Waterink, Jan (1890-1966)

 
English | Nederlands

WATERINK, Jan (1890-1966)

Waterink, Jan, pedagoog en psycholoog (Den Hulst (O.) 20-10-1890 - Amsterdam 29-11-1966). Zoon van Hendrik Waterink, godsdienstonderwijzer, en Aaltje Timmermans. Gehuwd op 13-5-1914 met Joukje van der Kam. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Waterink, Jan

Jan Waterink kwam ter wereld in een gereformeerd gezin op het Noordoverijsselse platteland. Hij bezocht de christelijke lagere school in Bergentheim en van 1904 tot 1909 het gereformeerd gymnasium te Kampen. Aangezien Waterink in de lijn van zijn vader predikant wilde worden, ging hij hier na het eindexamen studeren aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken. In 1913 deed hij er kandidaatsexamen.

Het jaar daarop - het jaar van zijn huwelijk - werd Waterink als predikant beroepen naar Appelscha. In dit Zuidfriese dorpje schreef hij op verzoek van zijn classis een studie over 'Het godsdienstig leven in Frieslands Zuid-Oosthoek' (in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 18 (1917/1918) 13-33, 66-77), die bij hem een blijvende belangstelling wekte voor volkskunde, volkskarakter en psychologie. Toen hij in 1917 als predikant te Zutphen werd beroepen, volgde hij om die reden anderhalf jaar lang colleges sociale geografie aan de universiteit te Bonn.

Onder invloed van de veelzijdige, gereformeerde theoloog H. Bavinck liet Waterink zich in 1917 inschrijven als student theologie aan de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam. Op 23 maart 1923 promoveerde hij cum laude tot doctor in de godgeleerdheid bij prof. G.Ch. Aalders op het proefschrift Plaats en methode van de ambtelijke vakken . Hierin betoogde Waterink dat voor een wetenschappelijke aanpak van de ambtelijke vakken - ethiek, kerkrecht, predikkunde en catechetiek - die een regionaal gedifferentieerde uitvoering mogelijk zou maken, een empirisch-psychologische methode noodzakelijk was. Zelf had hij een onderzoek naar de catechese uitgevoerd met behulp van een enquête.

Waterink begon zich steeds meer psycholoog en pedagoog te tonen. Zo was hij leraar aan het Christelijk Lyceum te Zutphen van 1920 tot aan zijn vertrek als predikant naar Amsterdam in 1924. Tevens trad hij van 1924 tot 1944 op als hoofdredacteur van het Paedagogisch Tijdschrift voor het Christelijk Onderwijs . Hierin verscheen van zijn hand een serie artikelen over de wijsgerige grondslagen van de opvoedkunde, die hij in 1926 in boekvorm publiceerde. Het was het eerste stuk van een meerdelig werk, onder de bescheiden titel Inleiding tot de theoretische paedagogiek , waarvan het laatste deel verscheen in 1951. Met dit project wilde Waterink in de lijn van de wijsbegeerte van A. Kuyper het fundament leggen voor een calvinistische pedagogiek, inclusief de geschiedenis van het vak en een theorie der opvoeding.

Inmiddels had het Gereformeerd Schoolverband het initiatief genomen om opvoedkunde ook aan de VU te doen doceren, en in 1926 besloot men Waterink te benoemen tot buitengewoon hoogleraar in de pedagogiek in de faculteit der letteren en tevens tot buitengewoon hoogleraar in de catechetiek in de faculteit der godgeleerdheid. In zijn op 8 oktober van dat jaar uitgesproken inaugurele rede Berekening of constructie pleitte hij nadrukkelijk niet alleen voor een principiële, maar ook voor een experimentele aanpak van de opvoedkunde. Beide professoraten zou hij 35 jaar lang, tot aan zijn emeritaat op 1 september 1961, bekleden, met dien verstande dat zijn buitengewone leeropdracht pedagogiek op 15 december 1929 werd omgezet in een ordinariaat in de pedagogiek, pedologie en psychotechniek.

Waterink werkte hard: naast een groot aantal artikelen publiceerde hij in 1927 en 1929 het tweede en derde stuk van zijn Inleiding , en in 1927 richtte hij een Psychotechnisch Laboratorium op. Hier voerde Waterink psychologische tests uit en liet hij studenten - de meesten studeerden voor de akte MO-pedagogiek - praktijk-ervaring opdoen en oefenen. Tevens trad hij vanuit het Laboratorium op als pedagogisch adviseur van het Gereformeerd Schoolverband. Door dit werk werd Waterink - zelf overigens kinderloos - steeds vaker om advies gevraagd over moeilijke en achterlijke kinderen. In 1931 slaagde hij erin een Paedologisch Instituut op te richten, dat twee jaar later met het Laboratorium samenging in het Laboratorium voor Paedologie en Psychotechniek, waarvan Waterink directeur werd. Dit zeer moderne onderzoeksinstituut kreeg een snel groeiende stroom verzoeken om advies en psychotechnisch onderzoek - vooral op het gebied van de beroepskeuze - te verwerken en probleemkinderen te observeren en te behandelen. Hier kwam langzamerhand het zwaartepunt van Waterinks werkzaamheden te liggen. Het Paedologisch Instituut werd in 1941 weer zelfstandig; tijdens de bezetting heeft Waterink er joodse kinderen laten onderduiken. Het psychotechnische, bedrijfspsychologische en beroepskeuzewerk werd in 1946 ondergebracht in het Laboratorium voor Toegepaste Psychologie.

Op basis van dit werk verwierf Waterink een vooraanstaande positie, niet alleen binnen de VU - in 1936/1937 en 1954/1955 was hij rector magnificus -, maar ook daarbuiten. Zo was hij van 1948 tot 1964 lid van de afdeling hoger onderwijs van de Onderwijsraad en van 1930 tot 1955 lid van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks Tucht- en Opvoedingswezen, het belangrijkste adviesorgaan van de regering op het terrein van de kinderbescherming. Verder zat hij in besturen van vele verenigingen op (praktisch) pedagogisch terrein, meestal van gereformeerde snit. Daarbij voerde hij de redactie van enkele tijdschriften, waaronder van 1934 tot 1961 het veel gelezen Moeder. Practisch tijdschrift voor de vrouw in het gezin . Tevens was hij een veel gevraagd spreker en bleef hij zijn leven lang preken.

Een zekere ijdelheid was Waterink niet vreemd. Hij liet zich zijn bekendheid graag aanleunen en trad met veel genoegen in het openbaar op. Met graagte ontving hij eredoctoraten - van de universiteiten van Gent en het Zuidafrikaanse Potchefstroom - en onderscheidingen. Hij voelde zich gepasseerd wanneer een bestuursfunctie of adviseurschap op het brede terrein van zijn activiteiten naar een ander ging, maar merkte eens op dat wanneer hij erbij betrokken raakte, hij er eigenlijk geen tijd voor had. Graag releveerde Waterink ook zijn goede contacten met het Koninklijk Huis. Van zijn hand verscheen in 1948 Onze jonge koningin thuis , een biografie van koningin Juliana, en in 1951 Onze prins in het publiek en binnenskamers , over prins Bernhard. Verder heeft hij enkele prinsessen getest, toen hem om advies werd gevraagd over hun opvoeding.

Waterink deed zich kennen als gematigd vooruitstrevend neocalvinistische voorman. Hij pleitte niet alleen voor modern onderzoek, maar ook voor uitdrukkelijke seksuele opvoeding, zoals in zijn vele malen herdrukte boekje Hoe vertellen we het onze kinderen? uit 1957. Zelf deed Waterink nauwelijks onderzoek, en zijn theoretisch werk heeft hij niet kunnen behoeden voor ernstige kritiek, zowel uit eigen reformatorische kring (H. Dooyeweerd) als van daarbuiten (M.J. Langeveld).

Waterinks voornaamste verdienste voor de wetenschap is geweest dat hij in zijn Laboratorium de gelegenheid schiep tot het doen van onderzoek, dat hij de pedagogiek en psychologie aan de VU heeft gevestigd en dat hij het academisch debat over deze vakken onder gereformeerden heeft gestimuleerd. Waterink behoorde hiermee tot de pioniers van de universitaire pedagogiek in Nederland. Hij oogstte met dit werk waardering van collega-pedagogen van andere universiteiten, omdat het een bijdrage leverde aan de acceptatie van het vak in de Nederlandse academische wereld. Zijn neocalvinistische uitgangspunten vormden daarbij geen bezwaar. Dit laatste blijkt uit de hoge vlucht die het door Waterink gestarte pedagogisch en psychologisch advieswerk ook na 1945 nam, mede gesteund door de wetenschappelijke ontwikkeling van onder meer de klinische psychologie, de testpsychologie en de orthopedagogiek.

A: Archief-J. Waterink in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) van de Vrije Universiteit te Amsterdam.

P: Een overzicht van de belangrijkste publikaties van Waterink in het onder L genoemde werk van Mulder, Beginsel en beroep , 342-344. Een selectie uit Waterinks publikaties in Keur uit de verspreide geschriften van prof.dr. J. Waterink . Samengest. door J.J. Gielen e.a. (Groningen, 1961).

L: L. van Klinken, 'Karakter en betekenis van de paedagogiek van prof.dr. J. Waterink', in Feestbundel uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum als hoogleraar van doctor Jan Waterink (Amsterdam, 1951) 86-95; interview door H. tot den Kattenhof, in Elseviers Weekblad , 15-12-1951; H.R. Wijngaarden, 'Professor dr. J. Waterink ... Een levensschets', in Ten afscheid van dr. J. Waterink, hoogleraar 1926-1961 (Wageningen, 1961) 28-37; herdenkingsartikelen in Trouw , 1-12-1966; C. Sanders en L.K.A. Eisenga, 'De psychologie aan de Vrije Universiteit', in Wetenschap en rekenschap 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit (Kampen, 1980) 484-493; Wiebrand Top, Fijn en frisch. Seksuele voorlichting onder gereformeerden 1900-1965 (Amsterdam, 1988) vooral 176-182; J.C. Sturm, Een goede gereformeerde opvoeding. Over neo-calvinistische moraalpedagogiek (1880-1950), met speciale aandacht voor de nieuw-gereformeerde jeugdorganisaties (Kampen, 1988); Ernst Mulder, 'J. Waterink: pedagoog der kleine luiden', in idem, Beginsel en beroep. Pedagogiek aan de universiteit in Nederland, 1900-1940 (Amsterdam, 1989) 191-227; D. Vogelaar, De betekenis van Waterink in onze tijd. Het streven naar een gereformeerde opvoeding en onderwijskunde (Houten, 1990); Leven en werk van prof.dr. Jan Waterink. Een Nederlandse pedagoog, psycholoog en theoloog (1890-1966) . Onder red. van J.C. Sturm (Kampen, 1991).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1599.

E. Mulder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013