Wensinck, Arent Jan (1882-1939)

 
English | Nederlands

WENSINCK, Arent Jan (1882-1939)

Wensinck, Arent Jan, hoogleraar in de Semitische talen (Aarlanderveen (Z.H.) 7-8-1882 - Leiden 19-9-1939). Zoon van Johan Herman Wensinck, Nederlands hervormd predikant, en Anna Sara Geertruida Vermeer. Gehuwd op 3-10-1912 met Maria Elisabet Daubanton. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Wensinck, Arent Jan

Wensinck leek aanvankelijk de vaderlijke voetsporen te zullen drukken. Vandaar dat hij zich, na het gymnasium te Amersfoort en Leiden te hebben doorlopen, in 1901 aan de Utrechtse universiteit liet inschrijven als student in de theologie. Een jaar later verkoos hij echter zich geheel te wijden aan de studie der Semitische talen en hij zou dat blijven doen tot aan het door hem in 1902 met lof afgelegde kandidaatsexamen. Vanaf juli 1904 zette hij deze studie voort te Leiden, waar de arabisten M.J. de Goeje en C. Snouck Hurgronje de toon aangaven. Op 30 april 1906 legde hij hier cum laude het doctoraal examen af.

Naast het Hebreeuws en Aramees had Wensinck zich ook bekwaamd in het Syrisch en Arabisch. Hij volgde colleges in Berlijn en Heidelberg, en promoveerde vervolgens op 18 maart 1908 met lof in Leiden bij Snouck Hurgronje op het proefschrift Mohammed en de Joden te Medina . De talentvolle jonge doctor was duidelijk bestemd voor het academisch onderwijs, maar ter voorbereiding gaf hij enkele jaren lessen Hebreeuws aan middelbare scholen, terwijl hij sinds 1909 tevens optrad als privaatdocent in de Westarameese dialecten en het Syrisch te Utrecht. In 1912 kwam zijn benoeming tot hoogleraar in het Hebreeuws te Leiden, een ambt dat werd aanvaard met een rede over De beteekenis van het Jodendom voor de andere Semitische volken van Voor-Azië .

Als hoogleraar beperkte Wensinck zich niet tot zijn leeropdracht, maar bleef hij publiceren over de Semitische wereld in het algemeen. Naast filologische studies waren dat vooral werken op het terrein van de godsdienstgeschiedenis, die geregeld verschenen bij de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, waarvan hij sinds 1917 lid was. In het bijzonder trok hem de studie der mystiek, zowel in haar christelijke als in haar islamitische gedaante. Vertalingen uit het Syrisch zagen het licht, zoals Book of the dove van Bar Hebraeus in 1919 en Mystic treatises van Isaac of Nineveh in 1923, terwijl latere werken vooral gericht waren op Ghazzali, de grote 11e-eeuwse Perzische mysticus en geleerde. Voor een ruimer publiek verscheen in 1930 een overzicht Oostersche mystiek: christelijke en mohammedaansche .

Intussen had er een verandering van leerstoel plaatsgevonden: in 1927 volgde Wensinck Snouck Hurgronje op als hoogleraar voor Arabisch, Syrisch en islam. Hij was toen reeds vele jaren bezig met een tweetal projecten die zijn faam als arabist blijvend zouden vestigen. In een vroeg stadium was hij reeds als redactiesecretaris aangetrokken voor de Enzyklopaedie des Islam , die in vijf delen van 1913 tot 1938 verscheen en die tevens in het Frans en Engels werd uitgegeven. Tevens werkte hij samen met enkele andere geleerden aan een omvattend overzicht van de traditieliteratuur van de islam. Zelf publiceerde Wensinck op basis van het verzamelde materiaal een tweetal werken, namelijk in 1927 A handbook of early Muhammadan tradition... en vijf jaar later The muslim creed . In 1933 werd een begin gemaakt met de afleveringen van de geheel in het Arabisch geredigeerde Concordance et indices de la tradition musulmane , waarvan in totaal zeven delen zouden verschijnen. Dit werk zou pas in 1969, dertig jaar na Wensincks dood, door anderen worden voltooid. In zijn latere jaren voegde hij aan zijn veelzijdige activiteit nog toe de bestudering van de Aramese achtergrond van de taal van het Nieuwe Testament.

Wensinck voelde zich steeds verbonden met de Nederlandse hervormde kerk, maar pas in de jaren dertig bemoeide hij zich als belijdend lidmaat nadrukkelijk met kerk en geloof. Zijn gewonnen inzicht in het belang van de liturgie mondde in 1939, kort voor zijn overlijden, uit in een brochure over De Nederlandsch-Hervormde Kerk en de Gemeente van Christus .

Wensinck leidde een kalm bestaan als geleerde, die zijn voornaamste ontspanning vond in de muziek. Als persoon was hij het tegendeel van de avontuurlijke Snouck Hurgronje, met wie hij overigens de hechte band had van de gezamenlijke belangstelling voor de islam. Binnen de kring van zijn vakgenoten genoot Wensinck internationaal aanzien.

P: Bibliografie in Semietische studiën uit de nalatenschap van prof.dr. A.J. Wensinck .... Onder red. van H. Kraemer [e.a.] (Leiden, 1941) 9-12.

L: Virginia Vacca, in Oriente moderno 19 (1939) 673-675; G. van der Leeuw, in Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom , 6-10-1939; Ph.S. van Ronkel, in Almanak van het Leidsche Studentencorps 1940 (Leiden, 1939!) 91-92; C. van Arendonk, in Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en Rijnland 1940 (Leiden, 1940) 81-82; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1940 (Leiden, 1940) 76-77; J. Pedersen, in Acta orientalia 18 (1940) 161-163; J. Huizinga, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1939-40 (Amsterdam, 1940) 214-224; M. Black, 'Appendix C. The unpublished work of the late A.J. Wensinck of Leiden', in An Aramaic approach to the gospels and acts (3e dr.; Oxford, 1967) 296-304; W.C. van Unnik, `Professor A.J. Wensinck en de studie van de oosterse mystiek', in Woorden gaan leven. Opstellen van en over Willem Cornelis van Unnik . Onder red. van A.J. Bronkhorst [e.a.] (Kampen, 1979) 238-263; lemma door J. Waardenburg, in The encyclopedia of religion XV (New York [etc.], 1987) 369-370.

I: Jaarboek der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1939-1940 (Amsterdam 1940) Afbeelding tegenover pagina 215.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013