Crena de Iongh, Daniël (1888-1970)

 
English | Nederlands

CRENA DE IONGH, Daniël (1888-1970)

Crena de Iongh, Daniël, bankier (Dordrecht 21-4-1888 - New York (Verenigde Staten) 26-11-1970). Zoon van Adrianus Cornelis Crena de Iongh, advocaat en procureur, later wethouder en lid van Gedeputeerde Staten, en Cornelia Magdalena van Eck. Gehuwd op 11-5-1916 met Anna Elisabeth Gransberg (1894-1995). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. Na echtscheiding (22-5-1947) gehuwd op 3-7-1947 met Mary Dows Herter (1892-1985). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Crena de Iongh, DaniëlIn de achttiende en negentiende eeuw bracht de graanhandel opeenvolgende generaties van de familie Crena de Iongh tot aanzien in Dordrecht. Evenals zijn vader studeerde Daan - de tweede zoon in een gezin met vier kinderen en het eerste kind uit het tweede huwelijk van zijn vader - rechten in Leiden, waar hij zich in 1908 liet inschrijven. In zijn studententijd ontwikkelde hij een brede culturele en filosofische belangstelling. Zijn leven lang schreef hij kritische beschouwingen over thema's uit de geschiedenis, literatuur en wijsbegeerte. Hij rondde de studie op 18 mei 1914 af met een promotie op stellingen en trad vervolgens in dienst bij het agentschap Rotterdam van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). Dit bevond zich juist in een omschakeling van een sluimerend goederenkantoor naar een bankbedrijf. De zaken groeiden snel, en via zakelijke allianties met kassiers en bankiers elders bouwde het agentschap belangrijke steunpunten op in de provincie.

Crena de Iongh paste kennelijk goed in dit dynamische bedrijf. De NHM zond hem in 1916 voor een stage naar New York, vermoedelijk om het internationale bankvak van nabij te leren kennen. Na vijf jaar werken had hij al procuratie, en sindsdien stond zijn handtekening ook onder het jaarverslag aan de Amsterdamse directie. In 1920 benoemde de Maatschappij hem tot agent te Rotterdam. Ondanks de conjuncturele omslag die zich vervolgens voordeed, groeide het gehele bedrijf krachtig. Van 1920 op 1922 verdubbelde het personeelsbestand tot ruim vierhonderd man. De wijze waarop Crena het agentschap leidde, trok de aandacht van het hoofdkantoor, en in 1925 werd hij benoemd tot directeur in Amsterdam. Een mooie promotie naar een ongemakkelijke positie. President C.J.K. van Aalst regeerde het bedrijf namelijk op eigenzinnige en autocratische wijze, wat gemakkelijk tot aanvaringen leidde.

Naast zijn werk als directeur van een grote bank vond Crena de Iongh nog gelegenheid voor allerlei nevenactiviteiten. Zo had hij bijvoorbeeld zitting in een commissie van de Maatschappij voor Nijverheid en Handel die in 1925 rapporteerde over doelmatige overheidsbemoeiing. Het jaar daarop trad hij toe tot de redactie van De Gids en leverde hij met enige regelmaat uiteenlopende artikelen. Via dit redactielidmaatschap bracht hij zijn sterke voorliefde voor discussies over literatuur, geschiedenis en filosofie tot uiting. Crena schreef ook nu en dan over economische en financiële onderwerpen in vakbladen. Hij behoorde daarnaast tot een groep die ijverde voor meer systematiek in de Amsterdamse stadsontwikkeling. Specifiek bancair van aard was zijn bijdrage aan het debat over industriefinanciering tijdens de tweede helft van de jaren twintig. Uit hoofde van zijn functie vervulde Crena natuurlijk ook de nodige commissariaten bij ondernemingen die in relatie stonden met de NHM. Waar mogelijk zocht hij graag ontspanning in paardrijden.

De economische crisis van 1929 raakte de NHM gevoelig. Dalende grondstoffenprijzen ondermijnden haar Indische cultuurbelangen, terwijl malaise en financiële crises elders het bankbedrijf bedreigden. Vanaf 1930 passeerde het dividend vier jaar achtereen, en de aandelenkoers daalde tot 50 %. Vastgelopen bestuursverhoudingen beroofden de Maatschappij van haar slagvaardigheid, totdat Van Aalst onder sterke druk in het voorjaar van 1934 zijn ontslag aanvaardde. Crena de Iongh volgde hem op en moest de NHM dadelijk door een ingrijpende reorganisatie loodsen. Het uitstaande kapitaal werd met liefst 75 % afgestempeld van tachtig miljoen gulden tot twintig miljoen. Om nieuwe middelen te verwerven kwam de bank vervolgens met een emissie van 15 miljoen gulden. Deze slaagde ternauwernood, dankzij een door de Amsterdamse bankier F. Mannheimer bijeengebrachte groep buitenlandse banken. Daarna krabbelde de NHM weer op en keerde zij over 1935 al een voorzichtig dividend uit. De herstructurering van de Maatschappij voltooide tevens de omvorming tot bankbedrijf. In 1936 ontwikkelde Crena een plan voor exportfinanciering met staatsgarantie. Een dergelijke bank zou er pas na de Tweede Wereldoorlog komen.

Naast de zware reorganisatie bracht de opvolging van Van Aalst nog andere verantwoordelijkheden voor Crena de Iongh. De president van de NHM fungeerde als middelpunt van Indische ondernemersbelangen en had om die reden, naast specifieke commissariaten, zitting in bijvoorbeeld de Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië en de Bond van Eigenaren van Nederlandsch-Indische Suikerondernemingen. Aangezien hij - anders dan zijn directe voorgangers - de koloniën niet uit eigen ervaring kende, maakte Crena, zodra het bedrijf weer op koers lag, in 1935 een reis naar de Oost en drie jaar later nog eens. De publicistische activiteiten vielen daardoor scherp terug. In 1933 was Crena al met anderen uit de redactie van De Gids gestapt naar aanleiding van de geruchtmakende plagiaatkwestie rondom de Leidse hoogleraar geschiedenis en redactievoorzitter H.Th. Colenbrander.

Onder Crena's leiding ontwikkelde de NHM zich - ondanks moeilijke economische omstandigheden - vrij goed, want het balanstotaal groeide sneller dan dat van de andere grote banken. Plotseling namen de zaken echter een scherpe wending. In augustus 1939 overleed Mannheimer. Zijn firma Mendelssohn&Co. moest dadelijk wegens liquiditeitsmoeilijkheden surseance aanvragen. De NHM had bijna twintig jaar nauw met Mannheimer samengewerkt en ondervond een sterke weerslag van de ondergang van zijn bedrijf. De balans van Mendelssohn&Co. vertoonde een enorm tekort, er kwamen verhalen in omloop over bedenkelijke toestanden bij het bedrijf, en de Handel-Maatschappij bleek met ruim dertig miljoen gulden aan vorderingen de voornaamste crediteur.

Terwijl de politieke spanningen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog stegen, moest de NHM worstelen om het vertrouwen van aandeelhouders en inleggers terug te winnen. Commissarissen wilden Crena's ontslag. Zij verweten hem eigenmachtig optreden. Hij had Mannheimer namelijk vlak voor diens dood, zonder ruggespraak, een groot krediet verleend, wat inging tegen de overeengekomen bewaking van debiteurenrisico's. De president verdedigde zich door te wijzen op de langdurige samenwerking, die geen vermoeden van problemen had doen opkomen. Het kwam niet tot een stemming, maar waarschijnlijk voelde Crena de Iongh een vertrouwensbreuk en hield hij daarom de eer aan zichzelf. Aan de vordering op Mendelssohn&Co. heeft de bank overigens uiteindelijk geen schade geleden. Wat dat betreft, had het oordeel van de president dus niet gefaald.

Zijn vertrek bij de NHM op 13 oktober 1939 betekende voor Crena de Iongh een zware slag, want het bedrijf was zijn lust en leven geweest. Toch kon hij zich over de teleurstelling heenzetten en paste hij zich aan de gewijzigde omstandigheden aan om naar vermogen werkzaam te zijn in de uitermate turbulente periode die nu volgde. Op verzoek van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij, waarvan hij president-commissaris was, vertrok Crena in 1939 naar Batavia voor onderhandelingen met het Gouvernement over een nieuw contract. Terwijl hij daar verbleef, accepteerde hij een directeurspost bij de Algemeene Kunstzijde Unie NV te Arnhem, maar de Duitse inval maakte een terugkeer naar moederland en gezin onmogelijk. De Indische regering moest nu zelf haar munteenheid gaan handhaven en stichtte daarvoor het Nederlandsch-Indische Deviezen Instituut. Crena werd directeur en bouwde in korte tijd de benodigde complexe organisatie op voor de controle van het buitenlandse betalingsverkeer. Toen Japan begin maart 1942 op Java landde en capitulatie onafwendbaar leek, behoorde hij tot de kleine groep hoge Nederlandse functionarissen die op verzoek van de gouverneur-generaal naar Australië uitweken. Crena reisde door naar Groot-Brittannië om daar de deviezenpositie van de kolonie beter te kunnen controleren.

Vervolgens benoemde de Nederlandse regering in Londen Crena de Iongh tot voorzitter van de Council for the Netherlands Indies, Surinam and Curaçao te New York. Deze instelling beheerde fondsen van de koloniën, ontwikkelde plannen en verspreidde inlichtingen en propaganda. Daarnaast trad Crena op als regeringsonderhandelaar voor aankopen onder de Lend-Lease Act in de Verenigde Staten en als lid van de Nederlandse delegatie bij de oprichtingsvergadering van de United Nations Relief and Rehabilitation Administration. Aangezien hij nog verschillende commissariaten bij internationaal opererende Nederlandse bedrijven had, vervulde Crena een brugfunctie tussen bedrijfsleven en regering in ballingschap. Hij nam verder specialistische missies op zich, vaak samen met J.W. Beyen, op dat moment financieel adviseur van de Nederlandse regering in ballingschap. Gezamenlijk schreven zij in 1942 - als onderdeel van beider werk in de zogeheten Reconstructiecommissie van de Nederlandse regering in ballingschap - een nota over de Nederlandse plaats in het internationale betalingsverkeer na de oorlog. Ze vertegenwoordigden Nederland bij besprekingen over deze problematiek met Britse en Amerikaanse deskundigen ter formulering van plannen voor wereldomvattende monetaire instellingen. In 1943 voerden Crena en Beyen overleg met vertegenwoordigers van de Belgische regering over een monetair akkoord tussen beide landen, de eerste stap tot wat zou uitgroeien tot de Benelux. Het jaar daarop leidden zij de Nederlandse delegatie naar de conferentie van Bretton Woods die het fundament legde voor het naoorlogse internationale financiële systeem, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, later Wereldbank genoemd.

Na de oorlog was Crena de Iongh de aangewezen persoon voor een topfunctie bij deze zusterinstellingen. In 1946 werd hij eerst benoemd tot 'alternate executive director' en vervolgens tot 'treasurer' van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling. Weer moest hij een organisatie van de grond af opbouwen, balancerend tussen de druk der omstandigheden en de noodzaak tot het vestigen van vertrouwen op de lange termijn. Een schip bouwen en er tegelijk al in varen, zoals hij het zelf uitdrukte. Daarbij ging het niet alleen om de interne administratie van de bank, maar tevens om het formuleren van beleid. Tijdens de eerste jaren hield het Treasury Department namelijk tevens toezicht op verstrekte leningen. Volgens getuigenissen van collega's en ondergeschikten vervulde Crena zijn taak uitstekend en geïnspireerd. Bij zijn pensionering in 1952 beschikte de bank over een goed functionerende Treasury en een gezonde reputatie. Het jaar daarop kozen Nederland, Joegoslavië en Israël Crena de Iongh tot 'executive director' van de Wereldbank en het IMF. In deze positie leidde hij onder andere missies naar IJsland, Somalië en Zuid-Afrika.

In het najaar van 1955 liep Crena's mandaat als 'executive director' af en verhuisde hij met zijn tweede echtgenote - een Amerikaanse, de weduwe van uitgever W.W. Norton - naar de staat Connecticut. Nu vond hij de gelegenheid om zijn energie naar hartelust aan culturele onderwerpen te besteden. Zijn belangstelling concentreerde zich op de Byzantijnse kunst, die hij met liefdevolle toewijding bestudeerde. Dat deed hij aan de hand van een groeiende collectie boeken, maar bovenal door de voornaamste monumenten en voorwerpen af te reizen en met getalenteerde hand te fotograferen. Het verzamelde materiaal diende als stof voor lezingen en uiteindelijk voor zijn boek Byzantine aspects of Italy. An illustrative handbook guiding the traveller to Italy's Byzantine heritage (New York 1967). Zo gaf hij tot op hoge leeftijd zijn leven richting en inhoud.

Crena de Ionghs carrière was die van een bankier wiens talent bestond uit het opbouwen en besturen van complexe organisaties. Hij slaagde daarin doordat hij zakelijk inzicht en menselijke kwaliteiten met elkaar in evenwicht wist te brengen. Anderen zochten graag de schijnwerpers van de publieke belangstelling, zoals Van Aalst bij de NHM of Beyen in de internationale politiek. Crena de Iongh deed dat minder, maar had desalniettemin een minstens zo belangrijke bijdrage aan het voortbestaan van de organisaties die hij diende.

P: Een volledige getypte lijst van publicaties van D. Crena de Iongh in de collectie-Crena de Iongh in het archief van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

L: J.W. Beyen, Het spel en de knikkers. Een kroniek van vijftig jaren (Rotterdam 1968); Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954) . Onder red. van Joh. de Vries (3 dln.; Groningen 1970); A memorial service for Daniel Crena de Iongh (1888-1970) (Wilton 1971); Remieg Aerts [e.a.], De Gids sinds 1837. De geschiedenis van een algemeen-cultureel en literair tijdschrift ('s-Gravenhage 1987); Arjen Taselaar, De Nederlandse koloniale lobby. Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940 (Leiden 1998).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld . Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 232.

J.P.B. Jonker


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013