Dommelen, Isidore Louis Bernard Edmon van (1883-1934)

 
English | Nederlands

DOMMELEN, Isidore Louis Bernard Edmon van (1883-1934)

Dommelen, Isidore Louis Bernard Edmon van, (artiestennaam Lou Tellegen), acteur (Sint-Oedenrode (N.Br.) 26-11-1883 - Los Angeles (Californië, Verenigde Staten) 29-10-1934). Zoon van Isidor Louis Bernard Edmon Tellegen, tweede luitenant der infanterie, uit een buitenechtelijke relatie met Anna Maria van Dommelen. Gehuwd in 1903 met Jeanne de Brouckère (?-?), beeldend kunstenares. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (1905) gehuwd op 8-2-1916 met Geraldine Farrar (1882-1967), operazangeres en filmactrice. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na echtscheiding (maart 1924) gehuwd in 1924 met Isabelle Dilworth (artiestennaam Nina Romano) (?-?), actrice. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (1928) gehuwd in maart 1930 met Eve Casanova (artiestennaam) (?-?), revuedanseres en actrice. Dit huwelijk, dat omstreeks 1932 werd ontbonden, bleef kinderloos. Omstreeks 1913 verkreeg hij de Amerikaanse nationaliteit.

afbeelding van Dommelen, Isidore Louis Bernard Edmon vanLou van Dommelen was een buitenechtelijk kind, zoveel is zeker. Bij zijn geboorte kreeg hij de voornamen van zijn vader en de achternaam van zijn moeder. Maar dit is tegelijk ook het enige dat over zijn jonge jaren onomstotelijk vaststaat. In zijn memoires zijn feit en fictie onmogelijk te scheiden. Zelf beweerde Lou Spartaans te zijn opgevoed door een collega-officier van zijn vader in Amsterdam. Hij zou er zijn onverschrokken persoonlijkheid en atletische lichaamsbouw aan te danken hebben. Met zijn rijzige gestalte en knappe, donkere uiterlijk trok hij al vroeg de aandacht van vrouwen èn mannen. Van deze fysieke aantrekkingskracht was hij zich terdege bewust, en zijn leven lang zou hij proberen er gebruik van te maken.

Naar eigen zeggen verliet Lou Tellegen - zoals hij zich ging noemen - omstreeks 1898 Nederland en zwierf hij door Rusland, Polen en Duitsland, de kost verdienend met baantjes als colporteur, smid, timmerman, huisschilder en circusacrobaat. Een Hongaarse toneelspeelster, een van de vele vrouwen met wie hij in deze jaren een affaire had, zou bij hem de liefde voor het acteren hebben wakker geroepen. Toen Tellegen omstreeks de eeuwwisseling naar Nederland terugkeerde, vond hij werk bij het pas opgerichte Rotterdamsch Tooneelgezelschap van Dieck van Eysden. Zijn engagement daar duurde echter niet lang, zoals vrijwel niets wat hij in zijn leven ondernam lang zou duren, en in 1902 besloot hij zijn geluk opnieuw in het buitenland te beproeven.

Tellegen was enige tijd kunstenaarsmodel, eerst in Brussel en daarna in Parijs, waar hij - afgaande op zijn memoires - omstreeks 1903 gedurende enkele maanden het exclusieve model van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin zou zijn geweest. In een van de Parijse studio's en académies waar hij daarna poseerde, ontmoette Tellegen de kunststudente Jeanne de Brouckère, telg uit een gefortuneerde Belgische familie, met wie hij in het huwelijk trad, een huwelijk dat slechts twee jaar standhield.

Jeanne moedigde haar echtgenoot aan om - ondanks zijn zware Hollandse accent - de toneelopleiding te volgen aan het prestigieuze Conservatoire nationale de Musique et de Déclamation in Parijs. De vijf jaren die hierop volgden, werden - als men tenminste Tellegen zelf mag geloven - gekenmerkt door voor- en tegenspoed, verre en avontuurlijke reizen en een afwisselend liefdesleven. Tussen 1905 en 1910 zou hij niet alleen in gerenommeerde Franse toneelgezelschappen hebben gespeeld, maar ook in derderangs vaudevilles. Hij zou zowel de eigenaar zijn geweest van een Italiaanse villa als nachtenlang op banken in het park hebben moeten slapen. Naar eigen zeggen trok hij in 1909/1910 gedurende elf maanden geheel alleen onder barre omstandigheden door het Braziliaanse regenwoud om uiteindelijk als stoker in het ruim van een vrachtschip naar Frankrijk terug te keren.

In Parijs werd Tellegen onder de aandacht gebracht van Sarah Bernhardt. De toen 66-jarige actrice raakte zo onder de bekoring van zijn knappe uiterlijk dat zij hem opnam in haar ensemble, zijn matige acteertalent gemakshalve negerend. De veertig jaar jongere Tellegen werd haar vaste tegenspeler èn haar minnaar. In 1910/1911 nam Bernhardt hem mee op een langdurige tournee door de Verenigde Staten. Zijn Hollandse accent viel hier weliswaar minder op dan bij terugkeer in de Parijse theaters, maar zijn gebrekkige toneelprestaties ontgingen de Amerikaanse critici niet. Ook hier moest hij het hoofdzakelijk hebben van zijn imponerende fysiek; het vrouwelijke publiek adoreerde hem.

Samen met Sarah Bernhardt was Tellegen in deze jaren tevens op het witte doek te zien. Van de drie toneelverfilmingen waarin hij naast de Franse actrice optrad, was vooral Les amours de la reine élisabeth uit 1912 een kassucces, niet alleen in Frankrijk, maar ook in de Verenigde Staten, waar de film nog datzelfde jaar als Queen Elizabeth werd uitgebracht. Toen Tellegen in 1913, tijdens Bernhardts volgende Amerikaanse tournee, opnieuw veel applaus oogstte, besloot hij zijn toneelcarrière zonder zijn beschermvrouwe voort te zetten in de Verenigde Staten, of zoals hij het zelf zonder valse bescheidenheid in zijn memoires uitdrukte: 'to star alone' (284).

Op Broadway speelde Tellegen in verscheidene toneelstukken. En opnieuw misten zijn knappe uiterlijk en on-Amerikaanse allure hun uitwerking op het vrouwelijk theaterpubliek niet: 'French romance, hand-kissing romance, dashing romance, it lives again with Tellegen', luidde een van de jubelende recensies (Caroll, 95). In de kortste keren was hij een 'matinee idol'. Vooral zijn hoofdrol in het melodrama Maria Rosa bleek een spectaculair succes. Toen Samuel Goldwyn, indertijd financieel directeur van de Jesse L. Lasky Feature Play Company, Tellegen in 1915 in dit stuk op de planken zag, was hij zo onder de indruk dat hij hem onmiddellijk contracteerde. Voor de Lasky Company zou hij zes films maken, waaronder The explorer (1915) en The Victoria cross (1916).

Goldwyns hoge verwachtingen werden evenwel niet waargemaakt. 'Lou Tellegen was at the very most only a moderate film success. The good looks which first caused such a flurry among the feminine portions of his stage audiences never carried well on the screen', luidde zijn teleurgestelde commentaar achteraf (Goldwyn, 154). Kort na Tellegens aankomst in Hollywood arriveerde daar ook Geraldine Farrar. Deze gevierde sopraan van de Metropolitan Opera was eveneens bezweken voor het aanbod het New Yorkse theater enige tijd te verruilen voor de Californische studio's om daar een aantal films op te nemen. Tussen Tellegen en Farrar ontstond spoedig een romance, en begin 1916 trouwden zij.

Dit huwelijk kwam Tellegens tot dan toe weinig voorspoedige filmcarrière ten goede. Niet alleen was hij nu de helft van een in de populaire pers gretig beschreven 'famous movie couple', maar ook kon hij ongegeneerd meeprofiteren van de roem van zijn vrouw als operadiva en - naar weldra bleek - getalenteerde filmactrice. Toen duidelijk werd dat de studiobazen met Tellegen in hun maag zaten, wist Farrar hen over te halen haar man enkele films te laten regisseren. Het draaide uit op een fiasco, zodat het bleef bij The long trail - waarin hij tevens de hoofdrol speelde - en What money can't buy , beide uit 1917, en The things we love uit 1918.

Na als regisseur te zijn mislukt dwong Tellegen zijn terugkeer af als filmacteur. Voor de nieuw opgerichte Goldwyn Pictures Corporation maakte hij als tegenspeler van Farrar in 1919 The world and its woman en Flame of the desert en een jaar later The woman and the puppet . Kosten noch moeite werden daarbij gespaard, maar het publiek kwam er niet in groten getale voor naar de bioscoop. Tijdens de opnames was Tellegen zich in toenemende mate kleinzielig en jaloers jegens zijn echtgenote gaan gedragen. Het kwam tot heftige scènes op de set, omdat Farrar naar zijn mening meer close-ups kreeg dan hij. Ook het feit dat haar naam op de affiches boven de zijne prijkte, zinde hem niet. Aanvankelijk nam Farrar het voor Tellegen op - 'wifely loyalty prevailed over professional discretion', schreef ze hierover later (Farrar, 179) -, maar op den duur moest ook zij inzien hoe onredelijk en egoïstisch zijn gedrag was. Toen bovendien steeds openlijker bleek dat haar echtgenoot het met de huwelijkstrouw niet al te nauw nam, ging Farrar begin 1921 bij hem weg. Een slepend en geruchtmakend echtscheidingsproces volgde.

Intussen had Tellegen nog steeds meer succes op de planken dan op het witte doek; al die tijd was hij namelijk zijn filmcarrière blijven combineren met zijn toneelloopbaan. Die omvatte overigens meer dan alleen acteren. Tellegen trad ook een aantal malen op als producent en was bovendien co-auteur van twee toneelstukken - Blind youth (1917) samen met Willard Mack en The lust of gold (1919) samen met Andor Garvay - die volle zalen trokken en hem vele honderdduizenden dollars rijker maakten. Toen Tellegen in 1923/1924 met het eerstgenoemde stuk een maandenlange tournee door de Verenigde Staten maakte, werd hij verliefd op zijn jonge tegenspeelster, Isabelle Dilworth. Met deze actrice - tevens een rijke erfgename -, die hij de artiestennaam Nina Romano gaf, trad hij in 1924 in het huwelijk.

In 1924 kreeg Tellegen ook een nieuwe kans als filmacteur toen The Vitagraph Company of America hem een lucratief contract aanbood. Voor deze maatschappij maakte hij in dat jaar zes films, die een redelijk succes hadden, waaronder het societydrama Let not man put asunder . Dat hij de Engelse taal toen nog steeds niet helemaal beheerste, moge blijken uit zijn vraag aan tegenspeelster Pauline Frederick: 'What is this thing that no man puts? What is a sunder?' (Bodeen, 36). In 1925 sloot Tellegen een tweejarig contract met Fox Film Corporation. Voor deze maatschappij zou hij in acht films optreden, veelal in de rol van schurk, zoals in het melodrama East Lynne (1925) en in de western Three bad men (1926). Voor de romantische held was de inmiddels 42-jarige acteur te oud. Zijn optreden in deze films werd door de recensenten in het algemeen positief beoordeeld. Het waren jaren van grote rijkdom, met - naar Tellegen zelf beweerde - onder meer een kasteelachtig huis in de Hollywood Hills en vier auto's.

Aan deze jaren van voorspoed kwam in 1928 een einde. Niet alleen strandde toen Tellegens derde huwelijk, maar ook mislukte een nieuwe poging zich als regisseur te bewijzen: het onder zijn leiding tot stand gekomen huwelijksdrama No other woman was zo abominabel dat Fox deze film niet eens durfde uit te brengen. Tellegen besloot Hollywood de rug toe te keren en zich in New York geheel op zijn toneelcarrière te richten, niet in de laatste plaats omdat leeftijd op de planken minder telde. Op Broadway had Tellegen opnieuw succes, onder meer in Anna en in Cortez . Daarnaast trok hij met inferieure vaudevillestukken het land door. Op een van deze tournees ontmoette hij een revuedanseres van de Ziegfeld Follies, van wie alleen de artiestennaam, Eve Casanova, is overgeleverd. Zij werd in 1930 zijn vierde vrouw.

Tellegen naderde inmiddels de vijftig, en van de jeugdige schoonheid, die de grondslag van zijn carrière vormde, was toen niet veel meer over. Begin 1931 zocht hij zijn heil in plastische chirurgie om een rol te krijgen in Enemies of the law , zijn eerste optreden in een sprekende film. Het was een vergeefs offer: de komst van de 'talkies' betekende ook voor Tellegen het definitieve einde van zijn carrière op het witte doek. In hetzelfde jaar verschenen zijn memoires onder de titel Women have been kind (New York 1931). Geheel toegesneden op de vrouwelijke bewonderaars van het theater- en filmidool verschijnt Tellegen hierin als een rusteloze avonturier en romantische minnaar. Dit vrijwel zeker door een ghostwriter geschreven boek was namelijk in de eerste plaats bedoeld om er veel geld mee te verdienen.

En geld had Tellegen steeds harder nodig, want financieel zat hij helemaal aan de grond. Een bijrolletje in de film Call to arms in 1934 verhielp daaraan niets. Ook zijn gezondheid liet hem in de steek: in het laatstgenoemde jaar onderging hij drie operaties wegens kanker. Intussen voor de vierde maal gescheiden woonde hij de laatste jaren van zijn leven in Hollywood in bij een rijke weduwe die zich over hem had ontfermd. In haar huis ging Tellegen op een ochtend in 1934 in een depressieve stemming naakt op de vloer van de badkamer zitten. Hij spreidde de vele lovende recensies die hij in de loop der jaren had verzameld rondom zich uit. Vervolgens pakte hij de lange gouden schaar, waarmee hij deze besprekingen steeds had uitgeknipt, en pleegde harakiri.

P: De in de tekst genoemde memoires en de twee mede door hem geschreven toneelstukken. Een overzicht van Tellegens belangrijkste toneelrollen in Who was who in the theatre, 1912-1976 III (Detroit [etc.] 1978) 1536-1537. Een door Richard E. Braff samengesteld overzicht van de films waarin Tellegen tussen 1911 en 1931 optrad in de onder L genoemde publicatie van Holland, 228-229.

L: Samuel Goldwyn, Behind the screen (New York 1923) 81-96, 149-157; Geraldine Farrar, Such sweet compulsion. The autobiography of Geraldine Farrar (New York 1938); Cornelia Otis Skinner, Madame Sarah (Londen 1966); David Caroll, 'Lou Tellegen. The continental matinee idol', in The matinee idols (New York 1972) 91-96; DeWitt Bodeen, More from Hollywood. The careers of 15 great American stars (South Brunswick [etc.] 1977); Henk van Gelder, 'De zelfmoord van Lou Tellegen...', in NRC Handelsblad , 9-8-1984; Bob Bertina, 'Lou Tellegen. Een Hollander in Hollywood', in Vrij Nederland. Bijvoegsel , 30-11-1985; Larry Lee Holland, 'Lou Tellegen', in Films in Review 39 (1988) 222-229.

I: Cornelia Otis Skinner, Madame Sarah (Londen 1966) fotokatern.

A.J.C.M. Gabriëls


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013