Grossouw, Willem Karel Maria (1906-1990)

 
English | Nederlands

GROSSOUW, Willem Karel Maria (1906-1990)

Grossouw, Willem Karel Maria, rooms-katholiek priester en theoloog (Amsterdam 9-11-1906 - Nijmegen 22-5-1990). Zoon van Josephus Johannes Maria Grossouw, handelsreiziger, en Johanna Petronella Antoinette Lammers. Gehuwd op 25-8-1969 met Wilhelmina Johanna Sophia Holland (1936-1975), secretaresse. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Grossouw, Willem Karel MariaHet gezin Grossouw telde vier meisjes en één jongen: Willem, de oudste. Als misdienaar van tien jaar in zijn parochiekerk geboeid door de liturgie, wilde de kleine Willem niets liever dan priester worden. Omdat het gezin intussen was verhuisd naar Vught, volgde hij de daartoe vereiste studies op de seminaries 'Beekvliet' in St. Michielsgestel voor de humaniora (1918-1924) en Haaren voor de filosofie en theologie (1924-1930). In het laatstgenoemde jaar werd hij in de St. Jansbasiliek van 's-Hertogenbosch tot priester gewijd.

Voorbestemd om docent te worden aan het grootseminarie zette Grossouw zijn studies voort aan het door de jezuïeten geleide Pauselijk Bijbelinstituut in Rome. De kennismaking met het mediterrane leefklimaat maakte op de geheel kerkelijk-klerikaal gevormde jongeman - naar eigen zeggen een emotioneel onrijp groentje - diepe indruk. Terugziende schrijft hij in zijn memoires dat hier de wortels liggen van 'het conflict in mijn leven' ( Alles is van u , 81), een conflict dat zich in theologische en geloofstermen zou vertalen, maar dat uiteindelijk dieper ging en een botsing was in zijn persoonlijke, seksuele levenssfeer. In de zomer van 1934 werd Grossouws studie onderbroken door zijn merkwaardige vlucht naar het Engelse kartuizerklooster Parkminster in Sussex om - in zijn eigen woorden - 'mijn zogenaamde seksuele problematiek tot oplossing te brengen' ( ibidem , 160). Na enkele dagen keerde hij 'bevrijd en verslagen' terug in de wereld. Grossouw rondde zijn Romeinse studies in 1936 af met het proefschrift The coptic versions of the minor prophets. A contribution to the study of the Septuagint (Rome 1938).

Toch zou Grossouws levenswerk niet liggen bij dit hoog gekwalificeerde specialistenwerk, maar veeleer in het bevorderen van de bijbelkennis en de bijbelse spiritualiteit van zijn studenten en van zijn geloofsgenoten in het algemeen. Hij kon daarmee direct beginnen op het grootseminarie Haaren, waar hij van 1936 tot 1953 les gaf aan aankomende Brabantse parochiepriesters. Gedurende de bezettingsjaren 1942-1945 leefde het seminarie 'in ballingschap' in Tilburg, waardoor voor even het isolement van de traditionele priesteropleiding werd doorbroken, een ervaring die niet werd vergeten: de oude geslotenheid keerde nooit meer helemaal terug.

Van veel gewone taken ontheven schreef Grossouw tegen het einde van de Duitse bezetting - vooral met oog op zijn seminariepubliek - de ontwerpteksten van het meditatieboek Innerlijk leven. Overwegingen voor alle dagen van het jaar , dat begin 1948 zijn eerste uitgave beleefde. Kort tevoren, in de zomer van 1947, was Grossouw benoemd tot hoogleraar in de exegese van het Nieuwe Testament aan de Rooms-Katholieke Universiteit te Nijmegen, een functie die hij moest combineren met het docentschap aan het seminarie in Haaren. Hierdoor zag hij zich gedwongen op en neer te reizen: tot 1950 vanuit Haaren, daarna vanuit Nijmegen. Zijn inaugurele rede droeg als titel Sint Paulus en de beschaving van zijn tijd. Hierin typeert hij de apostel als de kampioen van de evangelische vrijheid en het christelijke humanisme.

In zijn onderwijs richtte Grossouw vooral de aandacht op de brieven van Paulus en de johanneïsche geschriften, te weten het vierde evangelie, de drie brieven op naam van Johannes en de Apocalyps. Maar zoals zijn bibliografie uitwijst, beperkte zijn onderzoek zich daartoe niet. Zo was hij in 1951 een van de eersten die baanbrekende studies het licht deden zien over de betekenis van de vier jaar eerder ontdekte Dode Zeerollen voor het Nieuwe Testament. De theologische faculteit van de universiteit van Nijmegen was toentertijd nog een klerikaal onderonsje, waar priesters les gaven aan priesters. Grossouw wist velen van zijn studenten voor een wetenschappelijke studie van de bijbel te enthousiasmeren, al was hij als docent eerder afstandelijk en soms zelfs scherp. Niet voor niets hadden medestudenten in Rome hem de bijnaam 'bocca della verità' (: 'de mond van de waarheid') gegeven.

Al vanaf de eerste periode van zijn hoogleraarschap reikte de invloed van Grossouw tot ver buiten het Nijmeegse universitaire milieu. Zo hield hij in 1952 zijn geruchtmakende voordracht Katholiek Réveil en spiritualiteit , waarin hij de al te sterke benadrukking van de wil in de traditionele ascese aan de kaak stelde, een ascese die hij - zelf wijs geworden door het mislukte kartuizerexperiment - neurotiserend en verouderd noemde. Alle toenmaals door de jezuïeten (mede)geredigeerde tijdschriften en periodieken vielen over hem heen, want de onaantastbare retraitemethodes van Ignatius van Loyola kregen in Grossouws betoog indirect een veeg uit de pan. Volgens hem was de katholieke spiritualiteit hoognodig toe aan een herbronning, die haar kracht moest vinden in bijbel en liturgie en die moest uitmonden in een keuze voor de vrijheid en tegen de joodse wet zoals Paulus die zag en beleefd had.

Het boek van Grossouw dat in eerste instantie deze gedachte - zeer voorzichtig geformuleerd - onder de aandacht bracht, was het al genoemde Innerlijk leven , het meditatieboek voor alle dagen van het liturgische jaar. Meditatie en inwendig gebed beschouwde Grossouw als een soort kunst omwille van de kunst: 'het sluit zijn doel in zich. Het is de liefde. En wat is er hoger dan dit?' (p. 9). Generaties (toekomstige) priesters, religieuzen en katholieke leken hebben dit boek, meestal in de vroege ochtenduren, ter hand genomen en zijn ermee ontgroeid aan de moralistische en vaak krampachtige, door de jezuïeten ontwikkelde exercities. Een andere bestseller die - ook in het buitenland - de aandacht nog rechtstreekser naar de Heilige Schrift leidde, was Bijbelse vroomheid. Beschouwingen over de spiritualiteit van het Nieuwe Testament (1954). In zijn titel deed het wellicht aan 'braafheid' denken, maar in feite bevatte het een bijbelse theologie van het Nieuwe Testament. Het boek, de neerslag van colleges voor belangstellenden 1953/1954 - een eerste doorbreking van de clericale geslotenheid van de faculteit -, radicaliseerde op studieuze wijze Innerlijk leven en wekte daarmee opnieuw reacties pro en contra op, de laatstgenoemde weer van traditionele jezuïetenzijde. Grossouw beschouwde het, in zijn laatste editie, als zijn beste boek. Tot in de eerste helft van de jaren zestig is het druk gelezen.

Aan de Nijmeegse faculteit van de theologie werd in 1957 door Grossouws persoonlijke bemoeienissen de Belgische dominicaan E.C.F.A. Schillebeeckx tot hoogleraar in de dogmatiek en geschiedenis van de theologie benoemd, een aanstelling die in het theologische en kerkelijke klimaat in Nederland gedurende de jaren rond het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) van verstrekkende betekenis zou blijken. Ongeveer terzelfder tijd ondernam hij als rector magnificus (1957/1958) discrete pogingen de naar Rome verbannen hoogleraar en redemptorist W.J.A.J. Duynstee naar Nederland te laten terugkeren. Ook leverde hij een vroege en wezenlijke bijdrage aan de democratisering van de bestuursstructuur van de faculteit. Landelijke bekendheid kreeg de hoogleraar exegese door zijn optreden als getuige-deskundige in het fameuze 'ezelsproces' tegen de schrijver Gerard Kornelis van het Reve in 1966. Daar moest laatstgenoemde terechtstaan wegens 'godslastering' in zijn fantasie van God als een ezel, waarmee hij (de schrijver) seksuele gemeenschap had. Grossouw betoogde dat dit beeld van de Godservaring paste in een lange traditie van mystieke schrijvers en zelfs in de erotische beeldentaal van de bijbel. In deze jaren had Grossouw geregeld schriftelijk contact met Van het Reve, die hem onder meer adviseerde bij de vertalingen waarmee Grossouw indertijd was belast, in het bijzonder die van de Romeinenbrief in De Bijbel uit de grondtekst vertaald (1978), bekend als de Willibrord-bijbel.

In 1969 kwam Grossouw wederom landelijk in het nieuws toen zijn voorgenomen huwelijk met een dertig jaar jongere secretaresse van de faculteit voortijdig bekend werd. Voor een kerkelijk huwelijk waren dispensatie van de celibaatsgelofte en ontslag uit de priesterlijke bediening noodzakelijk. De bevoegde Romeinse instantie maakte hiermee echter weinig haast. Ten slotte schoot kardinaal B.J.Alfrink hem te hulp, die twee dagen voor de geplande huwelijksdatum telefonisch de vereiste toestemming regelde. Hij had daarbij de Congregatie voor de Geloofsleer de verzekering moeten geven dat zo spoedig mogelijk na het huwelijk Grossouws ontslag als hoogleraar aan de theologische faculteit zou worden geregeld. De kardinaal is aan deze in zijn ogen onredelijke eis ten slotte niet tegemoet gekomen, wat hem in Rome veel goodwill heeft gekost. Het huwelijk is Grossouw niet door al zijn bewonderaars in dank afgenomen. Hij ontving bedroefde, kritische en verontwaardigde brieven, en er waren kloosterzusters die Innerlijk leven , waaruit zij jarenlang trouw hadden gemediteerd, bij wijze van vervloekingsritueel doormidden scheurden.

Uit het gelukkige huwelijk van de bejaarde hoogleraar en de veel jongere secretaresse werden twee kinderen geboren, een meisje (1971) en een jongen (1973). Vrijwel onmiddellijk na de geboorte van deze laatste werd bij Grossouws echtgenote een kwaadaardig gezwel ontdekt, waarvoor zij lange tijd werd bestraald. Begin november 1975 overleed zij, haar 69-jarige echtgenoot met twee jonge kinderen achterlatend. Het meisje en de jongen werden begin 1976 opgenomen in een bevriend jong gastgezin. Grossouw zelf verkocht de echtelijke bungalow in Lent, aan de overkant van de Waal, en keerde terug naar Nijmegen, waar hij een flat betrok.

In 1977 nam Grossouw afscheid van de universiteit, waarbij hij een rede uitsprak getiteld Paulus onder de joden , die het thema van het dualisme van de apostel - een hellenistische jood tussen Wet en Evangelie - herneemt. Op doorwrochte wijze presenteerde Grossouw daarin opnieuw de conclusie dat Paulus een christen-humanisme verkondigt, dat de thora verwerpt, niet als leer en openbaring aan de joden als Gods volk meegedeeld, wel als dwingend systeem van wettelijk-morele prestatieheiligheid, waarmee de mens zijn eigen heil bewerkt.

Na zijn huwelijk en nog meer na zijn afscheid als hoogleraar werd het stil om Grossouw. Zijn status van priester-weduwnaar zorgde ervoor dat hij in de katholieke gemeenschap niet meer die invloed kon hebben van vóór 1969. In 1981 werd de stilte van zijn kant doorbroken met de publicatie van zijn 'gewijde en profane herinneringen' onder de titel - opnieuw ontleend aan Paulus ( I Kor. 3, 21-23) - Alles is van u .

Deze openhartige en uitvoerige memoires - de uitgever had in het aangeleverde materiaal duchtig geschrapt - waren blijkens de opdracht oorspronkelijk bedoeld voor zijn nog jonge kinderen. Zij geven een boeiend beeld van de (Nederlandse) katholieke cultuur van de twintigste eeuw en scherpe portretten van enkele hoofd- en bijrolspelers daarin. Sommige details, zoals die aangaande de financiële emolumenten van zijn veelverkochte meditatieboek, gaven ook zijn bewonderaars enige aanstoot. Uit heel het relaas blijkt dat de auteur een levensgenieter en een estheet was, die geen enkele affiniteit had met de politiek geladen bevrijdingstheologie, zoals die toen in Nijmegen en elders in de mode was.

In maart 1984 bleek dat Grossouw niet langer meer zelfstandig kon wonen. Hij kreeg een kamer in het 'Berchmannianum' in Nijmegen, een verpleeghuis voor geestelijken. Daar verdween hij meer en meer in het schaduwland van de dementie en werd hij steeds minder aanspreekbaar. Ook hier bleef Grossouw nog een teken van tegenspraak, doordat hij soms, al dan niet bewust, een priesterstool omdeed voor de gezamenlijk gecelebreerde eucharistie, waartegen enkele van zijn vroegere ambtsbroeders formeel bezwaar aantekenden.

Willem Grossouw was een productieve, literair begaafde en fijnzinnige geleerde, die niet alleen in academische zin school heeft gemaakt. Door zijn geloofsgenoten meer in aanraking te brengen met de bijbel en een daaraan ontleende spiritualiteit, speelde hij een voorname rol in wat wel genoemd is 'de tweede emancipatie' van de katholieken in Nederland. Grossouw werd gedurende zijn meer dan veertigjarige loopbaan als bijbelgeleerde in katholieke milieus even druk gelezen als besproken, omdat hij in leer en leven beide even authentiek als vrijmoedig was.

A: Archief-W.K.M. Grossouw in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: Bibliografie tot en met 1976 in Van taal tot taal. Opstellen over het vertalen van de Schriften aangeboden aan prof.dr. W.K. Grossouw bij diens afscheid van de Nijmeegse Universiteit . Onder red. van B.M.F. van Iersel [e.a.] (Baarn 1977) 177-183. Grossouws memoires : Alles is van u. Gewijde en profane herinneringen (Baarn 1981).

L: B.M.F.van Iersel, 'Grossouw vijfenzestig jaar', in De Tijd, 9-11-1971; interview door Ton Oostveen, in De Tijd, 16-9-1977; Kees Fens, 'Grossouw kiest voor vrijheid', in de Volkskrant , 22-9-1977; Jan van Laarhoven, 'Uit de overlevering van een overlevende. Klein commentaar op Grossouw 1-110', in de onder P genoemde publicatie Van taal tot taal , 125-146; Gerard Reve, Brieven aan geschoolde arbeiders [Brieven van Reve aan Grossouw, 1964-1972.] (Utrecht [etc.] 1985); Ton van Schaik, 'Willem Grossouw verzette de bakens', in HN Magazine, 23-6-1990.

I: HN Magazine, 23-6-1990, p. 22.

A.H.M. van Schaik


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013