Gunning [Wzn.], Johannes Hermanus (1859-1951)

 
English | Nederlands

GUNNING [WZN.], Johannes Hermanus (1859-1951)

Gunning [Wzn.], Johannes Hermanus, pedagoog (Utrecht 13-7-1859 - Hilversum 5-3-1951). Zoon van Jan Willem Gunning, hoogleraar scheikunde, en Petronella Adriana Pierson. Gehuwd op 14-12-1882 met Cecilia van Eeghen (1858-1899). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. Na haar overlijden gehuwd op 21-7-1904 met Elisabeth Antonia Boissevain (1864-1906). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden gehuwd op 13-7-1912 met Minna Anne Hélène Breyer (1877-1971). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

afbeelding van Gunning [Wzn.], Johannes Hermanus'Wordt mij dat (sic!) voor een zoon aangerekend?', moet vader Gunning verschrikt hebben uitgeroepen toen hij het uiterlijk van zijn te vroeg geboren zoon Jan zag. 'Gedurende het eerste levensjaar was ik dan ook een stumpertje', vertelde Gunning junior later, 'daarna is mijn constitutie ... altijd een levend protest geweest tegen de meening, die aan te-vroeg-geborenen verminderde vitaliteit toeschrijft' (Autobiographie , 16).

Jan Gunning stamde uit een vooraanstaand, academisch geslacht en groeide vanaf zijn zesde op in Amsterdam, als de oudste zoon in een hoogleraarsgezin van acht kinderen. Van zijn ouders kreeg hij een ongewone opvoeding. Zo lieten zij hun dertienjarige zoon in 1872 ruim een half jaar in Parijs wonen, waar hij het Collège Municipal Chaptal bezocht. Daarna verbleef hij een klein jaar in Heidelberg in het gezin van oom Allard Pierson, die daar toen buitengewoon hoogleraar in de theologie was. Door de familie van zijn moeder onderging de jonge Gunning de invloed van het Réveil. Maar het meest werd hij, naar eigen zeggen, gevormd door het krachtige voorbeeld van zijn vader. Diens moderne gedachten over de zelfstandigheid van de wetenschap tegenover het geloof en over de voorlopigheid van alle wetenschappelijke kennis zou hij zich vrijwel geheel eigen maken.

Al in Parijs en Heidelberg bleek Gunning een tamelijk vroegrijpe en eerzuchtige knaap. Dat werd niet anders toen hij, bij terugkeer in Nederland, in augustus 1873 naar het Amsterdamsch Gymnasium ging: na privé-lessen Grieks en Latijn begon hij op eigen verzoek onmiddellijk in de tweede klas. Vanaf zijn zestiende jaar volgde hij godsdienstonderwijs bij zijn oom en naamgenoot J.H. Gunning jr., predikant in Den Haag en de grondlegger van de zogeheten ethische theologie. Mogelijk onder zijn invloed ging Gunning in 1877, na als 'primus' het gymnasium te hebben verlaten, aan de Universiteit van Amsterdam klassieke talen studeren. Reeds twee jaar later, in oktober 1879, deed hij hier kandidaatsexamen, in juni 1882 gevolgd door het doctoraal. Nog diezelfde maand aanvaardde hij een betrekking als leraar Grieks en Latijn aan het gymnasium in Utrecht, sindsdien zijn woonplaats. In zijn vrije tijd werkte Gunning aan zijn proefschrift De Babyloniis Aristophanis fabula , waarop hij op 2 december 1882 in Amsterdam bij prof. S.A. Naber cum laude promoveerde. Nog geen twee weken later trouwde hij met de doopsgezinde Amsterdamse koopmansdochter Cecilia van Eeghen.

Naast zijn leraarsbaan ontplooide Gunning in Utrecht vele activiteiten, waarbij zijn familierelaties hem toegang gaven tot 'de beste kringen' (Autobiographie , 23). Zo werd hij diaken in de kerkenraad en deed daar ervaring op in het armenwerk. Ook raakte hij betrokken in de politiek: in 1886 uitte hij in het openbaar kritiek op de antirevolutionaire onderwijspolitiek, waarin moraal en politiek, naar zijn mening, te veel werden vermengd. Gunning achtte geloof en geweten een persoonlijke zaak en bleef - niettegenstaande aanvankelijke vage sociaal-democratische sympathieën - heel zijn leven op de liberalen stemmen, al was hij, in tegenstelling tot de meesten van hen, een voorstander van subsidiëring van het bijzonder onderwijs, van verdergaande uitbreiding van het kiesrecht en - als geheelonthouder - van krachtige bestrijding van alcoholmisbruik.

In 1888 werd Gunning conrector van het gymnasium in Zwolle. In het relatieve isolement van dit 'zoo onsympathieke stadje' (ibidem , 24) was hij actief in verscheidene verenigingen op maatschappelijk terrein. Gunnings ambities reikten echter verder. Toen het in 1896 vacerende rectoraat van het Amsterdamsch Gymnasium - fel begeerd vanwege het daaraan verbonden buitengewoon hoogleraarschap in de pedagogiek aan de gemeentelijke universiteit - hem ontging, moest hij vooralsnog genoegen nemen met een bevordering tot rector in Zwolle.

In 1898 besloot Gunning terug te keren naar Utrecht, waar hij aan de Rijksuniversiteit werd toegelaten als privaatdocent in de praktische en theoretische pedagogiek. Alvorens in dit vak colleges te geven, ging hij met zijn gezin naar Jena om zich daar aan de universiteit in de pedagogiek en psychologie te bekwamen. Gunning had weliswaar al het een en ander over onderwijs en opvoeding gepubliceerd, maar er nog geen systematische studie van gemaakt. Toen daar na een jaar onverwacht zijn vrouw overleed, keerde hij met zijn zes kinderen naar Nederland terug. Begin januari 1900 werd hij opnieuw door een zware slag getroffen, toen ook zijn vader stierf. Een maand later opende Gunning zijn colleges aan de universiteit. Voorshands waren zijn vooruitzichten echter even onzeker als die van het vak dat hij als enige aan een Nederlandse universiteit doceerde.

Om zichzelf en zijn kinderen meer bestaanszekerheid te geven aanvaardde Gunning in januari 1902 de functie van schoolopziener voor het district Amsterdam. Hij ging toen weer in de hoofdstad wonen, waarheen hij in 1904 ook zijn privaatdocentschap verplaatste. Aangezien hij maar weinig studenten trok, zou het schoolopzienerschap jarenlang zijn voornaamste betrekking blijven. Inmiddels had Gunning zich op pedagogisch gebied een zekere reputatie verworven. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn benoeming in 1903 in het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks-Tucht- en Opvoedingswezen. In zijn werk voor dit belangrijke college - waarvan hij tot 1945 deel zou uitmaken - legde hij vooral de nadruk op differentiatie in kinderbeschermingsinstellingen naar aard en ernst van de misdaad of de verwaarlozing en op de noodzaak van een opleiding voor pedagogisch personeel.

Met één van de medeleden van het Algemeen College van Toezicht, Elisabeth Boissevain, trad Gunning in 1904 in het huwelijk. Zij kenden elkaar al langer, omdat Boissevain directrice was van de Opleidings-inrichting voor Socialen Arbeid in Amsterdam, waaraan Gunning sinds 1902 als docent en sinds 1903 als bestuurslid verbonden was. Het huwelijk duurde niet langer dan twee jaar: in augustus 1906, nog geen vijf maanden na de geboorte van hun zoontje, overleed zij. In 1912 trouwde Gunning opnieuw, ditmaal met de achttien jaar jongere Hélène Breyer uit Lotharingen. Het was 'een hoogst gelukkig huwelijk', vertelde hij later, 'dat voor veel geleden leed vergoeding heeft gebracht' (ibidem , 30).

Reeds met zijn 'paedagogische eersteling' (ibidem , 32), het in 1898 in Jena geschreven artikel over de 'Organizatie van ons onderwijs' in De Gids (62 (1898) IV, 188-238), verwierf Gunning zich enige faam. Hij bepleitte hierin als eerste in Nederland de oprichting van een lyceum, een nieuw schooltype dat zowel een HBS- als een gymnasiumopleiding omvatte, maar met een gemeenschappelijke onderbouw, waardoor de schoolkeuze enkele jaren werd uitgesteld. Gunning zou hierna in velerlei tijdschriften blijven publiceren, maar vooral in Het Kind. Veertiendaagsch blad voor ouders en opvoeders , dat hij van 1900 tot 1926 - eerst samen met anderen en vanaf 1912 alleen - redigeerde. Zijn artikelen waren meestal beschouwend, ethisch geladen, zonder schroom voor opvoedkundige aanwijzingen en gebaseerd op een grote kennis van de pedagogiek in heden en verleden.

In 1917 nam Gunning ontslag als districtsschoolopziener en verplaatste hij zijn privaatdocentschap wederom naar Utrecht. Hij verhuisde toen naar Hilversum, waar hij tot aan zijn dood zou blijven wonen. Door de reputatie die Gunning inmiddels had opgebouwd en omdat hij met 'een schijntractementje' (Autobiographie , 30) genoegen wilde nemen - de inkomsten uit zijn andere functies stelden hem daartoe in staat -, ging de Utrechtse universiteit er in 1923 toe over hem te benoemen tot buitengewoon hoogleraar. De 64-jarige Gunning werd hiermee niet de eerste, maar wel de eerste door de rijksoverheid betaalde hoogleraar in de pedagogiek in Nederland. Ondanks geringe aantallen studenten vervulde hij dit ambt tot 1931; de twee jaar die volgden op zijn emeritaat, deed hij dit ad interim.

Gunnings status was toen zo onaantastbaar, dat hij bij vrijwel elk initiatief op pedagogisch terrein was betrokken. Zo had hij - als vanzelfsprekend - vanaf de oprichting in 1919 zitting in de Onderwijsraad. Binnen dit ministeriële adviesorgaan ijverde hij voor hervorming van het secundair onderwijs, voor een pedagogische en didactische opleiding van aanstaande leraren en voor de instelling van een MO-akte pedagogiek; zonder veel succes overigens. 'De Onderwijsraad heeft mij ... nooit veel satisfactie gegeven', was zijn conclusie toen hij in 1932 teleurgesteld aftrad (geciteerd in: Mulder, Beginsel , 52). Verder maakte Gunning deel uit van het curatorium van de bijzondere leerstoel pedagogiek, die in 1918 aan de Universiteit van Amsterdam was ingesteld door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Tot zijn spijt werd niet hij, als pedagoog, maar de fysicus en filosoof Ph.A. Kohnstamm hierop benoemd. Met laatstgenoemde onderhield hij niettemin goede betrekkingen. Samen maakten zij bijvoorbeeld vanaf de oprichting in 1920 deel uit van de redactie van het tijdschrift Paedagogische Studiën . Overigens kon de goede verhouding niet verhinderen dat beide pedagogen omstreeks 1930 ernstig met elkaar in botsing kwamen over de vraag of opvoeding ook gewoontevorming inhield, zoals Gunning vond. Het conflict werd gesust en buiten de openbaarheid gehouden. Gunnings reputatie als pedagoog bleek ook toen koningin Wilhelmina hem in 1919 vroeg een plan op te stellen voor de middelbare schoolopleiding van haar dochter Juliana. Tot haar meerderjarigheid in 1927 zou hij de prinses zelf Latijn en Grieks geven.

Ook op gevorderde leeftijd gaf Gunning blijk van grote energie. Zo ging hij naast zijn vele pedagogische, publicitaire en bestuurlijke activiteiten, nog de praktische politiek in. Als bestuurslid van de Amsterdamse afdeling van de Liberale Unie had hij zich in verscheidene kringen uitgesproken voor een ethisch geladen, niet dogmatische, vooruitstrevende politiek. Na een kortstondig lidmaatschap, van 1916 tot 1919, van de Provinciale Staten van Noord-Holland, maakte Gunning van 1925 tot 1935 deel uit van de gemeenteraad van zijn woonplaats Hilversum. Daar bereikte hij echter weinig, niet alleen door de toentertijd noodzakelijke bezuinigingen, maar ook omdat hij meer bestuurder dan politicus was.

Door afkomst, eruditie en enorme werkkracht was Gunning een man van groot gezag, die zich, vooral in familiekring, maar ook soms daarbuiten, patriarchaal en enigszins regentesk gedroeg. 'In houding en gebaar, stem en optreden, had hij iets van een edelman - en ik heb vaak kunnen waarnemen, welk een indruk hij juist daardoor maakte, hoe dit imponeerde, tot eerbied opriep', meende zijn zoon Christiaan (geciteerd in: ibidem , 75). Anderen ergerden zich juist aan Gunnings zelfverzekerde stijl. Vanaf het eind van de jaren dertig, en zeker tijdens de Duitse bezetting, trok hij zich terug uit vrijwel al zijn functies en pedagogische activiteiten.

Zoals Gunning in politiek opzicht ethisch-religieus liberaal was, voorzichtig vooruitstrevend met een zekere allergie voor confessionele en socialistische bemoeizucht, zo was hij in de pedagogiek voorstander van ethische vorming. Opvoeding diende niet te geschieden door dogmatische zedenpreken, maar door het goede voorbeeld en met de nadruk op morele en intellectuele zelfstandigheid van het kind. Gunning sloot hiermee aan bij een internationale beweging tot hervorming van het onderwijs. Van een samenhangende, oorspronkelijke pedagogiek was bij hem geen sprake: 'ik heb nooit getracht mijn denkbeelden tot een ''systeem'' samen te voegen en tot het schrijven van een groot, systematisch werk ben ik blijkbaar niet in staat' (Autobiographie , 33). Vooral Gunnings relativisme was hieraan debet. Naar zijn mening school in elke opvoeding een subjectief element: 'in de paedagogiek is altijd het omgekeerde ook waar' (geciteerd in: Mulder, Beginsel , 81). Gunnings geschriften zijn hierdoor een verzameling losse stukken gebleven. Wetenschappelijk onderzoek heeft hij niet verricht, maar wel bevorderd. Het is Gunnings grote verdienste geweest dat hij met grote volharding de pedagogiek aan de universiteit heeft vertegenwoordigd, dat hij in talloze artikelen en voordrachten een serieuze benadering van pedagogische vraagstukken heeft gegeven en bepleit, en dat hij daaraan ook in vele besturen, raden, commissies en redacties heeft bijgedragen.

A: Archief-J.H. Gunning Wzn. in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Autobiographie (Groningen [etc.] 1934); P.L. van Eck jr., 'Bibliographie', in Keur uit de werken van prof.dr. J.H. Gunning Wzn. (Groningen [etc.] 1940) 587-614; Bibliografie in de onder L genoemde publicatie van Mulder, Beginsel en beroep , 331-335.

L: J.G. Nijk, 'Dr. J.H. Gunning als districtsschoolopziener, 1902-1917', in Het Kind [Extranummer] (1919) 5-8; R. Casimir, 'Dr. J.H. Gunning J.Wzn.', in idem, Paedagogische Studiën 10 (1929) 1-16; Ernst Mulder, 'Onder professoren. Het conflict tussen Gunning en Kohnstamm', in De kunst van het mores leren . Onder red van J. Eggink [e.a.] (Amersfoort 1988) 16-23; idem, 'J.H. Gunning Wzn.: Den genius der jeugd gewijd', in idem, Beginsel en beroep. Pedagogiek aan de universiteit in Nederland, 1900-1940 (Amsterdam 1989) 25-88.

I: Keur uit de werken van prof.dr. J.H. Gunning Wzn. (Groningen [etc.] 1940) afbeelding na titelblad.

E. Mulder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013