Vorsterman van Oijen, Antonie Abraham (1845-1912)

 
English | Nederlands

VORSTERMAN VAN OIJEN, Antonie Abraham (1845-1912)

Vorsterman van Oijen, Antonie Abraham, (bekend onder de naam Vorsterman van Oyen), genealoog (Moergestel (N.B.) 6-8-1845 - Maarssen 26-8-1912). Zoon van Constantijn Johannes Vorsterman van Oijen, 'landeconoom', en Adrienne Louize Beatrix Pape. Gehuwd op 1-5-1872 met Anna Elisabeth Wijse. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Vorsterman van Oijen, Antonie Abraham

Antonie Vorsterman van Oyen kwam uit een protestantse familie van militairen en bestuurders. Zijn vader, hoofd van een gezin van elf kinderen, was secretaris van de landbouwclub in het Noordbrabantse dorp Moergestel. Over de opleiding van Antonie is niets bekend, evenmin over wat hem tot de beoefening van de historie bracht, maar er zijn gegevens waaruit blijkt dat hij zich reeds op vijftienjarige leeftijd bezighield met heraldiek.

Op jonge leeftijd trad Van Oyen - overeenkomstig de familietraditie - in dienst van het departement van Oorlog. In 1864 kwam hij vanuit Sluis naar Maastricht, waar hij in de jaren zeventig als magazijnmeester en spijsbezorger werkte bij het Garnizoenshospitaal. In deze periode was hij al actief onder de naam: Genealogisch en Heraldisch Archief A.A. Vorsterman van Oyen. Op een adreskaartje uit die tijd worden zijn werkzaamheden als volgt omschreven: 'Belast zich met de samenstelling van geslachtsregisters; het teekenen van hoofdwapens en wapenpatronen naar stramienwerk; het opmaken van kwartierstaten; geeft inlichtingen op genealogisch en heraldisch gebied'. Toen het Maastrichtse Garnizoenshospitaal in 1879 werd opgeheven, kwam Vorsterman van Oyen als eerste klerk terecht op het departement in Den Haag, waar hij op 1 juli werd aangesteld als assistent van de bibliothecaris. Lang zou hij echter niet blijven. Vijf maanden later kreeg hij op eigen verzoek eervol ontslag, en vanaf dat ogenblik zou hij uitsluitend als beroepsgenealoog werkzaam zijn.

In Den Haag breidde Van Oyen zijn Genealogisch en Heraldisch Archief verder uit tot het grootste documentatiebureau op dit gebied in Nederland. Deels verzamelde hij de gegevens zelf, deels nam hij collecties over van andere genealogen, zoals die van J.H. Scheffer in 1884. In dat jaar publiceerde hij zijn Dictionnaire nobiliaire. Répertoire des généalogies et des documents généalogiques qui se trouvent dans la bibliothèque, les collections et les archives de A.A. Vorsterman van Oyen ; vijf jaar later gevolgd door een Supplement . Beide delen bevatten lijsten met zo'n 72.000 namen van families waarover hij gegevens bezat. De publikatie van dit overzicht deed het aantal opdrachten voor Van Oyens Genealogisch en Heraldisch Archief sterk stijgen. Ook zijn echtgenote droeg daartoe bij door de 'jours' en 'teas' die zij in hun huis organiseerde. Van Oyen was de eerste die het voorouderonderzoek op deze wijze commercialiseerde.

Op basis van het omvangrijke genealogische materiaal waarover hij de beschikking had, schreef Van Oyen in de loop van de tijd honderden artikelen en boeken. Tussen 1885 en 1890 verscheen zijn magnum opus in drie delen: het Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën . Ondanks de vele fouten en slordigheden zou dit werk - samen met het tweedelige Wapenboek van den Nederlandschen adel (1883-1887) van J.B. Rietstap - decennialang gelden als hèt standaardwerk over vooraanstaande Nederlandse geslachten en als uitgangspunt dienen voor vele genealogische monografieën.

Intussen kreeg Van Oyen een steeds groter aanzien in en buiten de genealogische wereld. Hij werd benoemd tot corresponderend lid van verschillende historische en letterkundige genootschappen en was lid of secretaris van een groot aantal herdenkingscommissies. In januari 1883 behoorde hij tot de oprichters van het Genealogisch-Heraldiek Genootschap 'De Nederlandsche Leeuw', dat het toonaangevende gezelschap op genealogisch gebied zou worden. Van 1885 tot 1905 voerde Van Oyen de redactie van het in 1884 van J.H. Scheffer, te zamen met diens genealogische collectie, overgenomen Algemeen Nederlandsch Familieblad , en tussen 1888 en 1894 redigeerde hij met anderen het Jaarboek van den Nederlandschen Adel .

In 1893 keerde Van Oyen terug naar zijn geboortestreek en vestigde hij zich te Oisterwijk. Ook het Genealogisch en Heraldisch Archief verhuisde mee. Dit documentatiebureau had in 1888 opnieuw een aanzienlijke uitbreiding ondergaan door samenvoeging van de verzamelingen met de collectie van de gebroeders J.D.G en D.G van Epen: in een catalogus uit 1893 werd dan ook trots vermeld dat men over maar liefst 200.000 families gegevens bezat. Toen mededirecteur J.D.G. van Epen in 1895 plotseling overleed, kwam Van Oyen in ernstige financiële problemen, die een jaar later uitliepen op een faillissement. Een deel van de verzameling werd geveild, en D.G. van Epen, die zich al eerder als compagnon uit het Archief had teruggetrokken, begon met de collectie van zijn broer een concurrerend bureau.

Van Oyens werkkracht was echter ongebroken, en in 1899 vestigde hij zich met zijn Archief te Rijswijk. Maar deze nieuwe onderneming was evenmin een lang leven beschoren, en in 1904 werd hij voor de tweede maal failliet verklaard. Door dit tweede faillissement, alsmede door zijn moeilijke karakter en zijn weinig grondige manier van werken werd Van Oyens reputatie zozeer aangetast dat een twaalftal leden van het Genootschap 'De Nederlandsche Leeuw' in juni 1904 een poging deed hem als erelid te royeren. Ook het oude bezwaar dat hij de genealogie 'alleen met het oog op geldelijk voordeel' beoefende, speelde hierbij een rol. De poging mislukte, maar voor Van Oyen, medeoprichter en oud-secretaris van het Genootschap, moet dit wel het dieptepunt in zijn leven zijn geweest.

Wat er na het tweede faillissement van zijn verzamelingen overbleef, werd in mei 1905 ingebracht in de nieuwopgerichte NV Centraal Bureau voor Genealogie en Heraldiek in Den Haag. Van Oyen werd directeur, maar niet voor lang: nog geen half jaar later, op 1 januari 1906, werd hij 'onder voor hem zeer bezwarende omstandigheeden' uit deze functie ontslagen. In de daaropvolgende jaren bleef hij als beroepsgenealoog werkzaam in Den Haag, maar de opdrachten namen af, en ook zijn gezichtsvermogen werd steeds minder. In 1911 volgde een derde faillissement. Een jaar later zou Van Oyen, inmiddels geheel blind geworden, overlijden.

De periodieken van de verenigingen waarvan Vorsterman van Oyen corresponderend lid of erelid was geweest, besteedden nauwelijks enige aandacht aan zijn dood. Achteraf gezien is dit onbillijk. Vanaf omstreeks 1870 tot 1905 gaf Van Oyen immers een krachtige stimulans aan het genealogisch onderzoek in Nederland. Gebrek aan scholing, de beperkte toegankelijkheid van de archieven en de noodzakelijke snelheid van werken, omdat hij daarmee ook de kost moest verdienen voor zijn gezin, waren oorzaak van de slechte reputatie die hij aan het eind van zijn leven had. Mede door zijn inspanningen echter werd de 'geslachtkunde' rond de eeuwwisseling steeds systematischer, en ook al traden juist daardoor de feilen in zijn eigen werk steeds duidelijker aan het licht, niettemin mag Van Oyen als een der grondleggers van de genealogiebeoefening in Nederland worden beschouwd.

A: Delen van het familiearchief-Vorsterman van Oyen berusten bij het Centraal Bureau voor Genealogie te 's-Gravenhage en bij A.G van der Steur te Haarlem.

P: Onvolledige bibliografie tot 1904 in: A.A. Vorsterman van Oyen, Genealogische, heraldische of geschiedkundige werken geschreven door A.A. Vorsterman van Oyen of onder zijne leiding uitgevoerd van 1871-1904 (Rijswijk, 1904). Overzichten van zijn voornaamste publikaties ook in: A.A. Vorsterman van Oyen, Genealogie van het geslacht Van Oyen, Cock van Oyen, Van Oyen zu Fürstenstein en Vorsterman van Oyen (Groningen, 1888) 10-11, en in het onder L genoemde levensbericht van G. Fuldauer.

L: Behalve necrologieën o.a. door G. F[uldauer], in De Navorscher 61 (1912) 411-412, door C.P. Burger jr., in Het Boek. Tweede Reeks van het Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen 1 (1912) 363-364, en door G. Fuldauer, in Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1912-1913 (Leiden, 1913) 174-178: A.G. van der Steur, 'De beoefening van de genealogie in Nederland sedert het midden van de 19e eeuw', in Gedenkboek 1948-1978 [van de] Afdeling Kennemerland van de Nederlandse Genealogische Vereniging (S.l., 1978) 120-147.

I: Genealogie. Kwartaalblad van het Centraalblad voor Genealogie 11 (voorjaar 2005) 17.

A.G. van der Steur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013