Coenen, Johannes Meinardus (1824-1899)

 
English | Nederlands

COENEN, Johannes Meinardus (1824-1899)

Coenen, Johannes Meinardus, componist en dirigent ('s-Gravenhage 28-1-1824 - Amsterdam 9-1-1899). Zoon van Cornelis Coenen, ambtenaar op het departement van Koloniën, en Johanna Elisabeth de Barnsteen. Gehuwd op 3-3-1853 met Christina Wilhelmina Jacoba van Ollefen (1828-1902), actrice. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren.

afbeelding van Coenen, Johannes MeinardusJohan Coenen gaf al op jeugdige leeftijd blijk van een bijzonder muzikaal talent. Om dit verder te ontwikkelen kwam hij in zijn geboorteplaats, Den Haag, onder de hoede van J.H. Lübeck aan de Koninklijke Muzijkschool, waarvan deze directeur was. Lübeck bracht hem de beginselen van de muziektheorie bij. Coenens hoofdinstrument in deze brede opleiding - waarvan het curriculum ook viool- en zangles omvatte - was de fagot. Hiermee verdiende hij, na de voltooiing van zijn studie in 1840, spoedig de kost in de Hofkapel van de koningen Willem I en Willem II. Dit gezelschap, dat Coenen een enkele maal ook dirigeerde, werd in 1841 opgeheven, waarna hij bijna een decennium lang naam maakte als een virtuoos blazer en optrad als solist bij verschillende gezelschappen.

In 1852 verhuisde Coenen naar Amsterdam, waar hij orkestdirecteur (: dirigent) was geworden bij het Amsterdamse Grand Théâtre van A. van Lier, een post die hij in 1856 verruilde voor die van muziekdirecteur van de hoofdstedelijke Stads-Schouwburg. In deze jaren werd niet alleen Coenens reputatie gevestigd als een kundig dirigent, maar bleek hij zich tevens te ontwikkelen tot een verdienstelijk componist en arrangeur, die bewees dat effectieve theatermuziek niet per se van buitenlandse bodem hoefde te zijn.

In het theaterbedrijf voelde Coenen zich als een vis in het water. Voor toneelvoorstellingen componeerde hij in de periode 1851-1865 al tal van entr'actes, ouvertures en een kleine vijftig balletten, waaronder het populaire Juanita, of de Bruid van Valencia . Ook in Coenens privé-leven speelde het theater een rol van betekenis. Zijn echtgenote was de actrice Christina van Ollefen, telg uit een bekend toneelgeslacht.

Na de dood van J.B. van Bree in 1857 kreeg Coenen tevens de leiding over de veelgeroemde abonnementsconcerten van de sociëteit 'Felix Meritis'. Hier plaatste hij geregeld eigen werken op het programma. Het publiek kon Coenen nu en dan ook nog als fagottist beluisteren, vanaf 1861 onder meer als lid van het Amsterdamsch Blaaskwintet. Sinds 1869 trad hij tevens op als eerste luitenant-kapelmeester van het muziekkorps van de Amsterdamse Schutterij.

Zijn functies bij de Stads-Schouwburg en bij 'Felix Meritis' legde Coenen neer toen hij begin 1865 van de directie van het Paleis voor Volksvlijt de opdracht kreeg een professioneel symfonieorkest - één van de eerste in Nederland - te formeren. Dertig jaar lang zou Coenen als dirigent gezichtsbepalend zijn voor dit Paleisorkest. In een tijd dat een kwalitatief hoogstaand ensemble als het Concertgebouworkest nog niet bestond, representeerde het Paleisorkest het beste op het gebied van de vaderlandse orkestcultuur. Zo verdedigde het orkest Nederlands reputatie tijdens een concert op de internationale tentoonstelling van 1878 in het Parijse Trocadéro.

Intussen componeerde Coenen 'met een zelden geëvenaarde werkkracht' (De Portefeuille (1885-1886) 675) een groot aantal werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn oeuvrelijst telt twee symfonieën - waarvan de eerste werd bekroond door de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst -, concerten voor viool, fluit, klarinet en fagot, pianocomposities, verscheidene cantates - waarvan de eveneens bekroonde Ada van Holland op Texel op een tekst van J.P. Heije uit 1863 de bekendste is - en de romantische opera Bertha en Siegfried, of de Zegepraal der Onschuld uit 1882.

Omstreeks 1875 vormde Coenen samen met balletmeester E. Witt en decorontwerper J.D.G. Grootveld een triumviraat dat een groot aantal zeer populaire romantisch-naturalistische balletten en harlekinades op de planken bracht. Jaarlijks componeerde Coenen zodoende drie à vier balletten. Het dagblad De Echo schreef in 1894 naar aanleiding van Coenens zilveren jubileum als kapelmeester der dienstdoende schutterij te Amsterdam: 'Wie is er, die niet genoten heeft van een fantaisie op de opera ... noem maar welke gij wilt. Wie is er van de oudere Amsterdammers, die niet getrippelvoet heeft op de maat van een der 125 balletten, die Coenen geschreven heeft voor den Stadsschouwburg en het Paleis voor Volksvlijt in zijn gulden dagen?'

Deze lovende woorden konden echter nauwelijks verhullen dat de carrière van Coenen langzaam maar zeker ten einde liep. Na allerlei moeilijkheden en bezuinigingen werd het Paleisorkest in 1895 ontbonden. Coenen, de auctor intellectualis van het orkest, trok zich terug uit het openbare muziekleven. Hij leefde nog enkele jaren verbitterd vanwege de wijze waarop hij door de Paleisdirectie terzijde was geschoven en 'in zéér kommervolle omstandigheden', aldus de woorden uit een circulaire waarin om een gift werd verzocht om de ernstigste nood van Coenen te lenigen. Dat geld kwam er, mede dank zij de vrijmetselaarsloge waarvan hij lid was. Eén keer mocht de Paleisdirigent nadien nog een staande ovatie ontvangen; dat was toen C. van der Linden op Coenens verjaardag in 1897 een ouverture van de hand van de grijsaard uitvoerde.

Toen Coenen op 74-jarige leeftijd overleed, liet hij een omvangrijk compositorisch oeuvre na. Toch was hij, mede vanwege zijn vele gelegenheidswerken, een 'figuur van voorbijgaande betekenis', die, enigszins gechargeerd, een epigoon genoemd kan worden van Felix Mendelssohn Bartholdy en Niels Gade (Reeser, 114). Dat neemt niet weg dat Coenen vooral als dirigent van het Paleisorkest een belangrijke wegbereider is geweest van de professionalisering van het orkestwezen in Nederland. Het Concertgebouworkest recruteerde immers veel van zijn musici uit het orkest van het Paleis voor Volksvlijt, en kon daarmee oogsten waar Coenen had gezaaid.

A: Archief-J.M. Coenen in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

L: N. v. H[arpen?], 'Het 20-jarig jubileum als Orkestdirecteur van het Paleis voor Volksvlijt van Joh.M. Coenen', in De Portefeuille 7 (1885-1886) 674-676; lemma in Eduard A. Melchior, Wetenschappelijk en biographisch woordenboek der toonkunst (Schiedam 1890) 127; 'Joh.M. Coenen', in 'Geïllustreerd Zondagsblad' van De Echo , 21-7-1894; Het Orgel , 15-1-1899, p. 155; G. Mann, 'Joh. M. Coenen', in Weekblad voor Muziek 6 (1899) 13 e.v.; lemma in J.H. Letzer, Muzikaal Nederland, 1850-1910. Bio-bibliographisch woordenboek van Nederlandsche toonkunstenaars en toonkunstenaressen ... (Utrecht 1911) 35; E. Rebling, Een eeuw danskunst in Nederland (Amsterdam 1950) 220-222, 224; E. Reeser, Een eeuw Nederlandse Muziek, 1815-1915 (2de herz. dr.; Amsterdam 1986) 114; lemma door Jan ten Bokum, in Die Musik in Geschichte und Gegenwart. Allgemeine Enzyklopedie der Musik XV (Kassel [etc.] 1989) 1529-1530; Emile Wennekes, '''Tot een beter begrip van muziek en tot veredeling van den heerschenden smaak''. Het orkest van het Paleis voor Volksvlijt', in Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis , XLV-1 (1995) 33-66; idem, 'Het Paleisorkest', in Mens en Melodie 50 (1995) 507-513 en 563-568; idem, Het Paleis voor Volksvlijt (1864-1929). 'Edele uiting eener stoute gedachte!' ('s-Gravenhage 1999).

I: 'Geïllustreerd Zondagsblad' van De Echo , 21-7-1894.

Emile Wennekes


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013