Bosboom, Nicolaas (1855-1937)

 
English | Nederlands

BOSBOOM, Nicolaas (1855-1937)

Bosboom, Nicolaas, legerofficier en minister van Oorlog ('s-Gravenhage 30-9-1855 - 's-Gravenhage 14-11-1937). Zoon van Nicolaas Bosboom, commies op het departement van Oorlog, en Louiza Maria Margaretha ten Kate van Loo. Gehuwd op 13-10-1881 met Maria Johanna van Andel (1862-1925). Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren.

afbeelding van Bosboom, NicolaasNicolaas Bosboom had geen onverdeeld gelukkige jeugd. Zijn vader was langdurig ziek en stierf uiteindelijk in 1862 aan de tering, zijn gezin in vrij karige omstandigheden achterlatend. Lang voor diens dood had de tweelingbroer van vader Bosboom, de schilder Johannes, zich om zijn schoonzuster en haar kinderen bekommerd. Deze kinderloze oom werd nu officieel voogd van de zes jongens en twee meisjes.

Nicolaas werd, evenals drie oudere broers, naar een militaire opleiding gestuurd. In april 1871 nam hij als vrijwilliger dienst bij het 2de Regiment Vestingartillerie. Toen hij in april 1874 de rang van sergeant had bereikt, trachtte hij officier te worden via de buiten de Koninklijke Militaire Academie bestaande opleidingen. Eerst bezocht hij de voorbereidende Cursus in Utrecht en vervolgens de Hoofdcursus der Artillerie in Delft, waarna hij in juli 1877 bij het 2de Regiment Vestingartillerie werd benoemd tot tweede luitenant. Op zijn eerste standplaats bij de vestingartillerie in Gorinchem leerde hij de burgemeestersdochter uit een gefortuneerde familie, Maria van Andel, kennen, met wie hij in oktober 1881 in het huwelijk trad. Tot verdriet van de diepgelovige familie Bosboom wilde het jonge paar geen kerkelijke inzegening.

In 1883 verhuisde Bosboom - sinds 1880 eerste luitenant - naar het 1e Regiment Veldartillerie in Utrecht. Hier trok hij de aandacht door twee publicaties: Eenige beschouwingen over de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en haar artilleristische verdediging (1886) en Over de militaire maatregelen door Nederland te nemen tot het handhaven eener gewapende neutraliteit (1888). Bosbooms carrière kwam nu in een stroomversnelling. In 1891 werd hij gedetacheerd bij de Generale Staf in Den Haag, waar het onder andere zijn taak was de inspecteur der infanterie te vergezellen op dienstreizen door het land. Zo leerde hij de problemen van het hele leger grondig kennen.

In 1893 werd Bosboom als kapitein aangesteld bij de Generale Staf zonder de Hoogere Krijgsschool te hebben doorlopen. Dit was een unicum en een bewijs dat zijn bekwaamheden werden erkend. Vijf jaar later keerde Bosboom terug bij het Wapen der Artillerie, en volgde plaatsing bij het 2de Regiment Veldartillerie. In 1905 werd Bosboom - toen al twee jaar majoor - commandant van het Korps Rijdende Artillerie in Arnhem. Hij bezorgde deze zogeheten 'Gele Rijders' faam vanwege hun training en uithoudingsvermogen door meerdaagse marsoefeningen en lange-afstandsritten. Zelf ging hij daarbij voorop.

Als medewerker aan de Nieuwe Courant , tussen 1900 en 1913, het lijfblad van de vrij-liberalen - dat wil zeggen: conservatief-liberalen -, en als actief lid van de Bond van Vrije Liberalen, opgericht in 1906, manifesteerde Bosboom zich inmiddels ook op politiek gebied. Hij was geleidelijk tot het inzicht gekomen dat verbetering van de landsverdediging alleen langs politieke weg kon worden bereikt. In woord en geschrift werd hij een hardnekkig bestrijder van H.P. Staal, de minister van Oorlog in het links-liberale kabinet-De Meester (1905-1908). In zijn ogen ondermijnde Staal door zijn bezuinigingspolitiek het leger en het staatsgezag. Bosboom beschouwde het voortijdige aftreden van de minister op 8 april 1907 voor een groot deel als zijn succes. Een door hem in 1909 ondernomen poging om in de Tweede Kamer te komen mislukte. De vrij-liberalen leden in mei van dat jaar in het hele land aanzienlijke verliezen. De partij verloor vier van de acht zetels.

Sinds 1906 luitenant-kolonel, werd Bosboom in maart 1910 bevorderd tot kolonel. Met tegenzin verliet hij Arnhem om in Den Haag het commando op zich te nemen over het 2de Regiment Veldartillerie. Aan dit in Den Haag en Leiden gelegerde regiment viel weinig eer te behalen, want het genoot weinig aanzien. In maart 1912 kreeg Bosboom op eigen verzoek eervol ontslag na 35 dienstjaren. Het is niet onwaarschijnlijk dat de 56-jarige kolonel enigszins teleurgesteld het leger verliet, omdat hogere functies niet voor hem leken weggelegd. Wel werd hem als gepensioneerd kolonel in augustus 1913 nog de rang van generaal-majoor en in januari 1918 die van luitenant-generaal verleend.

Bosboom had nu meer tijd voor het kritisch volgen van het militaire beleid van de regering. Sinds 1910 was hij bovendien lid van de in dat jaar ingestelde Legercommissie, een staatscommissie die moest toezien op een verantwoorde besteding van de defensieuitgaven. Toen de minister van Oorlog, H. Colijn (1911-1913), in november 1912 zijn reorganisatievoorstellen en de begroting voor 1913 bij het parlement indiende, liet Bosboom binnen een week zijn brochure over De reorganisatie der infanterie verschijnen. Hierin becommentarieerde hij Colijns plannen als te kostbaar en als nodeloos gecompliceerd. Hij stelde een eenvoudiger stelsel voor, aangeduid als het 'verdubbelstelsel', waarvan de kern was dat in oorlogstijd het aantal bataljons gemakkelijk zou kunnen worden verdubbeld. Zijn pleidooi was vergeefs, want Colijns begroting en de reorganisatievoorstellen werden in het parlement aanvaard.

In 1913 trad het confessionele coalitiekabinet-Heemskerk (1908-1913) af. Daarop volgde een extraparlementair ministerie van liberale signatuur. Geen van de ministers was Kamerlid. Daarom leek het niet verwonderlijk dat Bosboom, aangezocht door de formateur, P.W.A. Cort van der Linden, op 29 augustus 1913 de ministersportefeuille van Oorlog accepteerde, ondanks zijn gebrek aan parlementaire ervaring. In hoofdpunten week hij nu als minister - mede op verzoek van koningin Wilhelmina - niet af van de door Colijn ingezette hervormingen.

Toen de Europese situatie steeds dreigender werd, kondigde het kabinet op 31 juli 1914 de volledige mobilisatie van land- en zeemacht af. Deze had, mede dankzij een toen nog goede samenwerking tussen minister en opperbevelhebber, een vlot verloop, en in de avond van 2 augustus was de krijgsmacht op volle oorlogssterkte. Aangezien het land voor een groot deel geleidelijk in staat van oorlog en van beleg werd verklaard, kwam er een lawine van werk, vragen, opdrachten, problemen enzovoort op het departement van Oorlog af. Bosboom kreeg daarmee een extra zware last op zijn schouders, die hij slechts dragen kon door de voortreffelijke wijze waarop zijn rechterhand, de chef van het kabinet jhr. B.C. de Jonge, het departement leiding gaf en de minister begeleidde in zijn omgang met de Kamers en met Kamerleden.

Het laatstgenoemde aspect was en bleef een zwak punt van Bosboom. Hij ergerde zich buitenmatig aan - zoals hij het later in zijn memoires omschreef - de 'typen, die het aanzien van het parlement ondermijnen' en zijn ministerschap tot 'een marteling' maakten. Overigens stoorde zowel een sociaal-democraat als J.H.A. Schaper als de liberaal W.H. de Beaufort zich aan de wijze waarop de minister in de Tweede Kamer werd 'getreiterd en gesard'. De vrijzinnig-democraat H.P. Marchant ging zelfs zover de minister, die 'zenuwlijder van Oorlog', 'een gevaar voor het land' te noemen en hij verklaarde 'elk middel aan [te] grijpen om hem te laten vallen'. Ten dele is deze vijandigheid te verklaren doordat ook Bosboom erin slaagde door zijn sarcasme en ietwat bruuske optreden Kamerleden tegen zich in het harnas te jagen. De Jonge wist hen dan soms buiten de Kamer toch tevreden te stellen door hun vragen correct te beantwoorden en hun problemen te helpen oplossen. De minister gunde zich hiervoor geen tijd.

In oktober 1914 ontstond in het kabinet een gespannen situatie, toen Bosboom - die uitgesproken anti-Duits was - Groot-Brittannië gelegenheid wilde geven België te hulp te komen na de val van Antwerpen. De meerderheid van de ministerraad wist Bosboom er echter van te overtuigen dat hij moest volharden in de politiek van strikte neutraliteit.

Bosbooms gebrekkige communicatie met het parlement, alsmede irritaties in den lande over de aanhoudende, kostbare mobilisatie en over zich stierlijk vervelende soldaten met alle incidenten van dien, schiepen allengs een sfeer waarin de minister en Kamerleden zich steeds kregeliger tegenover elkaar opstelden. Daarbij kwamen dan nog de spanningen tussen de betrokken verantwoordelijken onderling. Allereerst was er het kabinet, dat handhaving van de neutraliteit wenste. Dan was er de opperbevelhebber, C.J. Snijders, die dat militair gezien onmogelijk vond, zich pro-Duits opstelde, alle steun kreeg van Wilhelmina en Bosboom behandelde alsof hij slechts een ambtenaar was. Ten slotte was er Bosboom zelf, die de neutraliteitspolitiek moest accepteren, maar wiens sympathie uitging naar Groot-Brittannië. Bosboom had bovendien weinig te zeggen over Snijders, omdat die volgens zijn instructie alleen verantwoording verschuldigd was aan 'de regering' in haar geheel. In de praktijk beschouwde Snijders de Koningin als zijn directe superieur.

Al deze factoren tezamen brachten Bosboom tot het besluit op 15 mei 1917 zijn ontslag aan te bieden, nadat de Tweede Kamer op 4 mei 1917 een hem onwelgevallige motie had aanvaard, hoewel het kabinet al besloten had de motie terzijde te leggen. Deze motie-Marchant betrof het oproepen van de landstormklasse 1908 (mannen geboren in 1888) in actieve dienst in plaats van de vervroegde oproeping van de militielichting 1918 (geborenen in 1898). De Kamermeerderheid wilde de jongeren oproepen, het kabinet gaf de voorkeur aan de ouderen. Vervolgens nam de Kamer op 10 mei een motie aan, waarin de houding van de minister ter zake werd betreurd. Cort van der Linden stak geen hand uit om hem te helpen. Bosboom had er nu schoon genoeg van. Hij raadde Cort van der Linden aan de kabinetschef van het ministerie, jhr. B.C. de Jonge, als minister van Oorlog op te nemen in het kabinet en trad zelf af. Marchant had zijn zin gekregen.

Bosboom trok zich nu grotendeels terug uit het openbare leven en begon zijn memoires te schrijven. Naast de poging tot afrekening met dwarsliggende Kamerleden is Bosbooms in 1933 verschenen In moeilijke omstandigheden. Augustus 1914 - mei 1917 een vurig pleidooi voor een sterke defensie, gezien Hitlers agressieve bedoelingen tegenover onder meer Nederland. Opmerkelijk is dat Bosboom dus al in 1933 in onmiskenbare bewoordingen waarschuwde tegen Hitler en diens plannen.

Bosbooms leven overziende, kan gezegd worden dat hij als officier een goede, niet opzienbarende carrière heeft gemaakt. Als minister bleek hij niet geheel opgewassen tegen het onverwacht zware takenpakket na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, terwijl een deel van de Tweede Kamer hem ook nog eens hinderlijk voor de voeten liep.

P: Naast de in de tekst genoemde publicaties en circa 200 artikelen in voornamelijk de Nieuwe Courant (1900-1913): Volkenbond en ontwapening. Naar aanleiding van prof.dr. D. van Embden's jongste propagandaschrift ('s-Gravenhage 1928).

L: C.W. de Vries, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland. IV: Nederland 1914-1918 ('s-Gravenhage 1955) 21-140; Herinneringen van jhr.mr. B.C. de Jonge. Met brieven uit zijn nalatenschap. Uitg. door S.L. van der Wal (Utrecht 1968); C. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog. II: 1914-1917 (Groningen 1972); J.W. Bonebakker, Twee verdienstelijke officieren, 1914-1918: N. Bosboom en C.J. Snijders (Nieuwkoop 1974); Mobilisatie in Nederland en België, 1870 - 1914 - 1939. Onder red. van W. Klinkert [e.a.] (Amsterdam 1991) 24-33; C.A. Groenewold, H.P. Marchant (1869-1956). 'Le tigre néerlandais' (Venlo [etc.] 1995); P.W.M. Hasselton, De wisseling van het opperbevel in februari 1940 getoetst aan de praktijk van de Oorlogswet in de periode 1887-1940 [Groningen 1995].

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938) 208.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013