: De geschiedenis van de kabinetsformaties 1925-1929 (Kampen, 1980); C. Graafland, 'Hoe en waarom kwam de Gereformeerde Bond rond de eeuwwisseling op?', in Beproefde trouw. Vijfenzeventig jaar Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk . Onder eindred. van J. van der Graaf (Kampen [, 1981]) 74-81; K. Exalto, 'De visie op de kerk', ibidem , 99-122; J. van der Graaf, 'De Gereformeerde Bond en de politiek', ibidem , 217-230; lemma door A. de Groot, in Biografisch lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme III (Kampen, 1988) 373-376; T.W. van Bennekom, De wachters op de muren. De opkomst van het nationaal-socialisme en de gereformeerde gezindte, 1932-1940 (Leiden, 1990); B.J. Wiegeraad, Hugo Visscher (1864-1947). 'Een calvinist op eigen houtje' (Leiden, 1991).

I: H. Noordegraaf, Bart de Ligt. In kontakt met tijdgenoten (Boxtel 1991) 4.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013