Zandt, Pieter (1880-1961)

 
English | Nederlands

ZANDT, Pieter (1880-1961)

Zandt, Pieter, predikant en politicus (Stedum (Gr.) 6-3-1880 - Delft 4-3-1961). Zoon van Pieter [Pieters] Zandt, boer, en Hillechien [Pieters] Boerema. Gehuwd op 19-4-1906 met Jantienne Gerharda Helene Pruissen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Zandt, Pieter

Pieter Zandt volgde in zijn geboorteplaats de lagere school en bezocht vervolgens van 1894 af het gereformeerde gymnasium in Kampen. Met het daar behaalde diploma op zak liet hij zich in 1900 - daartoe vooral aangespoord door zijn moeder - inschrijven als student in de theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Aanvankelijk geraakte de jonge Zandt onder invloed van de theorieën van L.N. Tolstoj en G.W.F. Hegel, die zich in godsdienstig opzicht van de orthodox-gereformeerde leer onderscheidden, door de mens en diens eigen kunnen centraal te stellen en daarbij God en het gezag van de Bijbel duidelijk minder betekenis toe te kennen. Na een plotselinge en ingrijpende bekering in 1902 zou Zandt de denkbeelden van Tolstoj en Hegel de rug toekeren, hen later zelfs 'ongeloofsmannen' noemen. Vanaf dit moment wijdde hij zich geheel aan de gereformeerde leer. Zijn levensdevies was dienovereenkomstig: 'Niets uit mij, maar alles uit Hem'.

Na het afleggen van het proponentsexamen in november 1905 werd Zandt beroepbaar gesteld in de Nederlandsche Hervormde Kerk, en in april 1906, kort na zijn huwelijk, deed hij intrede in de hervormde gemeente van Kamperveen. Gedurende bijna twintig jaar zou hij het ambt van predikant bekleden: na zijn eerste gemeente volgden van 1909 tot 1910 Loon op Zand, vervolgens tot 1915 IJsselmuiden-Grafhorst, daarna tot 1919 Ede en ten slotte tot 1925 Delft. In dit laatste jaar werden hem de rechten van een emeritus-predikant verleend, omdat hij toen zitting kreeg in de Tweede Kamer.

In 1922 was Zandt toegetreden tot de vier jaar eerder opgerichte Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), omdat hij - zoals zovele andere orthodoxe hervormden en gereformeerden - zich niet (meer) in de bestaande grote protestants-christelijke politieke groeperingen als de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) thuisvoelde. Al na een jaar werd Zandt tot lid van het partijbestuur gekozen, en op 15 september 1925 kwam hij in de Tweede Kamer, waar hij samen met het zittende lid G.H. Kersten de SGP-fractie ging uitmaken.

Tot de Tweede Wereldoorlog stond Zandt in de schaduw van de dominante Kersten, een van de oprichters van de SGP. In deze periode hield hij zich vooral bezig met zaken betreffende politie en justitie, alsmede met de principiële wetgeving. Zo sprak hij veel over de ontheiliging van Gods naam en van de zondagsrust, de vaccinatiedwang, de verplichte verzekering en de staatsloterij, thema's waarvan hij zich - evenals Kersten - een hartstochtelijk tegenstander verklaarde. Ook had Zandt met zijn fractievoorzitter een uitgesproken afkeer van elke mogelijke toenadering tot de Rooms-katholieken. Juist de samenwerking op staatkundig terrein van ARP en CHU met de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) was de SGP een doorn in het oog en was mede een reden voor de opvallend constante kiezersaanhang, die zich in deze jaren tussen 2 en 2? % van het aantal uitgebrachte stemmen bewoog.

Opzien baarde Zandt in 1931 toen hij, sprekend in de Tweede Kamer bij de begroting van Buitenlandse Zaken, ernstig in verzet kwam tegen het Nederlandse lidmaatschap van de Volkenbond, omdat 'het grondbeginsel ... niet ontleend [is] aan het eeuwig blijvend Woord van God, maar aan het gezag van de menschelijke rede' (Handelingen Tweede Kamer (1931/1932) 643). In soortgelijke bewoordingen liet hij zich na de oorlog ook uit over de Verenigde Naties.

Nadat Zandt Kersten in 1946 was opgevolgd als fractieleider en partijvoorzitter, vestigde hij de aandacht op zich door zeer volhardend de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië te blijven afwijzen. De politiële acties van 1947 en 1948, waartoe de Nederlandse regering had besloten, ondervonden zijn hartelijke instemming, al vond hij het tegelijkertijd een onbegrijpelijke zaak dat het kabinet met Soekarno bleef onderhandelen. Zandt beschouwde deze leider van het Indonesische verzet, op grond van diens houding jegens de Japanners in de oorlog, een collaborateur. Tot en met de uiteindelijke stemming in de Kamer bleef hij zich tegen de soevereiniteitsoverdracht verzetten.

Naast het lidmaatschap van de Tweede Kamer vervulde Zandt nog andere functies. Zo was hij sinds 1946 voorzitter van de SGP, trad hij vanaf september 1945 op als hoofdredacteur van het partijorgaan De Banier , had hij sedert 1930 zitting in de Provinciale Staten van Zuid-Holland en maakte hij vanaf 1927 deel uit van de gemeenteraad van Delft. Al deze functies bekleedde Zandt, evenals het kamerlidmaatschap, tot aan zijn dood in 1961. Tevens ging hij, ook tijdens zijn emeritaat, nog voor in talloze kerkdiensten, waarbij hij telkens weer de nadruk legde op het verzoenend lijden en sterven van Christus.

Niettegenstaande zijn meer dan 35 jaar durend kamerlidmaatschap is Zandt, op een enkele uitzondering na, nooit sterk op de voorgrond getreden. Ofschoon hij op de voor de SGP principiële vraagstukken volstrekt met Kersten harmonieerde en vooral diens anti-Roomse politiek na de oorlog voortzette, reikte zijn invloed niet zover als die van zijn voorganger. Daarvoor was Kerstens positie binnen de Gereformeerde Gemeenten ook veel dominanter dan de plaats die Zandt in de Nederlandsche Hervormde Kerk innam. Tijdens de economische recessie van de jaren dertig nam Zandt een mildere positie in dan Kersten ten opzichte van de werklozen. Terwijl laatstgenoemde in feite uitging van het principe 'wie niet werkt, zal ook niet eten' had zijn hervormde partij- en ambtgenoot meer aandacht voor de nood die er bij een groot gedeelte van de bevolking heerste. Zijn kamerredevoeringen, hoe principieel en consequent ook, leden onder het euvel soms volkomen buiten de vraagstukken van zijn tijd te staan. Een commentaar bij zijn overlijden in 1961 luidde dan ook: 'In ds. Zandt daalt een typisch stukje oeroud Nederland ten grave' (Het Parool , 6-3-1961).

P: Verzamelde geschriften van ds. P. Zandt (3 dln.; Veenendaal, 1980-1986).

L: P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 III-VI (2e dr.; Assen, 1968); J.J.B. Stap, De SGP voor 1940 [Utrechtse Historische Cahiers 6 (1985) no. 3] (Utrecht, 1985); C.S.L. Janse, Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden (Houten, 1985); 'Ds. P. Zandt (6 maart 1880 - 4 maart 1961)', in In het spoor 10 (1986) 2 (mei) 23-26; W. Fieret, 'Levensschets', in Verzamelde geschriften van ds. P. Zandt III (Veenendaal, 1986) 15-60; lemma door H. Florijn, Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme III (Kampen, 1988) 411-412; W. Fieret, De Staatkundig Gereformeerde Partij, 1914-1918. Een bibliocratisch ideaal (Houten, 1990); Jan Pieter Zwemer, In conflict met de cultuur. De bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de twintigste eeuw (Kampen, 1992); W.Chr. Hovius [e.a.], Van Goedertierenheid en Trouw. 75 jaar Staatkundig Gereformeerde Partij, 1918-1993 ('s-Gravenhage, 1993).

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [23-5-2007].

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013