Westerling, Raymond Paul Pierre (1919-1987)

 
English | Nederlands

WESTERLING, Raymond Paul Pierre (1919-1987)

Westerling, Raymond Paul Pierre, (bekend onder de naam De Turk), legerofficier (Pera (Turkije) 31-8-1919 - Purmerend 26-11-1987). Zoon van Paul Roe Westerling, handelaar in antiek en curiosa, en Sophie Moutzatzou. Gehuwd circa 1942 met Marjorie Edna Lilian Sowter. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na echtscheiding (?) gehuwd op 25-3-1949 met Fernande Yvonne Fournier. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na echtscheiding (7-9-1965) gehuwd op 12-7-1971 met Adriana Martina Vleesch Dubois. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Westerling, Raymond Paul Pierre

Raymond Westerling groeide op in Pera, een voorstad van Istanboel, waar zijn familie van vaderszijde reeds gedurende drie generaties woonachtig was. Vandaar zijn latere bijnaam 'De Turk'. Raymonds moeder was een Griekse, en het gezin maakte deel uit van de Griekse gemeenschap in de stad. Hij bezocht een Franstalige kostschool van de jezuïeten en had na zijn schooltijd enkele baantjes in het bedrijfsleven.

Als Nederlands staatsburger meldde Westerling zich in 1941 op 21-jarige leeftijd voor het Nederlandse leger in Groot-Brittannië. Hij werd ingelijfd bij de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton, maar het beviel hem daar allerminst. Hij blaakte van strijdlust en kon zich niet schikken in het garnizoensleven, dat zijns inziens louter uit wachtdienst en corvee bestond. Daarom gaf hij zich op voor de commando-opleiding, waarmee de Britten in Schotland een begin hadden gemaakt. In hoog tempo kreeg Westerling een volledige commandotraining. Al snel werd hij bevorderd tot sergeant-instructeur, belast met de opleiding in 'unarmed combat' en 'toughness training'. In 1944 volgde zijn benoeming tot sergeant voor speciale diensten en werd hij ter beschikking gesteld van het Bureau Bijzondere Opdrachten, een organisatie die agenten opleidde voor geheime acties in bezet Nederland. Als zodanig is hij echter nooit ingezet. In oktober van dat jaar werd Westerling aangesteld als instructeur van de Nederlandse oorlogsvrijwilligers in bevrijd gebied. Vijf maanden later raakte hij ernstig gewond door een V-1 inslag bij Breda. Toen hij was hersteld, was de strijd in Europa voorbij. Gevechtservaring op het slagveld heeft hij dus tijdens de oorlog niet opgedaan.

In juni 1945 meldde Westerling zich voor de strijd in Nederlands-Indië. Hij ging over naar het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), werd benoemd tot reserve tweede luitenant en geplaatst bij het Korps Insulinde, dat op Ceylon deel uitmaakte van Force 136, een organisatie voor het uitvoeren van onder meer commandoacties op vijandelijk gebied. Na de Japanse overgave op 15 augustus zond het geallieerd opperbevel hem met andere leden van het Korps Insulinde naar Sumatra om daar hulp te verlenen aan krijgsgevangenen en geïnterneerden in door Japan bezet gebied. Medio september kwam hij aan in Medan ter versterking van de reeds eerder voor dit doel uitgezonden groep van reserveluitenant-ter-zee eerste klasse C.A.M. Brondgeest. Deze laatste droeg hem op een militair politiekorps te organiseren, bestaande uit Ambonezen, Menadonezen en Indo-Europeanen. Westerlings faam dateert uit deze chaotische en gewelddadige maanden. Tijdens geheimzinnige nachtelijke acties maakte hij met zijn Ambonese ondergeschikten jacht op 'terroristen'. Zijn activiteiten waren de Britten, die eind oktober in dit gebied waren aangekomen, een doorn in het oog. Zij drongen aan op opheffing van de door Westerling opgezette inheemse politie en op zijn verwijdering uit Medan. In juni 1946 werd hij overgeplaatst naar Batavia. Het leek erop alsof zijn militaire carrière was geëindigd.

Kort daarop vroeg men hem echter de leiding op zich te nemen van het Depot Speciale Troepen (DST), een commando-eenheid in oprichting. Met enthousiasme stortte hij zich op zijn nieuwe taak: de opleiding en instructie van het voornamelijk uit inheemse militairen bestaande Depot. Eerder dan hij verwachtte, werd een beroep gedaan op de commando's. In december 1946 vertrok hij in opdracht van de legercommandant in Nederlands-Indië, luitenant-generaal S.H. Spoor, met 130 man naar Zuid-Celebes om het gebied rond Makassar te zuiveren. Zijn opdracht luidde: de Republikeinse terreur in Zuid-Celebes beëindigen en de rust herstellen. Op welke wijze dit gebeurde werd aan hemzelf overgelaten. Hij introduceerde een nieuwe aanpak, die bestond uit de volgende onderdelen. Verdachte kampongs werden tijdens de nachtelijke uren omsingeld en bij het aanbreken van de dag overvallen. Personen in het bezit van wapens werden onmiddellijk gedood en huizen waarin men wapens aantrof in brand gestoken. De inwoners werden bijeengedreven, verdachte personen ('terroristen') uit de menigte gehaald, 'veroordeeld' en ter plekke gefusilleerd. Ten slotte riep hij een kampongpolitie in het leven voor de toekomstige ordehandhaving. Een gerechtelijk onderzoek vond niet plaats. Westerling ging bij de schuldvraag af op zijn gevoel, of raadpleegde een meegenomen lijst met namen van 'extremisten'. Zijn methode kwam bekend te staan als die van het standrecht. Het optreden van het DST, volgens deze door Westerling bedachte contra-guerrillamethode, kostte ongeveer 1500 mensen het leven. De zuiveringsacties, tijdens welke hij bevorderd werd tot reservekapitein, duurden van 10 december 1946 tot 21 februari 1947.

'Celebes' maakte hem in één klap de meest controversiële officier in het leger: bejubeld als militair die uitvoerde wat anderen niet durfden, verguisd als oorlogsmisdadiger, die Gestapomethoden toepaste op een volk dat voor zijn vrijheid vocht. De legerleiding in Batavia gaf Westerling carte blanche om zijn DST verder te versterken, maar met de beperkende voorschriften de manschappen beter in de hand te houden, geweldsexcessen te voorkomen en het standrecht niet meer toe te passen. Onder Westerlings leiding groeide het DST uit tot ongeveer 800 man en werd het gereorganiseerd tot het Korps Speciale Troepen (KST). Perioden van training werden afgewisseld met intensieve zuiveringsacties, nu op Java en Sumatra.

De strijdwijze van het Korps, die gekarakteriseerd kan worden als een vorm van contraterreur, riep evenwel steeds meer weerstand op. Westerling bleek niet in staat de toenemende kritiek op de excessieve gewelddaden van zijn ondergeschikten te ontzenuwen. Zijn positie als commandant werd onderwerp van bespreking in de legertop. In augustus 1948 besloot generaal Spoor hem van zijn commando te ontheffen. Ondanks waardering voor zijn successen te velde, achtte Spoor hem als leidinggevend officier mislukt. Hij mocht blijven als hoofdinstructeur van het Korps, maar voor die eer bedankte Westerling. Op 16 november droeg hij het commando over, en in januari 1949 werd hem groot verlof verleend. Dit betekende het einde van zijn militaire carrière.

Westerlings rol bleek echter allerminst uitgespeeld. Hij vestigde zich met zijn gezin in de buurt van Bandoeng en begon een transportonderneming met oude, van het KNIL overgenomen legertrucks. Hij onderhield contact met verschillende KNIL-officieren, met onderofficieren en manschappen van het KST en met politici van de Westjavaanse deelstaat Pasoendan. In de loop van 1949 deed het gerucht de ronde dat hij de leider was van een omvangrijke legermacht onder de naam APRA (Angketan Perang Ratu Adil: 'Legioen van de Rechtvaardige Vorst'). Zowel aan Nederlandse als aan Indonesische zijde werd hieraan geloof gehecht, zodat Westerling, vermoedelijk ook tot zijn eigen verrassing, plotseling werd beschouwd als een machtsfactor van betekenis. Zijn 'leger' bestond overigens grotendeels in de fantasie; APRA telde slechts enkele honderden personen: weggelopen ondernemingswachters, ex-politiemannen en dergelijke.

Na weken van opgeklopte spanning begon hij op maandag 23 januari 1950, nog geen maand na de soevereiniteitsoverdracht, een aanval op Bandoeng, waaraan behalve de bovengenoemde APRA-leden ook circa 300 KNIL-militairen deelnamen. Het doel van de coup was het Indonesische leger uit te schakelen, het bewind van president Soekarno omver te werpen en te vervangen door een nieuwe regering, die het bestaan van de deelstaten zou respecteren. Het werd een fiasco door de amateuristische opzet en het uitblijven van steun. Westerling zelf, met slechts een tiental mannen naar Djakarta vertrokken, kon niet anders doen dan onderduiken. Een maand lang trok hij van het ene naar het andere onderduikadres om uit handen van de Indonesische autoriteiten te blijven.

Toen duidelijk werd dat verder verblijf in Indonesië ernstige repercussies zou kunnen hebben, besloot de Nederlandse legerleiding Westerling in het geheim te evacueren. Met behulp van de Koninklijke Marine, die overigens door de legerleiding niet was ingelicht over het doel van de hulp, kon hij heimelijk het land verlaten en naar Singapore ontkomen. Daar werd hij door de Britten wegens illegale grensoverschrijding gearresteerd en zat hij vervolgens zes maanden gevangen. Na zijn uitwijzing uit Singapore vestigde hij zich in augustus 1950 te Brussel. Vertegenwoordigers van de Republiek der Zuid-Molukken en de Stichting 'Door de Eeuwen Trouw' zochten contact met hem voor het uitvoeren van een militaire actie op Ambon of Ceram. Westerling reisde ervoor naar Frankrijk, Tanger en Marokko, maar het plan liep op niets uit. Uiteindelijk kwam hij in 1952 naar Nederland, werd gearresteerd, maar reeds dezelfde dag vrijgelaten. Nadat hij nog vele malen was verhoord, werd de zaak-Westerling op 5 januari 1955 geseponeerd.

Inmiddels was het voor Westerling, na zijn dertigste jaar, moeilijk in de burgermaatschappij een vaste en bevredigende positie te vinden. Hij behoorde tot de militairen die na een intens beleefde diensttijd er niet in slagen lijn in hun leven te brengen. Het bleef bij plannen en goede voornemens. Zo was er een poging operazanger te worden, waarvoor hij een beurs van het ministerie van Onderwijs kreeg. Lange tijd was hij (mede)eigenaar van een Indisch antiquariaat in Amsterdam. Zijn laatste levensjaren werden versomberd door een gevoel van miskenning. De aandacht voor zijn daden in Indië werd alleen levend gehouden door de sinds 1969 regelmatig terugkerende discussie over zijn optreden op Celebes en de kwestie van de Nederlandse oorlogsmisdaden.

Westerling is een van de meest besproken militairen uit de Nederlandse geschiedenis. Hij was een man met een hang naar actie en avontuur, een krachtige persoonlijkheid met een zeker charisma, geneigd tot overmoedige soloacties, vol bravoure, trots op zijn fysieke kracht en doortastendheid, een onhollands machotype. Een goed verteller, een nog beter drinker, een man die genoot van de verhalen die over hem werden verteld. De mythevorming rond zijn figuur kon hij overigens gerust aan anderen overlaten. In het militaire apparaat behaalde hij vooral succes als instructeur en opleider, minder als commandant van het KST. Hij paste, wat dit betreft, slecht in de militair-hiërarchieke verhoudingen en trad te individualistisch en te vrijmoedig op. In de politiek bleef hij meer dan naïef. Met grote hardnekkigheid verdedigde hij achterhaalde politieke concepten. Als commandant van het KST en als pleger van de coup te Bandoeng werd hij in de eerste plaats het slachtoffer van eigen overmoed en ongeduld.

A: Collectie 'Westerling en de coup te Bandung' bij de Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf te 's-Gravenhage; Archief Hoofdkwartier van de Generale Staf in Nederlandsch Oost-Indië 1945-1950 in het Centraal Archievendepot van het ministerie van Defensie te 's-Gravenhage; Archief ministerie van Koloniën etc. en Archief-D.C. Buurman van Vreeden, beide in de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Mijn memoires... (Antwerpen [etc., 1952]).

L: Interview door J. van Tijn in Vrij Nederland , 8-2-1969; 'Nota betreffende het archievenonderzoek naar gegevens omtrent excessen in Indonesië begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945-1950', in Verslag der handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gedurende het zittingsjaar 1968-1969 ('s-Gravenhage, 1969) bijlage 10008; [Dominque Venner,] Westerling, 'de eenling' (Amsterdam, 1982). Vertaling uit het Frans en bewerking van Westerling, guérilla story (Parijs, 1977); J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Het Nederlands/Indonesisch conflict. Ontsporing van geweld (2e, aangev. dr.; Dieren, 1983); Willem IJzereef, De Zuid-Celebes affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies (Dieren, 1984); J.G. de Beus, Het laatste jaar van Nederlands-Indië. Van de zwaardhouw der tweede politionele actie tot de handtekening onder de souvereiniteitsoverdracht (Rotterdam, 1987) 148-162; J.A. de Moor, 'Het Korps Speciale Troepen: tussen marechaussee-formule en politionele actie', in De politionele acties . Onder red. van G. Teitler en P.M.H. Groen (Amsterdam, 1987) 121-143; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog XII (Leiden, 1988) 1015-1034, 1062-1065; J.A. de Moor, 'Kapitein Westerling en de APRA-coup. Het einde van een mythe', in De politionele acties. Afwikkeling en verwerking . Onder red. van G. Teitler en J. Hoffenaar (Amsterdam, 1990) 45-60; idem, 'Van vrije jongen tot ratu adil. De memoires van kapitein Raymond Westerling', in Indische Letteren 8 (1993) 171-180, J.A. de Moor, Westerling's oorlog. IndonesiĆ«, 1945-1950. De geschiedenis van de commando's en parachutisten in Nederlands-IndiĆ«, 1945-1950 ( Amsterdam 1999).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 41479 [Westerling in november 1969].

J.A. de Moor


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013