Eijk, Henrietta Catharina Maria van (1897-1980)

 
English | Nederlands

EIJK, Henrietta Catharina Maria van (1897-1980)

Eijk, Henrietta Catharina Maria van, (bekend onder de naam Van Eyk), schrijfster (Amsterdam 15-2-1897 - Amsterdam 21-11-1980). Dochter van Dirk van Eijk, bankier, en Anna Jacoba Mulder, zangeres en muzieklerares. Gehuwd op 11-1-1936 met Willem Johan Marie Lenglet (pseudoniem Ed(ouard) de Nève) (1889-1961), journalist en schrijver. Dit huwelijk, dat kinderloos bleef, werd op 16-3-1946 ontbonden.

afbeelding van Eijk, Henrietta Catharina Maria vanHenriëtte ('Jet') van Eyk en haar twee jaar jongere broer Bert groeiden aanvankelijk op in een welvarend en beschermd milieu aan de Amsterdamse Stadhouderskade. De vader was een van de vennoten van de familiebank Weduwe Van Eyk&Zoonen. De twee kinderen waren toevertrouwd aan de zorgen van een gouvernante en bezochten na hun zesde jaar de particuliere school voor kinderen van gegoede stand van meester Heerema aan de Keizersgracht. Dit onbezorgde leven werd echter in 1911 ernstig verstoord, toen de bank failliet ging en vader Van Eyk voor zijn schuldeisers naar de Verenigde Staten vluchtte. Het achtergebleven gezin zou de bankroetier nooit terugzien: hij stierf in 1919 in dat verre land.

Jets moeder zag zich gedwongen een huurwoning aan de Jan Luykenstraat te betrekken en daar met kamerverhuur en muzieklessen de kost te verdienen. Begrijpelijkerwijs had de familiecatastrofe van 1911 diepe indruk gemaakt op dochter Jet. Haar hele leven zou zij zich zorgen maken over geld, ook toen dat niet meer hoefde, en de destijds bij haar gewekte schaamtegevoelens voor de plotselinge armoede tegenover haar omgeving zouden haar steeds bijblijven.

Na het eindexamen aan de christelijke HBS kon Henriëtte van Eijk vanaf 1918 met een beurs aan de Universiteit van Amsterdam studeren. Zij koos voor de biologiestudie, omdat zij graag dierenarts wilde worden. Drie jaar later deed zij kandidaatsexamen, maar aan het doctoraal kwam zij niet meer toe. Een ongelukkige val in het laboratorium dwong haar in 1928 met een gecompliceerd gebroken heup gedurende anderhalf jaar het bed te houden, waarna zij de studie opgaf. Om wat te verdienen ging Van Eyk toen verhalen voor krant en boek schrijven. Aangemoedigd door haar broer Bert en diens vrienden van de Amsterdamse kunstenaarssociëteit 'De Kring' slaagde zij erin De kleine parade voor druk gereed te maken en, na enige vergeefse pogingen bij reeds gevestigde uitgeverijen, eind 1932 bij een beginnende uitgever - Andries Blitz in Amsterdam - onder te brengen.

De kleine parade is een bundel korte schetsen met op zichzelf staande (kleine) plots, die telkens uitlopen op verrassende ontknopingen. Daarin vertelt de geborneerde 'freule Thérèse' op eigen, geheel argeloze wijze over haar belevenissen in de 'high society'. Met een knipoog naar haar lezers maakte Henriëtte van Eyk duidelijk hoe bekrompen standsvooroordelen bij aristocratie en gegoede burgerij konden zijn en hoe harteloos en zonder mededogen in die kringen over de 'lagere' standen werd geoordeeld. Het boek was bedoeld als een satire op gedrag en gewoontes bij de zogeheten 'hogere standen' in Nederland. Zij werd - zo herinnerde zij zich later - tot het schrijven van die satire gedreven door 'een enorme haat tegen een bevolkingsgroep, waar mijn familie vroeger ook bij had gehoord' (Het Vaderland , 28-7-1973).

De kleine parade werd onverwacht een onmiddellijk succes: de eerste druk was binnen enkele weken uitverkocht, en nog vele decennia daarna zou het werk worden herdrukt. Het is niet gemakkelijk dit langdurige enthousiasme voor het boek na zovele jaren te verklaren, want Henriëtte van Eyk was indertijd niet de eerste die in een roman kritiek op standsvooroordelen in Nederland uitte. Misschien was het aantrekkelijke van De kleine parade niet alleen dat het met luchtige vaart leek geschreven, maar ook dat de 'mindere' standen er bij Van Eyk zo goed van afkwamen: knechten en kruiers, dienstbodes en keukenmeiden konden de goedhartig ondergane vernederingen en beledigingen met harde munt terugbetalen.

Voor het persoonlijk leven van Henriëtte van Eyk had het succes van De kleine parade ingrijpende gevolgen. Zij werd nu schrijfster van beroep en zou dat haar hele leven blijven. Zij kon eindelijk zelfstandig gaan wonen, in een bovenhuis aan de Koninginneweg. Door haar boek leerde zij ook haar man kennen. De journalist en schrijver Ed. de Nève - een pseudoniem van Jean Lenglet - zag begin 1933 toevallig op de achterflap van De kleine parade Van Eyks foto. Hij rustte niet vóór hij haar adres had gevonden en haar vervolgens voor zich had gewonnen. In 1933 trok De Nève bij haar in, en in 1936 trouwden zij in Londen.

De verhouding tussen Henriëtte van Eyk en De Nève zou van het begin af aan niet zonder spanningen en moeilijkheden verlopen. Van Eyk was geïmponeerd door De Nèves charme, zijn avontuurlijkheid en lef, die in bezettingstijd echte moed zou blijken te zijn, maar zij kon niet wennen aan zijn onverschilligheid met geld, waardoor hij vaak schulden maakte, die Van Eyk uit eigen middelen moest vereffenen, en aan zijn al te sterke verhalen, waarin hij niet altijd de waarheid sprak. Fysieke kwalen maakten De Nève bovendien tot een - soms lastige - patiënt, voor wie Van Eyk moest zorgen. Maar erger was De Nèves jaloezie op de literaire successen van zijn vrouw die, ook na De kleine parade , zouden volgen. Een gezamenlijke verhalenbundel, Aan den loopenden band (1934), mocht daaraan niets verhelpen.

Henriëtte van Eyk ging inderdaad door met het schrijven van boeken en verhalen in dezelfde stijl en over hetzelfde thema, onder andere Intieme revue. De kleine parade II (1936). Maar behalve met een voortzetting van satirische stukken slaagde zij er ook in met een voor haar nieuw literair genre aandacht te trekken. Zij koos daarvoor de verhaalvorm van het sprookje en de parabel, door haar zo nuchter verteld dat daarin wonderwezens als vliegende paarden of babbelende eekhoorns alledaagse verschijnselen leken te zijn. Daarmee kreeg zij ook literaire critici op haar hand die tevoren haar werk meer als lectuur dan als literatuur wilden beschouwen. Gabriël. De geschiedenis van een mager mannetje (1935) ging over een tot mens omgetoverd zonnestraaltje dat op aarde kwam en hier in vele avonturen de mensheid naïef-verbaasd en simpel-kritisch waarnam. In 1937 ontving zij voor dit vaak geprezen boek de prestigieuze C.W. van der Hoogtprijs.

De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting stootten ook de levens van Henriëtte van Eyk en haar echtgenoot uit hun baan. De Nève, een verzetsman letterlijk van het eerste uur, werd eind september 1941 door de Duitsers gearresteerd, waarna een jarenlang verblijf in Nederlandse gevangenissen en Duitse concentratiekampen volgde. Van Eyk was aanvankelijk opzettelijk door De Nève buiten zijn gevaarlijke illegaal werk gehouden. Al vóór zijn arrestatie had zij het huis aan de Koninginneweg verlaten om ten slotte een woning aan de Reynier Vinkeleskade te betrekken, waar zij haar verdere leven zou blijven wonen.

Op dit adres begon Henriëtte van Eyk vanaf begin 1942 - op aansporing van kunstvrienden van 'De Kring' - een administratief centrum voor de distributie van gelden ten behoeve van Amsterdamse kunstenaars die door hun weigering lid te worden van de Kultuurkamer hun inkomsten kwijtraakten. Zij beheerde de illegale collectegelden en verdeelde die ten behoeve van kunstenaars - aanvankelijk vooral schrijvers en beeldende kunstenaars, later ook toneelspelers - geregeld over de (onderduik)adressen. In de eerste jaren werd Van Eyks kas vooral gespekt door giften en leningen, later vond een te verantwoorden financiële regeling plaats met het zogeheten (illegale) Nationaal Steunfonds. Van Eyk hield een kasboek bij met behulp van codes, die naar apart gehouden namen en adressen verwezen. Zij bracht vaak zelf geld en valse papieren rond op de vele adressen die haar werden opgegeven of die zij allang kende. Haar woning werd een echt contactadres, ook voor koeriersters en onderduikers die zich buitenshuis moesten wagen.

Na de bevrijding keerde De Nève terug uit Duitse gevangenschap: op 22 mei 1945 stond hij weer bij Henriëtte van Eyk op de stoep. Nadat hij enigszins op verhaal was gekomen, werd begin 1946 de - naar beider inzicht onvermijdelijk geworden, want door oorlog en bezetting slechts vertraagde - echtscheiding uitgesproken. Kort daarvóór, in december 1945 in Amsterdam, had de eerste ontmoeting plaatsgevonden tussen Van Eyk en Simon Vestdijk. Ook deze gevierde literator dacht op de drempel van een nieuw leven te staan: de angstige beklemming van de bezettingstijd was voorbij, de jarenlange relatie met zijn huishoudster zag hij steeds meer als benauwend, terwijl de eerste bevrijdingsmaanden hem hadden ontbolsterd. Juist Henriëtte van Eyk zou een van degenen zijn die in feestvierend Amsterdam iets van die dierbare vrolijkheid in hem losmaakten die hij tevoren lang niet of nooit had gekend. Van Eyk was bij hun beginnende liefdesverhouding ontspannen, hartelijk en ongecompliceerd spontaan. 'In mijn leven heb ik nooit zo gelachen als toen met hem', herinnerde zij zich (Vermij, 55).

Misschien was de door Henriëtte van Eyk en Vestdijk gezamenlijk geschreven roman in brieven, Avontuur met Titia (1949), wel typerend voor het verloop van hun liefdesverhouding. Vestdijk had de opzet en het plot van de roman bedacht: een flirt tussen een spirituele oudere kunstenaar en een ondernemend-pittige jonge vrouw, die elkaar 's nachts, onder spannende omstandigheden, ontmoeten in het dan stille Rijksmuseum. Het begin van deze brievenroman is vrolijk en heeft vaart. Het is vol kleine verrassingen en gebeurtenissen in de donkere zalen waar beroemde schilderijen op het giechelende paar neerkijken en waarbij Vestdijk het overigens niet kan nalaten enigszins zwaarwichtige beschouwingen over kunst en schilderdoeken ten beste te geven, die Van Eyk wat luchtigjes beantwoordt. Alles gaat echter aan het slot van het boek als een nachtkaars uit. Onder tegenover hem pruttelende tegenstand van Van Eyk raffelt Vestdijk alles af naar een lam einde. Het leek daarmee op hun eigen verhouding: na het zo sprankelende begin kwam Vestdijk gaandeweg steeds sporadischer bij haar in Amsterdam op bezoek. Van Eyk, die vond dat zij door hem te lang aan het lijntje werd gehouden, verbrak in 1955 de verhouding voorgoed.

Intussen was Henriëtte van Eyk, in het verlengde van haar illegale activiteiten in bezettingstijd, na de bevrijding betrokken geraakt bij tal van organisatorische werkzaamheden. Zo behoorde zij tot de oprichters en bestuurders (1944-1952) van de coöperatieve uitgeverij 'De Bezige Bij' en kreeg zij in verscheidene kunstenaarsorganisaties werk te doen in commissies, fondsen en jury's. Verder was zij van 1950 tot 1952 hoofdredactrice van het maandblad voor de vrouw Elégance , verzorgde ze rubrieken in het damesblad Margriet en in het opinietijdschrift Elsevier Weekblad en vertaalde zij enkele romans uit het Engels.

Het was bewonderenswaardig hoe Henriëtte van Eyk ondanks haar persoonlijke moeilijkheden - naast de verflauwende relatie met Vestdijk vergde later ook haar ziekelijke broer Bert langdurig veel van haar aandacht - en bij alle bestuursactiviteiten het literaire werk volhield. Van haar hand verschenen nog vele satires en sprookjes. Ook al begonnen aanpak en themata op den duur enigszins op elkaar te lijken, haar werk werd veel gepubliceerd en haar boeken en bundels werden gedurende haar leven goed verkocht en kennelijk vaak met plezier gelezen. De opnieuw op nuchter-humoristische wijze geschreven roman De jacht op de spiegel (1952) haalde bijvoorbeeld hoge oplagen. Wat men telkens weer van dit oeuvre in recensies prees, was de grillige fantasie, die nooit doofde, en vooral de woordspelige stijl van schrijven. Haar werk bleef vlot en soepel te lezen; veel ervan was geestig en vernuftig uitgedacht.

Nog in 1969 keerde Henriëtte van Eyk, 72 jaar oud, terug naar haar zo succesrijke literaire debuut, toen zij de dialogen schreef voor de door cabaretier Wim Sonneveld geregisseerde musical De kleine parade . Ook in een theateruitvoering bleek het onderwerp nog altijd bij een breed publiek aan te slaan, en na vele voorstellingen werd de musical in 1970 op de televisie vertoond. In 1973 trok de publicatie van haar autobiografie Dierbare wereld nog de nodige aandacht in de pers. Henriëtte van Eyk was als schrijfster van boeiende verhalen nog niet geheel vergeten toen zij, nadat haar gezondheid haar op den duur steeds vaker in de steek had gelaten, in 1980, op 83-jarige leeftijd overleed.

A: Collectie-Henriëtte van Eyk en persdocumentatie betreffende haar in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Een bibliografie in het kaartsysteem Mededelingen van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven . Een (bijna) volledige bibliografie in de onder L vermelde publicatie van Vermij, 87-89.

L: Lucie Th. Vermij, Een literaire clown. Leven en werk van Henriëtte van Eyk (Nijmegen 1995). Hierin: '[Publicaties] over Henriëtte van Eyk', 89-90. Secundaire bibliografie van publicaties over Henriëtte van Eyk in: Marianne Vogel, 'Henriëtte van Eyk' [aug. 1996], in Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur (Alphen aan den Rijn [etc.] 1980-).

I: Henriëtte van Eyk, Truus de nachtmerrie en andere verhalen (Nijmegen 1995) omslagfoto [Foto: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te "s-Gravenhage].

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013