Bähler, Louis Adriën (1867-1941)

 
English | Nederlands

BÄHLER, Louis Adriën (1867-1941)

Bähler, Louis Adriën, Nederlands-hervormd predikant (Kesteren (Gld.) 2-10-1867 - Paterswolde (Dr.) 22-3-1941). Zoon van Louis Henri Antoine Bähler, Nederlands-hervormd predikant, en Johanna Maria Adriana Tieleman. Gehuwd op 2-6-1894 met Gesina Boerma (1874-1953). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Bähler, Louis AdriënLouis Bähler stamde uit een oorspronkelijk uit het Zwitserse Lausanne afkomstig predikantengeslacht; zijn overgrootvader was Louis Henri Bähler, één van de voormannen van het Réveil. Louis groeide op als enig kind in een gezin waarin kunst en cultuur een belangrijke plaats innamen. Vader Bähler was achtereenvolgens predikant in Kesteren in de Betuwe, in Oosterwolde op de Veluwe en in het West-Brabantse Lage Zwaluwe; vanaf 1881 stond hij in Groningen. Louis volgde eerst onderwijs aan het Instituut voor Onderwijs 'Van Kinsbergen' te Elburg en vervolgens aan de gymnasia in Dordrecht en Groningen. In de laatstgenoemde stad ging hij in 1886 theologie studeren.

Bähler bleek een pientere jongen met een vlotte pen. Hij schreef in zijn studententijd gedichten - waaronder het autobiografische Het een en ander in dicht en ondicht uit mijn studententijd (1892) - en enkele toneelstukken. In deze literaire vingeroefeningen neigde hij tot satire en het kolderieke. Ironische en satirische humor zouden in al zijn publicaties een grote rol blijven spelen, maar de ondertoon was altijd ernstig, soms zelfs grimmig. Bählers ernstige levenshouding kwam reeds dadelijk tot uitdrukking in zijn optreden als overtuigd bestrijder van drankgebruik en zijn - weinig succesrijke - pogingen om te komen tot een 'rein-leven' beweging onder de Groningse medestudenten en hoogleraren.

Na tussentijds nog een semester in Straatsburg theologie te hebben gestudeerd, promoveerde Bähler op 5 juli 1893 bij prof. G. Wildeboer in Groningen op een historisch-kritische studie: De Messiaansche heilsverwachting en het Israëlietisch koningschap . Zijn werkelijke belangstelling was evenwel niet zozeer gericht op de bestudering van het Oude en Nieuwe Testament, maar op het geloof in een mystieke essentie, geleefd en beleefd in een hoog-zedelijke levenswandel. Bähler behoorde met zijn opvattingen tot de christen-anarchisten, die dachten en leefden in de geest van L.N. Tolstoj, wiens werk hij als student had leren kennen.

De christen-socialisten of Tolstojanen legden alle nadruk op de vrijheid van het individu en diens innerlijke zedelijke en sociale motivatie om tot een betere wereld te komen. Hun levensstijl betekende: geen drank, geen vlees, absolute geweldloosheid. Ze waren tegen vivisectie en kwamen op voor de vrouw als volstrekt gelijkwaardig aan de man. Ten diepste werd de seksualiteit zelf als een 'lagere' begeerte beschouwd, iets waar men bovenuit moest groeien. Bählers huwelijk met de Groningse boerendochter Gesina Boerma, die zijn interesses en morele opvattingen deelde, zou bewust kinderloos blijven. Deze levensstijl zou later ook worden gepropageerd in de in 1901 mede door Bähler opgerichte Rein Leven Beweging.

In 1893 kreeg Bähler een forse aanvaring met de overheid. Hij had in een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden de heropening geëist van een onderzoek naar financiële onregelmatigheden in het weeshuis 'Neerbosch' te Nijmegen. Er volgde een aanklacht wegens smaad, die hem een boete van ƒ 25 en bijna de toegang tot het predikantschap kostte. Pas in oktober 1895 kon hij als predikant bevestigd worden in de hervormde gemeente te Schiermonnikoog. Daar maakte hij naam met lezingen voor de eilandbewoners over de natuur en over de Indische mystiek en het boeddhisme, waarin hij zich intensief verdiepte.

Bähler was een regelmatige scribent en redacteur van diverse periodieken, onder andere de tijdschriften Onze Kring. Weekblad voor vrijzinnig-godsdienstige demokraten en An-archie . Hij schreef veel over het militarisme en de gewetenloosheid van de staat in dezen, die - zoals hij in een artikel in het Arbeiders Weekblad (6-7-1901) betoogde - geen 'dispensatie' verleende aan dienstweigeraars, maar zelf 'dispensatie' nam van alle normen en waarden die hij zei te willen bewaken. In 1897 werd Bähler medeoprichter van het tijdschrift Vrede. Orgaan tot bespreking van de praktijk der liefde , alsmede van de gelijknamige drukkerij annex uitgeverij, die aanvankelijk in Den Haag en later in Blaricum gevestigd was. Belangrijke geestverwanten en medeoprichters waren de christen-anarchisten jhr. F.L. Ortt en L. van Mierop. Zij vonden elkaar in een vredesbeweging, de Internationale Broederschap.

In 1902 nam Bähler een beroep aan naar Oosterwolde in Friesland, waar hij zeven jaar lang met veel genoegen zou blijven; men droeg hem hier op handen. In 1904 werd hij door het provinciaal kerkbestuur van Friesland aangeklaagd bij de synode wegens een voorwoord in een door hem uit het Duits vertaald geschriftje Het 'christelijke' barbarendom in Europa (1903). Bähler schreef daarin dat het christendom nog wel wat kon leren van het boeddhisme. Een heftige kerkelijke strijd volgde, die uiteindelijk in 1905 door de synode in het voordeel van Bähler werd beslist. Deze vrijspraak was de directe aanleiding tot de oprichting van de Gereformeerde Bond tot vrijmaking van de Nederlandsche Hervormde Kerk op 18 april 1906 te Utrecht. In zijn verweer tegen de aanklacht had Bähler overigens minder naar het boeddhisme verwezen dan wel zijn eigen visie op het geloof naar voren gebracht. Hij noemde dit het johaneïsche christendom, dat omschreven zou kunnen worden als theosofisch-gnostisch. Ook in dit opzicht waren zijn naaste geestverwanten Ortt en Van Mierop. Toen de laatstgenoemde in 1907 de stichting Het Ingekeerde Leven oprichtte, werd Bähler secretaris. Samen namen zij deel aan de Gemeenschap van Johannes den Evangelist in Nederland, een mystiek georiënteerde bijbelstudiekring. In 1905 werd naast het tijdschrift Vrede het Vrede-Tijdschrift - in 1907 omgedoopt tot De Vrije Mensch - opgericht. Ook hierbij was Bähler als redacteur betrokken.

In 1909 vertrok Bähler uit Oosterwolde naar Aduard. Maar al in februari 1911 legde hij vervroegd het ambt neer, na een felle botsing met de kerkenraad over zijn barmhartige houding jegens een zedendelinqent. Hij besloot nu geen beroep meer aan te nemen. Met zijn vrouw verhuisde hij naar het landgoed 'Lemferdinge' te Paterswolde. Wegens gebrek aan inkomsten begon Bähler in samenwerking met de plaatselijke huisarts een iriscopistenpraktijk, naar verluidt met redelijk succes. In 1914 verscheen er een bundel van eerder gepubliceerde artikelen, waarin hij min of meer de balans opmaakte van zijn persoonlijke ontwikkeling en opvattingen tot dusver: Geestdrift en verontwaardiging. Evolutionaire en revolutionaire uitingen . In het voorwoord gaf hij de invloed aan die de theosofie op hem had gehad, zelfs als een bedreiging voor zijn maatschappelijk engagement, een bedreiging die hij te boven was gekomen in het besef dat zijn socialisme, anarchisme en antimilitarisme nog onverkort in hem leefden, zonder dat dit aan zijn theosofische overtuiging tekort behoefde te doen. In november 1915 werd de vredesbeweging nog eens opnieuw opgericht onder de naam: het Vrije Menschen Verbond.

In datzelfde jaar organiseerden Bähler en anderen een bijeenkomst om actie te ondernemen tegen de militaire geest die zich, naar zij meenden, meester had gemaakt van Nederland. Door een groep van zeventien antimilitaristen - onder wie ook Bart de Ligt en Henriëtte Roland Holst-van der Schalk - werd het Dienstweigerings-Manifest in de definitieve vorm opgesteld: een directe oproep tot dienstweigering, waarvoor Bähler het concept ontwierp. De overheid greep in, en naast een boete kregen enkele van de ondertekenaars zelfs gevangenisstraf. Bähler werd, na aanvankelijke vrijspraak, in 1916 door het Gerechtshof in Leeuwarden veroordeeld tot een boete van ƒ 75. In 1919 werd het blad De Vrije Mensch opgeheven, een symptoom van de tanende belangstelling voor de anarchistische idealen. Het Vrije Menschen Verbond sloot zich aan bij de Bond van Christen-Socialisten, hetgeen een koersverandering in een meer socialistische richting betekende. In 1920 scheidden Bähler, Van Mierop en enkele anderen zich weer af om de Bond van Religieuse Anarcho-Communisten op te richten.

Sindsdien publiceerde Bähler weinig nieuws meer. In de laatste jaren van zijn leven werd hij vrijwel blind. Nadat hij tot zijn ontzetting de komst van nog weer een nieuwe wereldoorlog had moeten ervaren, die met zoveel geweld alles tegensprak waarvoor hij en zijn medestanders zich hun leven lang hadden ingespannen, kwam in 1941 ten slotte het einde. Een dwarsligger met een zekere arrogantie, dat was Bähler zeker geweest, maar ook een oprecht en bewogen mens, die heel zijn leven met 'geestdrift en verontwaardiging' op de bres stond voor een rechtvaardiger wereld.

A: Ongeïnventariseerd archief van het echtpaar L.A. Bähler en G. Bähler-Boerma in het landhuis 'Lemferdinge' te Eelde-Paterswolde.

P: Bibliografie in E.W.R. Alberts, Dr. Louis A. Bähler. Een beknopte bibliografie met daarbij opgenomen een korte biografie (Groningen 1983).

L: Rudolf Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); A.C.J. de Vrankrijker, Onze anarchisten en utopisten rond 1900 (Bussum 1972); J.J. Kalma, 'Dr. Louis Adriën Bähler, een verwoester der kerk', in Leeuwarder Courant , 31-12-1976; Frans Becker en Johan Frieswijk, Bedrijven in eigen beheer. Kolonies en produktieve associaties in Nederland tussen 1901 en 1958 (Nijmegen 1976); De piramide der tirannie. Anarchisten in Nederland . Samengest. door Hans Ramaer (Amsterdam 1977); Hans Ariëns [e.a.], Religieus anarchisme in Nederland tussen 1918 en 1940. In het rijk der vrijheid (Zwolle 1984); Maria W.J.L. Boersen, De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum (Blaricum 1987); Herman Noordegraaf, Tussen anarchist en pacifist. Ds J. Sevenster (1869-1949). Uit het leven van een christen-pacifist (Amersfoort 1988); M. Arends-Luinge en T. Domenie-Verdenius, lemma in Drentse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Drenten II. Onder red. van Jan Bos en Willem Foorthuis (Meppel 1990) 13-16; F.R.J. Knetsch, 'Een kerk in gisting: hervormde stemmen, 1892-1907', in Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800 15 (1992) 36 (mei) 67-87; Sietse Visser, 'De kleurrijke aanstichter van de Gereformeerde Bond', in Hervormd Nederland , 4-5-1996; Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Lotus in de Lage Landen De geschiedenis van het boeddhisme in Nederland. Beeldvorming van 1840 tot heden (Almere 2009).

I: Hervormd Nederland , 4-5-1996 (p. 16)

S.J. Visser


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013