Boerstra, Murk (1883-1953)

 
English | Nederlands

BOERSTRA, Murk (1883-1953)

Boerstra, Murk, legerofficier (Sneek 28-11-1883 - 's-Gravenhage 9-5-1953). Zoon van Ruurd Boerstra, timmerknecht, later machinist en handelsreiziger, en Anna Plevier. Gehuwd op 27-3-1922 met jkvr. Bonne Elisabeth Constance Wilhelmine de Graeff (1898-1987). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 dochter die jong overleed, 5 zoons geboren.

afbeelding van Boerstra, MurkMurk Boerstra was afkomstig uit een eenvoudig milieu. Om zich te kunnen verbeteren bleek zijn vader verandering van werkkring en verhuizing naar elders in den lande niet te schuwen. Hij en zijn vrouw trachtten hun kinderen een beter vertrekpunt op de maatschappelijke ladder te geven dan zijzelf hadden gehad. Zijn oudste zoon, Murk, bezocht dan ook eerst de HBS in Amsterdam en daarna in 's-Hertogenbosch. In 1899 werd hij toegelaten tot de Cadettenschool in Alkmaar als cadet voor de dienst in Nederlands-Indië, wat vrijstelling van cursusgeld met zich bracht. Na het examen in 1901 volgde Boerstra tot juli 1904 aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda de opleiding tot artillerieofficier bij het Oost-Indische Leger, waarvoor eveneens een financiële vrijstelling gold.

In januari 1905 arriveerde Boerstra in Indië, waar hij - aanvankelijk als tweede luitenant en sinds 1906 als eerste luitenant - werkzaam was in verschillende functies bij de artillerie, tot hij in 1910 naar Nederland terugkeerde om aan de Koninklijke Militaire Academie artilleriewetenschappen te doceren. Drie jaar later werd Boerstra toegelaten tot de Hoogere Krijgsschool, een opleiding die hij en zijn medeleerlingen na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moesten onderbreken om te worden ingedeeld bij het gemobiliseerde Nederlandse leger. Nadat de Hoogere Krijgsschool in januari 1917 weer was begonnen, kon Boerstra in 1919 zijn studie voltooien. In datzelfde jaar keerde hij - sinds 1918 kapitein - terug naar Indië, waar hij eerst bij de Generale Staf in Bandoeng en daarna bij de Topografische Dienst werd geplaatst.

Boerstra zou hier niet lang blijven. Al in november 1920 werd hij benoemd tot militair attaché in Japan en China, met als standplaats Tokio. Tijdens zijn verblijf in de Japanse hoofdstad trouwde Boerstra met de dochter van de Nederlandse gezant aldaar, jhr. A.C.D. de Graeff. Dit huwelijk tussen de zoon van een timmerknecht en een freule was hoogst ongebruikelijk. Dat het plaatsvond, was mede te danken aan de vader van de bruid, die kennelijk niet alleen blijk gaf van vrijzinnige denkbeelden in de ambten die hij vervulde, maar ook in zijn persoonlijk leven. Uit De Graeffs correspondentie blijkt dat hij een zeer hoge dunk had van Boerstra. Na in 1922 te zijn teruggekeerd in Nederlands-Indië begon Boerstra - opnieuw bij de Generale Staf in Bandoeng geplaatst - een actieve rol te spelen in het debat over de verdediging van het eilandenrijk, waarin marine en leger elkaar de hoofdrol betwistten. Hij verzette zich tegen een in Nederland bedacht plan dat bij voorbaat uitging van een zwakke vijand, die het Indisch territoir slechts met landingsdivisies van beperkte omvang zou aanvallen, aan welke verwachting - volgens dit plan - de eigen defensie zou moeten worden aangepast. Boerstra betoogde daarentegen dat de krijgsmacht in Indië de zwakste partij zou zijn. Dit betekende dat men binnen de grenzen van de financiële mogelijkheden een verdedigingssysteem behoorde op te bouwen dat een krachtige preventieve werking zou hebben tegen mogelijke schendingen van de neutraliteit. Reeds als attaché in Tokio had hij in dit verband gewezen op het strategische belang van de oliewingebieden Tarakan en Balikpapan op Borneo, die op dat moment nog zonder enig middel van verdediging waren. In enkele artikelen in het Indisch Militair Tijdschrift - waarvan hij van 1923 tot 1925 hoofdredacteur was - bepleitte hij een geloofwaardige defensie te land als component van de relatief kleine vloot die Nederland in de uitgestrekte Indische archipel kon handhaven.

Intussen verliep Boerstra's militaire carrière voorspoedig: begin april 1926 werd hij majoor en binnen zes jaar was hij chef van de Generale Staf tevens inspecteur van de militaire luchtvaart, sinds 1931 in de rang van kolonel en een jaar later als generaal-majoor. In deze jaren werd ook Indië hevig getroffen door de economische crisis van de jaren dertig, wat op defensiegebied stilstand en achteruitgang inhield. Bij zijn aantreden op 23 juli 1935 als commandant van het leger in Indië en hoofd van het departement van Oorlog leek Boerstra - inmiddels ook bevorderd tot luitenant-generaal - dan ook 'met zeer beperkte middelen' te moeten werken. De ingrijpende wijzigingen in de internationale politieke situatie - het aan de macht komen van Hitler in Duitsland en het steeds aggressievere optreden van Japan - zorgden er evenwel voor dat de defensiebudgetten in het moederland en in Indië vanaf 1936 weer gingen stijgen.

In de hieraan voorafgaande jaren waren er in militaire kringen stemmen opgegaan die als gevolg van de ontwikkelingen in de luchtvaart hadden gepleit voor een luchtvloot die aan de periferie van de archipel met verkenningsvliegtuigen een naderende vijand zou signaleren, om vervolgens met bommenwerpers diens landingsvloot van transportschepen uit te schakelen. Boerstra heeft als legercommandant en departementshoofd die gedachte overgenomen. Toen hij eind juli 1939 met pensioen ging, waren het luchtwapen en ook de luchtverdediging van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger in volle ontwikkeling. De versterking van het leger te velde verliep echter traag. Bij het uitbreken van de oorlog met Japan, in december 1941, was de in de jaren twintig door Boerstra bepleite geloofwaardige defensie te land daardoor bij lange na nog niet verwezenlijkt. Dit bleek maar al te duidelijk na de ondergang van de geallieerde vloot in de Java Zee in februari 1942, toen de Japanners vervolgens in één week heel Java onder de voet konden lopen.

Op het moment van de Duitse inval in mei 1940 woonde Boerstra met zijn gezin al acht maanden in Nederland. Na de capitulatie schaarde de gepensioneerde luitenant-generaal zich onmiddellijk aan de zijde van degenen die zich verzetten tegen het ondertekenen van de erewoordverklaring die de Duitsers van de Nederlandse officieren eisten. Daarnaast trad hij in deze jaren nog op een andere manier in de openbaarheid, toen het college van secretarissen-generaal - sinds 2 juli 1940 de hoogste Nederlandse autoriteit - wilde voorkomen dat de bezetter nog meer 'Indische gijzelaars' zou maken dan de ruim 350 die al vastzaten. Met instemming van de Duitsers besloot het college een Nederlandse missie naar Indië te sturen om de gouverneur-generaal voorstellen te doen inzake de positie van de Duitse geïnterneerden, zoals terugzending, uitwisseling of verbetering van de omstandigheden van internering.

Deze missie werd toevertrouwd aan Boerstra en W.G.F. Jongejan, de in Nederland verblijvende voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië. Via Berlijn en Moskou reisden zij naar Tokio, waar ze op 14 november 1940 aankwamen. De gouverneur-generaal - door de Nederlandse gezant in Japan op de hoogte gesteld van hun komst en van het doel van hun missie - vond het in verband met de felle anti-Duitse stemming in Indië niet verstandig Boerstra en Jongejan op Indische bodem te ontvangen. Daarom werd er een ontmoeting gearrangeerd in Sjanghai, waar van Indische zijde aanwezig waren de kabinetschef van de gouverneur-generaal, P.J.A. Idenburg, en het lid van de Indische Algemene Rekenkamer, J. Ramaer. De besprekingen zouden uiteindelijk twee weken in beslag nemen. Hoewel de vertegenwoordigers van Batavia niets konden toezeggen, is de vrijlating van de Duitse vrouwen en kinderen en hun verscheping naar Japan mogelijk het gevolg geweest van de komst van de missie. Van groot belang was ook dat Boerstra en Jongejan aan Idenburg en Ramaer gedetailleerd verslag deden van de toestand in Nederland onder de Duitse bezetting: een - geheim - nevendoel van deze missie.

Uit het rapport dat Idenburg na afloop van de besprekingen in Sjanghai opstelde, komen Boerstra en Jongejan naar voren als felle anti-Duits en anti-NSB gezinde personen, die, op verzoek van het college van secretarissen-generaal, slechts de behartiging van de Nederlandse en Indische belangen op zich hadden genomen. Tijdens zijn verhoor door de parlementaire enquêtecommissie in 1948 bevestigde Idenburg dit oordeel. Met betrekking tot Boerstra zei hij dat hij en Ramaer in Sjanghai 'tegenover een zeer goede Nederlander' hadden gestaan.

Boerstra heeft na de oorlog nog enkele functies vervuld bij het Rode Kruis, maar trad tot zijn overlijden niet meer op de voorgrond. Bescheiden van afkomst, maar begiftigd met een scherp intellect, slaagde hij erin een glansrijke carrière op te bouwen, die getuigt van doorzettingsvermogen, karaktervastheid en plichtsbetrachting. De eerdergenoemde P.J.A. Idenburg getuigde van Boerstra dat hij 'een van de beste legercommandanten is geweest, die wij in Indië ooit gehad hebben'.

A: Archief-A.C.D. de Graeff en archivalia J.B. van Houven van Oordt in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: 'Het aandeel van leger en vloot in de handhaving van de in- en uitwendige veiligheid van Nederlandsch-Indië', in Indisch Militair Tijdschrift 56 (1925) 609-622; 'Het buitenlandsch beleid en de defensie', in Indisch Militair Tijdschrift 57 (1926) 2-9; 'Het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger', in Indisch Militair Tijdschrift 69 (1938) 1-9; 'Het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger', De Standaard , 29-2-1940 (bijvoegsel, pp. 21, 23).

L: Interview, in Orgaan der Nederlandsch-Indische Officiersvereeniging 22 (1937) 33-34; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IVa, IXa, XIa-1 ('s-Gravenhage 1972, 1979, 1984); Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid, 1940-1945 IIa/b ('s-Gravenhage 1949) 298-312; verhoor van M. Boerstra, ibidem IIc ('s-Gravenhage 1949) 192-197, 470-471; A.A.H. Stolk, Jean Charles Pabst. Diplomaat en generaal in Oost-Azië, 1873-1942 (Zeist 1997); H.L. Zwitzer, 'M. Boerstra (1883-1953)', in Kopstukken uit de krijgsmacht. Nederlandse vlag- en opperofficieren, 1815-1955 . Onder red. van G. Teitler en W. Klinkert (Amsterdam 1997) 182-197.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder red. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 178.

H.L. Zwitzer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013