Culp, Julia Bertha (1880-1970)

 
English | Nederlands

CULP, Julia Bertha (1880-1970)

Culp, Julia Bertha, liederenzangeres (Groningen 6-10-1880 - Amsterdam 13-10-1970). Dochter van Baruch Culp, musicus en koopman, en Sara Cohen. Gehuwd op 29-6-1905 met Erich Gustav Wilhelm Merten (1869-1933), ingenieur. Na echtscheiding (?) gehuwd op 23-7-1919 met Wilhelm Ginzkey (1856-1934), ondernemer. Beide huwelijken bleven kinderloos. Door haar tweede huwelijk verkreeg zij de Tsjechoslowaakse nationaliteit. Bij Wet 30-12-1938 (Staatsblad nr. 1239RR) herkreeg zij door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit.

afbeelding van Culp, Julia BerthaJulia ('Juultje') Culp groeide op in Groningen. In deze toentertijd stijve en standsbewuste provinciestad werd de familie Culp door velen met de nek aangekeken, omdat zij behoorde tot een joodse komedianten- en muzikantenfamilie. Inderdaad waren er veel Culpen die in variétés, toneelzalen en café-chantants hun brood verdienden. Zo was Julia's vader beroepsmuzikant in het Groninger Harmonie Orchest. Het bescheiden inkomen dat hij hieraan ontleende, vulde hij aan met het leiden van een concert- en operettegezelschap, de verhuur van toneelkostuums en de verkoop van bladmuziek. Dankzij hun energieke en statusgevoelige moeder kregen de ijverige en intelligente dochtertjes Julia en Betsy een goede schoolopleiding, terwijl ze ook respectievelijk viool en piano moesten leren spelen. Deze lessen zouden een goede grondslag vormen voor hun latere muzikale carrières.

Toen Julia over een mooie en zuivere stem bleek te beschikken, zag haar moeder onmiddellijk een glansrijke zangcarrière voor het meisje weggelegd. Op haar verzoek nam de Groningse zanglerares J.J.C. Groneman-Kappeyne van de Coppello het op zich Julia's stem te scholen. Intussen waren haar schooljaren weinig gelukkig. Als jodin van lagere komaf werd Julia, eerst op een deftige meisjesschool en daarna op de Rijks-HBS, door klasgenoten getreiterd en genegeerd. Het moet haar streven zich aan deze vernederende situatie te ontworstelen hebben aangewakkerd. Haar zangtalent bleek daartoe het juiste middel.

Door toedoen van Groningse notabelen en met een stipendium van koningin Emma kon Julia Culp op vijftienjarige leeftijd in Amsterdam aan het Conservatorium van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst studeren. Zij kreeg er pianolessen van Charles de Pauw en onderricht in solozang van Cornelie van Zanten, die meteen vol bewondering was voor de volle, buigzame altstem van haar leerlinge. Na in 1900 het einddiploma te hebben behaald trad Culp eerst op in Nederland om zich een jaar later in Berlijn te vestigen. Hier toonde de vermaarde zangpedagoge Etelka Gerster zich bereid haar verder tot liederenzangeres te scholen, met uitstel van betaling, maar op voorwaarde dat zij tijdens haar opleiding niet voor publiek zou optreden. Culps neiging iets te langzaam te zingen, waardoor de vertolkte liederen langdradig en spanningsloos overkwamen, werd door Gerster gecorrigeerd.

Vanaf 1903 nam Julia Culps carrière een hoge vlucht. Na in Maagdenburg te zijn ingevallen voor een bekende zangeres bij een concert met de pianist Ferruccio Busoni was haar naam snel gevestigd. Onmiddellijk volgden uit tal van Europese landen aanbiedingen voor recitals, waarvoor ze steeds hogere honoraria ontving. Culp heeft zich vrijwel steeds beperkt tot het zingen van liederen van Duitstalige, romantische componisten als Beethoven, Brahms, Schumann, Richard Strauss en Hugo Wolf. Slechts zelden zong zij in oratoria en nooit in opera's: 'Daar moet je over vier octaven kunnen beschikken en die bezat ik niet. Een zogenaamde grote zangstem heb ik niet gehad, maar wat ik had was goed en dat heb ik niet willen forceren' (Elseviers Weekblad , 1951). Door haar beheerste ademvoering, uitstekende dictie en grote zeggingskracht, in combinatie met haar ambitie, bereikte Culp snel de top en werd ze de lieveling van een internationaal aristocratisch publiek. Zij concerteerde verscheidene malen voor de Duitse keizerlijke familie, en aan andere vorstelijke hoven. Ook voor koningin Wilhelmina heeft zij gezongen. Overigens was Culp tijdens haar gloriejaren slechts zelden in Nederland te horen. Wel trad zij vanaf 1905 jarenlang op Goede Vrijdag op als soliste bij de uitvoeringen van het a capellakoor van Anton Averkamp in de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam. Bovendien heeft zij enige malen met het Concertgebouworkest gezongen.

Julia Culps bliksemcarrière beperkte zich niet tot Europa. Er kwamen spoedig aanbiedingen uit de Verenigde Staten, en in januari 1913 debuteerde zij in New York. Tot in 1917 maakte 'the Dutch Nightingale' jaarlijks een lange, slopende, maar succesrijke concertreis door Noord- en ook wel Zuid-Amerika. Daarbij zong zij soms te zamen met de tenor Enrico Caruso, terwijl ze ook een tournee maakte met de cellist Pablo Casals. Tijdens haar eerste concertreis door Noord-Amerika overleed in maart 1913 plotseling Erich J. Wolff, sinds 1906 Culps vaste begeleider. Zijn plaats werd daarna ingenomen door de begaafde Coenraad V. Bos, die haar tot het einde van haar loopbaan zou begeleiden. Incidenteel viel ook andere vooraanstaande musici, zoals Heinrich Potpeschnigg, Edward Grieg, Willem Mengelberg, Max Reger, Camille Saint-Saëns en Richard Strauss, deze eer te beurt. Haar dubbele nicht Betsy Dornay-Culp en haar zuster Betsy - na haar huwelijk bekend onder de naam Betsy Rijkens-Culp - hebben haar eveneens vaak begeleid.

Julia Culps eerste huwelijk, dat zij in 1905 sloot met de Duitse ingenieur Erich Mertens, liep spoedig op de klippen. Toen zij in 1919 hertrouwde met de schatrijke grootindustrieel baron Willy Ginzkey beëindigde zij onmiddellijk haar schitterende zangcarrière en vestigde zij zich met haar man in zijn jachthuis in de Boheemse bergen. Dit huwelijk bood Culp - die zich allengs had doen kennen als een diva met prima-donna allures: onstuimig, verwend en autoritair - de gelegenheid het zingen, dat zij altijd als een drukkende last had ervaren, op te geven.

Na 1919 trad Julia Culp nog slechts sporadisch op, meestal bij liefdadigheidsconcerten. Toen in 1934 haar 24 jaar oudere echtgenoot overleed, bleef zij in hun Boheemse landhuis wonen, waar ze aan een aantal uitverkorenen lessen gaf. Met ingang van 1 november 1937 aanvaardde zij een professoraat in de 'Musik und darstellende Kunst' aan de Weense Staatsakademie; zij gaf er zangonderricht in de meesterklasse. Lang duurde dit niet, want in maart 1938, na de 'Anschluß' van Oostenrijk bij nazi-Duitsland, bedankte zij en keerde ze naar Tsjechoslowakije terug. Ook hier was haar echter geen rust gegund. Door de Duitse annexatie van Sudetenland in oktober van hetzelfde jaar moest zij hals over kop vluchten, met achterlating van haar bezittingen. Met niet meer dan een koffer met wat kleren trok Julia Culp in bij haar zuster Betsy - inmiddels eveneens weduwe - in Amsterdam. Nadat de Duitsers in mei 1940 ook Nederland hadden bezet, doken zij in verband met hun joodse afkomst onder. Een groot deel van de oorlogsjaren hield Julia zich schuil te Loenen aan de Vecht in het huis 'Oud-Over' van de beeldhouwer Bertus Sondaar, wiens fraaie bariton zij schoolde.

Nog vóór de bevrijding kregen Julia en Betsy, door bemiddeling van de bevriende Duitse dirigent Wilhelm Furtwängler, van de bezettingsautoriteiten toestemming terug te keren naar hun flat op de vijfde verdieping van 'de Wolkenkrabber van Staal' aan het Amsterdamse Daniël Willinkplein, na 1945 Victorieplein genaamd. Afgezien van het feit dat zij hier geregeld jonge kunstenaars ontvingen, wie zij les gaven en die ze van advies dienden, zouden beide zusters hier een teruggetrokken bestaan leiden. Na een zware juridische strijd kreeg Culp in 1951 eindelijk haar in beslag genomen bezittingen - grotendeels kunstvoorwerpen - uit Tsjechoslowakije terug. Betsy's overlijden in 1958 betekende een zware slag voor Julia, die zij nooit geheel te boven kwam. Haar gezondheid verslechterde en haar vitaliteit nam af. Toen Julia Culp in 1970 op negentigjarige leeftijd overleed, wisten nog slechts weinigen dat zij, ondanks de korte duur van haar carrière, een van Nederlands grootste zangeressen was geweest.

A: Foto's, programma's en krantenknipsels in het Nederlands Muziek Instituut en bij Musica Neerlandica (Stichting Neerlandica Collectie Willem Noske), beide te 's-Gravenhage.

P: De interpretatie van het lied. Een causerie ('s-Gravenhage 1980). Hierin is opgenomen een discografie van Julia Culp (pp. 35-41); Floris Juynboll, 'Discografie van Julia Culp', in De Weergever 17 (mrt./apr. 1995) 59-83. Compact disc: Julia Culp. The complete Victor and Electrola recordings, 1914-1928 (Romanophone 81035-2).

L: M.J. Brusse, 'Julia Culp' [1915], in idem, Onder de menschen (Rotterdam 1924) 190-236; J. Hartog, 'Julia Culp', in idem, Beroemde zangeressen (Amsterdam 1916) 25-42; interview door M.J. Brusse, in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 23-12-1917 (ocht.); Jo van Ammers-Küller, 'Julia Culp', in Leven en werken. Maandblad voor Meisjes&Vrouwen 18 (1933) 57-73; Annelèn [= Hélène van Meekren en Anna Holdert-Zuikerberg], in Algemeen Handelsblad (zaterdagavondbijvoegsel) 13-1-1940 en 20-1-1940; interview door Rido, in De Telegraaf , 28-8-1950; interview, in Elseviers Weekblad , 30-6-1951; interview, in Algemeen Handelsblad , 1-10-1955; Bibeb, 'Julia Culp' [1955], in idem, Bibeb in Holland (Utrecht 1958) 87-90; Hermine Heijermans, in Algemeen Handelsblad , 31-5-1957; interview door T.A. Voûte, in De Telegraaf , 6-10-1965; 'Julia Culp, 1880-1970' in de onder P genoemde publicatie De interpretatie van het lied , 23-34; Floris Juynboll, 'Julia Culp. Een biografie', in De Weergever 17 (mrt./apr. 1995) 53-59.

I: J. Hartog, Beroemde zangeressen (Amsterdam 1916) fotokatern, 25.

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013