Vries [Czn.], Simon de (1869-1961)

 
English | Nederlands

VRIES [CZN.], Simon de (1869-1961)

Vries [Czn.], Simon de, advocaat en politicus (Zaandam 9-1-1869 - Wassenaar 25-9-1961). Zoon van Cornelis de Vries, fabrikant, en Alida Reuriks. Gehuwd op 14-6-1900 met Hendrica Huibertina Johanna van Heijningen. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (3-6-1932) gehuwd op 4-11-1933 met Elisabeth Coster. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Vries [Czn.], Simon de

Aanvankelijk ambieerde Simon de Vries - afkomstig uit een orthodox protestants milieu - een loopbaan in het onderwijs. Daartoe bekwaamde hij zich vanaf 1885 aan de Gereformeerde Kweekschool aan de Keizersgracht in zijn woonplaats, waar hij in 1889 het hoofdonderwijzersdiploma behaalde. In de daaropvolgende vier jaren was De Vries verbonden aan een Amsterdamse lagere school. Na een toelatingsexamen liet hij zich inschrijven als student in de rechten aan de Vrije Universiteit. Ten einde de universitaire examens te kunnen afleggen deed hij in 1895 staatsexamen. Na te zijn geslaagd voor het kandidaatsexamen vervolgde hij in 1896 zijn studie aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij op 2 november 1899 op 25 stellingen promoveerde. Daarop vestigde hij zich als advocaat in de hoofdstad.

Belangstelling voor de politiek leidde in 1901 tot de benoeming van De Vries tot voorzitter van de Antirevolutionaire Kiesvereeniging 'Nederland en Oranje' en zijn verkiezing als lid van de Amsterdamse gemeenteraad voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij toonde zich hier een geducht debater, speciaal tijdens beraadslagingen over het onderwijs, waarbij hij steeds weer opkwam voor de belangen van de protestants-christelijke school. Ook zijn categorische afwijzing van de aanstelling van vrouwelijke leerkrachten trok sterk de aandacht en stuitte bij de niet-confessionele partijen op groot verzet.

Terzelfder tijd maakte De Vries zijn entree in de landelijke politiek. Op 18 november 1902 kwam hij, na een tussentijdse verkiezing in het district Gouda, in de Tweede Kamer, waar hij zitting zou hebben tot 20 september 1905, toen hij niet opnieuw werd gekozen. Op 11 december 1907 keerde hij terug naar het Binnenhof, nu als vertegenwoordiger van het kiesdistrict Sneek. Zijn benoeming tot wethouder van Amsterdam deed hem echter een jaar later voor zijn kamerzetel bedanken. Ook trad hij toen af als voorzitter van 'Nederland en Oranje'. Wel bleef hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, waarvan hij van 1907 tot 1913 deel zou uitmaken.

Als wethouder van Amsterdam beheerde De Vries vanaf mei 1908 de portefeuille van Onderwijs. Ook in deze functie stond hij op de bres voor het bijzonder onderwijs, tot groot ongenoegen van vooral de sociaal-democraten. Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd De Vries wethouder van Gemeentebedrijven en Financiën. Ofschoon de begroting van Amsterdam elk jaar - mede door de oorlogsomstandigheden - moeilijker sluitend kon worden gemaakt, oogstte De Vries als wethouder waardering en respect, ook bij de andere raadsfracties. Zo kreeg hij in 1917 de instelling van een gemeentelijk girokantoor voor elkaar, waardoor het betalingsverkeer aanmerkelijk werd vereenvoudigd.

Ofschoon De Vries reeds langere tijd niet bij de landelijke politiek was betrokken, was men hem in Den Haag kennelijk toch niet vergeten. Bij de kabinetsformatie van 1918 bleek de bezetting van de post van Financiën de grootste problemen op te leveren. Nadat een aantal kandidaten om uiteenlopende redenen had bedankt, benaderde de beoogde kabinetsleider, jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck, De Vries. Hij deed dit op advies van de kandidaat-minister voor Justitie, de ARP'er Th. Heemskerk, die zich De Vries herinnerde uit de periode dat zij te zamen zitting hadden in de Amsterdamse gemeenteraad. Ook had De Vries in 1915 samen met Heemskerk, A. Anema, H. Bavinck en P.A. Diepenhorst de brochure Leider en leiding in de Anti-Revolutionaire Partij geschreven, waarvan de inhoud door de antirevolutionaire voorman A. Kuyper hoog was opgenomen. Na enige aarzeling aanvaardde De Vries het hem aangeboden ministerschap; op 9 september 1918 trad het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck aan.

Het ministerschap van De Vries was niet onomstreden. Zijn beleid, dat voor een belangrijk deel werd bepaald door de financiële problemen waarvoor Nederland na 1918 stond, ontmoette uit de aard der zaak veel weerstand bij de linkerzijde. Daarnaast verspeelde de bewindsman, door zijn opportunistisch optreden en zijn herhaaldelijke dreigen met een kabinetscrisis, ook het vertrouwen van sommige leden van de regeringspartijen. Een min of meer beslissende nederlaag leed De Vries uiteindelijk in mei 1921 bij de behandeling van een belangrijk artikel uit de wet op de grondbelasting. Vijf leden van de rechterzijde steunden bij de eindstemming de oppositie. Toen een maand later de ministerscrisis rond de minister van Oorlog en Marine, W.F. Pop, leidde tot de ontslagaanvrage van het gehele kabinet, maakte Ruijs bij de reconstructie van zijn ministerie aan De Vries duidelijk dat hij niet zou terugkeren, wat de laatste hem niet bepaald in dank afnam. Op 28 juli 1921 droeg hij zijn portefeuille over.

Na zijn kortstondige ministerschap nam De Vries de advocatuur weer op, thans in Den Haag. Daarnaast bleef hij actief in de poltiek. Voor de ARP had hij van 1922 tot 1923 zitting in de Eerste Kamer en van 1931 tot 1941 in de gemeenteraad van Den Haag. Van 1931 tot 1935 was hij hier tevens wethouder van Sociale Zaken en van 1939 tot 1941 wethouder van Gemeentebedrijven. Ook vervulde De Vries functies op sociaal-economisch terrein. Zo werd hij kort na zijn aftreden als minister benoemd tot regeringscommissaris voor het Nederlandsch-Duitsch Credietverdrag, wat bezoeken nodig maakte aan Duitse bedrijven die van de Nederlandse lening voordeel hadden. Totdat dit verdrag door de Duitsers in 1943 zou worden opgezegd, bleef hij als zodanig werkzaam. Van 1924 tot 1942 trad hij nog op als voorzitter van het College van Rijksbemiddelaars, dat arbitreerde bij geschillen tussen werkgevers en werknemers. In november 1945 - hij had geen problemen met de zuivering - trad De Vries definitief uit het publieke leven terug. Hij vestigde zich te Wassenaar, waar hij op hoge leeftijd in 1961 overleed.

Hoewel zijn beleid als minister mogelijk door zijn tijdgenoten te hard is beoordeeld, mag met P.J. Oud worden geconcludeerd dat De Vries in 1918 een taak op zich nam 'die zijn krachten te boven [ging]' (Oud I, 66). Hij maakte vooral in de omgang met het parlement geen vertrouwenwekkende indruk en trachtte met een niet altijd fijnzinnige geestigheid gerezen meningsverschillen te ontwijken. Ook in de Amsterdamse gemeenteraad kon hij, door een weinig flexibele opstelling, tegenstanders èn geestverwanten tegen zich in het harnas jagen. Door zijn grote werkkracht heeft hij echter het beste van zichzelf voor de hoofdstad gegeven. Dat De Vries het aanvankelijk niet begeerde ministerschap boven het met genoegen beklede wethouderschap stelde, moge als tekenend voor zijn plichtsgevoel ten opzichte van zijn land en partij worden opgevat.

P: De houding van antirevolutionaire gemeenteraadsleden tegenover het openbaar onderwijs (Utrecht, 1909).

L: J.A. de Wilde en C. Smeenk, Het volk ten baat. De geschiednis van de A.R.-partij (Groningen, 1949); Th. Schweiger, 'Mr. Dr. Simon de Vries Czn. (1869-1961). Wethouder van Amsterdam', in Ons Amsterdam 15 (1963) 5 (mei) 150-157; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 I (2e dr.; Assen, 1968); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie . I: De geschiedenis van de kabinetsformaties 1918-1924 (Kampen, 1969).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1577.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013