Weersma, Melle (1908-1988)

 
English | Nederlands

WEERSMA, Melle (1908-1988)

Weersma, Melle, musicus en componist (Harlingen 22-1-1908 - Putten (Gld.) 14-9-1988). Zoon van Bauke Weersma, onderwijzer, en Rosette Vlessing. Gehuwd op 3-5-1935 met Antoinette Margaretha Duits (als zangeres bekend onder de naam Ann Royce). Na echtscheiding (16-10-1959) gehuwd op 15-7-1960 met Bernardina Johanna Margaretha Sevenstern. Uit deze twee huwelijken werden geen kinderen geboren.

Van zijn muzikale ouders kreeg de jonge Melle de liefde voor muziek mee. Zijn vader speelde orgel in de Lutherse kerk te Harlingen, leidde een koor en salonorkest, en zijn moeder zong, speelde piano en cello. Toch was vooral zijn vader niet onverdeeld gelukkig met de toenemende belangstelling van de zoon voor de piano en zijn steeds duidelijker tot uiting komende muzikaliteit: muziek moest en zou liefhebberij blijven en geen professionele levensvervulling. Daarom kreeg zijn muzikale ontwikkeling pas echt kans ten huize van zijn grootvader die op Texel woonde, waar het gezin zich later ook zou vestigen. Hier leerde hij zichzelf muziek spelen en - vooral - lezen, het laatste aan de hand van pianolaboeken. Hij ontwikkelde er een verbluffende vaardigheid in. Weersma's schoolleven verliep intussen zeer gevarieerd: een HBS-opleiding in Den Helder, Den Haag en Voorschoten en een zomercursus Frans in Dijon, toen hij zeventien jaar was.

In overeenstemming met de wens van zijn vader ging Weersma in 1927 naar Leiden om farmacie te studeren. Maar hij was al enkele jaren aangetrokken door de jazzrage en stortte zich in het muziekleven. Hij speelde als pianist in amateurbands als 'The Electorians' en schreef arrangementen, die meteen de aandacht trokken, zonder dat hij ooit een speciale opleiding had genoten. Aansluitend vormde hij een eigen amateurorkest, 'The Rainbow Chasers', wat ertoe leidde dat Theo Uden Masman, leider van 'De Ramblers', hem enkele malen inschakelde voor muzikale adviezen. In 1929 kwam de Leidse student in aanraking met de toen beroemde Britse orkestleider Jack Hylton tijdens een concert in Den Haag. Hylton, op zoek naar originele arrangeurs, gaf Weersma toestemming vrijblijvend een arrangement op te sturen van de St. Louis Blues , een klassiek jazznummer van W.C. Handy. Het resultaat viel zo in de smaak dat Hylton hem vast wilde engageren, maar vader Weersma - die voor de studie van zijn zoon vreesde - hield de brief achter. Een tweede brief, maanden later, kwam wel in zijn handen. Hij zegde zijn studie op, pakte zijn koffer en vertrok naar Groot-Brittannië. De plaats bij Hylton bleek inmiddels vergeven, maar Melle Weersma kreeg wel incidentele opdrachten.

In december 1929 werd Weersma - toen meerderjarig - definitief beroepsmusicus. Hij startte in Berlijn bij het orkest van Eugen 'José' Wolff, als pianist en arrangeur. Het werd een harde, maar nuttige leerschool in het beoefenen van allerlei genres amusementsmuziek. Met het orkest maakte hij tournees naar Hamburg, Leipzig en Lausanne. Midden 1930 werkte hij bij de 'Russian North Star' van Gricha Nakchounian, vooral in Hotel des Indes in Den Haag. Eind 1931 vertrok hij weer naar Berlijn, nu speciaal als arrangeur van muziek voor uiteindelijk twintig Duitse films, en na kortstondige verbintenissen bij prominente orkesten werkte hij van 1932 af als pianist bij Max Tak en als organist in theaters van het Tuschinski-concern te Amsterdam. Willy Tuschinski gaf hem de kans een eigen orkest te formeren, de 'Red, White and Blue Aces', een formatie van twaalf musici en een zangeres: Ann Royce, pseudoniem van Antoinette Duits, Weersma's eerste echtgenote. Ondanks het korte bestaan - vijftien maanden - is de band tot heden toe bekend gebleven om zijn muzikale impulsen. Melle Weersma schreef enkele composities, zoals Red Indian Chase en de door hem gespeelde pianosolo Variations in Modern Rhythm . Beide werden nog in 1934 op de plaat vastgelegd en in 1983 herontdekt. De 'Aces' speelden bovendien muziek bij de Nederlandse films Bleeke Bet en Blokkade , beide uit 1934. Met een veelzijdig repertoire maakte de band ook tournees naar Zwitserland en Tsjechoslowakije.

In april 1935 kreeg Weersma alsnog een contract van Hylton, en de 'Aces' werden ontbonden. Hoewel geëngageerd als arrangeur, speelde hij geregeld mee als invaller-pianist. In oktober 1935 ging een deel van het orkest, inclusief de arrangeur, met de 'Normandie' naar Amerika, waar Hylton een Amerikaans orkest formeerde. Tijdens de reis over de oceaan werd een voor die tijd uniek radioconcert uitgezonden zowel naar Groot-Brittannië als naar de Verenigde Staten. Weersma werkte later als arrangeur ook voor Benny Goodman, André Kostelanetz en Duke Ellington.

In 1936 benoemde de BBC Weersma tot opvolger van Benny Carter als eerste arrangeur van het grote dansorkest van Henry Hall. Aansluitend werkte hij voor de orkesten van Bert Ambrose, Louis Levey en anderen en schreef hij de muziek voor enkele films van Alexander Korda en de firma Gaumont en voor shows in het Palladium te Londen. Een poging van onder meer Duke Ellington om Weersma als arrangeur naar Amerika te halen stuitte op de weigering van een werkvergunning. Een aanlokkelijk, maar tegenvallend aanbod om in Brazilië te werken bracht hem ten slotte in 1938 naar Argentinië. Daar zou hij jarenlang met succes werken bij belangrijke orkesten. Ook verzorgde hij talrijke radioprogramma's. Als 'Melle Weersma y su orquestra' maakte hij een reeks plaatopnamen.

Tijdens deze Argentijnse jaren werd Weersma opeens beroemd. Gedurende een verblijf in Londen, begin 1938, schreef hij de Penny Serenade , waarbij Hal Hallifax op zijn aanwijzingen de Engelse tekst maakte. Muziekuitgever Jim Phillips, aanvankelijk weinig enthousiast, besloot maanden later de tekst van de song toch te publiceren, en het lied veroverde prompt de wereld. Binnen een jaar waren van de bladmuziek een miljoen exemplaren verkocht, de tekst is in ettelijke talen uitgegeven, tientallen zangers hebben het lied op de plaat gezet, onder meer Rina Ketty, Tino Rossi, Nat Gonella en in Nederland Willy Derby. Het wordt ook thans nog gespeeld en gezongen.

In 1943 meldde Weersma zich bij de Amerikaanse marine. Als purser op het op de Duitsers veroverde bevoorradingsschip 'Tacoma' voer hij, wegens zijn (onvoltooide) apothekersstudie ook als een soort scheepsarts, twee jaar onder gevaarlijke omstandigheden, eerst heen en weer naar Europa, later in de Pacific. Na de Tweede Wereldoorlog woonde hij, met korte onderbrekingen, tot 1954 weer in Argentinië, ook werkend voor Amerikaanse en Europese opdrachtgevers. Bij een reis door Midden- en Zuid-Amerika in 1951 componeerde hij na bestudering van de folkloristische muziek de Criollo Suite , waarvan de Peruvian Waltz onder de naam van Gaviota wereldfaam kreeg en behield.

Ondanks zijn kosmopolitische inslag en internationale reputatie keerde Weersma in 1954 naar Nederland terug, voorgoed. Hij werkte voor Philips Phonographische Industrie als free-lance adviseur en platenproducent voor de internationale markt. In mei 1961 betrok hij een huis in het Gelderse Putten, waarna hij zijn werk zelfstandig voortzette. Een bijzondere prestatie leverde Weersma in 1963 met de plaat 'UNO's All Star Festival' ten behoeve van het vluchtelingenwerk. Beroemdheden als Louis Armstrong, Maurice Chevalier, Edith Piaf, Bing Crosby, Nat King Cole overreedde hij voor dit doel belangeloos mee te werken.

In hetzelfde jaar startte Melle Weersma met het geven van schoolconcerten. Onder de titel 'Mens en Muziek' verzorgde hij een eigen programma. Dit werk lag hem bijzonder. Tot 1980 heeft hij honderden schoolconcerten in het hele land verzorgd. Weersma's muzikale veelzijdigheid bewoog zich ook op klassiek terrein. Zo componeerde hij een Dixieland Concerto for Jazzband met begeleiding van symfonieorkest en werkte hij van 1965 tot 1967 bij de produktie van een serie plaatopnamen van het Nederlands Kamerorkest. Maar zijn oude liefde voor de lichte muziek ging niet verloren: hij bleef componeren voor nationale songfestivals en voor films en schreef kinderliedjes. De laatste keren dat hij zelf optrad, was toen hij van 1981 tot 1984 jurylid was bij competities voor dixieland-orkesten van de VARA-radio.

Hoewel Weersma in zijn verschijnen als persoonlijkheid soms wat kritisch en formeel aandeed, toonde hij zich juist bij kinderen en amateurs ook mild en zeker met zijn tijd meegaand.

P: 'De geschiedenis der amusementsmuziek', in De Telegraaf , 25-3-1968, 27-3-1968, 4-4-1968, 19-4-1968 en 22-4-1968. Discografie: All Star Festival [Geluidsopname]. Produktie en hoestekst Melle Weersma (uitg. United Nations High Commissioner for Refugees, 1963) 1 grammofoonplaat (99500 DL); Swing van Nederlandsch fabrikaat , deel 1 (1934-'43) [Geluidsopname]. Met zeven opnamen van Melle Weersma and his Red, White and Blue Aces, Melle Weersma pianosolo en Melle Weersma Trio (april-nov. 1934). Hoestekst Herman Openneer (Amsterdam: Granny's Records, 1983); 1 grammofoonplaat (Panachord H 2009 mono). Zie ook: The Dutch jazz & blues discography 1916-1980 . Onder eindred. van W. van Eyle ([Utrecht] 1981) 227.

L: Martin Brink, 'Melle Weersma: een leven vol muziek', in Amersfoortse Courant , 23-3-1963; R. Kalkhoven, 'Leraar van de vederlichte muze', in Katholieke Illustratie , 28-3-1964; Henri Timmermans, 'Melle Weersma is het zwerven moe', in Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant , 16-10-1964; [Piet Beishuizen,] 'Mensen en mensen', in Algemeen Handelsblad , 24-4-1965; Jazz & geïmproviseerde muziek in Nederland . Onder eindred. van W. van Eyle (Utrecht [etc.], 1978); Horst Bergmeier, 'Melle Weersma, pianist-arrangeur-bandleider', in Doctor Jazz Magazine nrs. 118, 119, 120, 121 (sept. 1987 - juni 1988); Nico Jan Groot, 'Hoe een Harlinger muzikant een wereldhit schreef', in Leeuwarder Courant, 22-1-1988.

Frans Oudejans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013