Halsema, Franciscus Aert Maria (1939-1984)

 
English | Nederlands

HALSEMA, Franciscus Aert Maria (1939-1984)

Halsema, Franciscus Aert Maria, cabaretier en zanger (Amsterdam 13-9-1939 - Amsterdam 24-2-1984). Zoon van Arie Halsema, reclametekenaar, en Maria Hermina Schelvis. Gehuwd op 1-12-1964 met Johanna Maria Louise Verreydt (artiestennaam Anke Cordess) (geb. 1942), danseres. Uit dit huwelijk, dat op 26-7-1976 werd ontbonden, werd 1 zoon geboren.

afbeelding van Halsema, Franciscus Aert MariaFrans Halsema werd geboren aan de rand van de Amsterdamse Jordaan. Samen met twee broers en een zuster groeide hij op in wat hij noemde 'een braaf, rechts, katholiek milieu' (Elegance , mei 1977). Frans was enige tijd misdienaar en zong in het koor van de patronaatsvereniging. Verder trad hij op in de door zijn vader geschreven revuetjes en tussen de schuifdeuren in het 'gezinscabaret'. Al vroeg in zijn leven wist Frans één ding zeker: hij wilde in 'het Vak' iets bereiken. De cabaretier Toon Hermans was zijn grote voorbeeld.

Aan leren had Halsema een broertje dood. Halverwege de derde klas verliet hij de MULO om een beroepsopleiding aan de banketbakkersschool te volgen. Hij bleef er maar ongeveer een half jaar, omdat het hem niet beviel dat de theorielessen er langer duurden dan de praktijklessen. Halsema - inmiddels vijftien jaar oud - besloot te gaan werken. Hij kon aan de slag in een kruideniersbedrijf, maar nam ook hier al na negen maanden ontslag. Vervolgens werkte hij in een herenmodezaak, bij een effectenkantoor en op de administratie van een uitgeverij. In zijn vrije tijd ging hij op de 'schnabbeltoer'. Hij trad op in cafés en op bruiloften en partijen, zichzelf daarbij op de accordeon en de piano begeleidend.

De militaire dienstplicht vervulde Halsema van 1958 tot en met 1960 bij het Korps Mariniers. 'Dat was wel goed voor me. Het brak door die enorme bescherming van thuis heen', zei hij hierover later. Hij kreeg een schrijversopleiding en diende in de kazerne te Doorn. Dat bood hem de mogelijkheid 's avonds naar de cabaretschool van Bob Bouber in Amsterdam te gaan. Tijdens de diensttijd schreef hij zijn droomwens op: 'toneel, coulissen, applaus, licht, schmink. Op 40-jarige leeftijd van bij-rol tot one-man show' ('Frans', omzien in vrolijkheid).

Zijn eerste optreden als cabaretier beleefde Halsema in 1960 in het 'Pauze-Cabaret' in de City Music Hall in Amsterdam, waarin hij samenwerkte met Ronnie Potsdammer, Hansje Toussaint en Marijke Morley. Een jaar later kon hij als pianist aan de slag bij cabaret 'Lurelei'. Daar kwam hij in contact met Eric Herfst en Ben Rowold, twee socialistische jongeren die kanttekeningen plaatsten bij dingen die hem heilig waren. En ook al was Halsema rond zijn zeventiende jaar zijn geloof kwijtgeraakt - 'ik kon mij de bemoeizucht van de Schepper met mijn seksuele gedrag niet voorstellen' (Elsevier , 22-10-1977) -, de rake, niets verhullende meningen van zijn collega's kwamen hard aan.

In 1964 ging Halsema, samen met Ben Rowold, bij de VPRO-radio een tweewekelijks amusementsprogramma Parlando doen. Hierin hielden zij ontregelende straatinterviews en vraaggesprekken met vreemde mensen. Toch bleef hij ook in het volgende programma van 'Lurelei', O.K. en W. , nog voornamelijk als pianist en componist actief. Zijn zang- en spelkwaliteiten traden echter steeds duidelijker aan het licht, en in het programma Doe het zelf kreeg hij een grotere rol bij het legendarische cabaretgezelschap. Nog in datzelfde jaar brak hij met de groep. 'Lurelei' was een stichting geworden, en daarmee veranderde de sfeer. Alles werd zakelijker. Het feit dat zijn collega's zelfs bereid bleken met de commerciële zender TV Noordzee besprekingen te voeren over het maken van een serie 'Lurelei'-programma's - die overigens niet tot resultaat hebben geleid - was voor Halsema een extra reden om de groep te verlaten. Ook kwam een einde aan zijn samenwerking met Ben Rowold. Het publiek zag hen te veel als een duo, wat Halsema niet bevorderlijk vond voor zijn ontwikkeling.

Halsema, die inmiddels zang- en danslessen had gevolgd, ging zijn eigen weg en solliciteerde bij het ABC-cabaret van Wim Kan en Corry Vonk. Aanvankelijk werd hij geweigerd, maar Halsema bleef aandringen. Op 1 maart 1964 volgde een contractbespreking. Kan schreef in zijn Dagboek : 'Frans Halsema vroeg 800 gulden per maand en kreeg dat ook. (...) Geen kapsones. Maakte wel een goede indruk. Is geen pianist of accordeonist. Kan geen noten lezen' (p. 212). Bij het ABC-cabaret leerde Halsema de fijne kneepjes van het vak. Hij werd er een veelzijdig cabaretier. 'Kan heeft me geleerd aan mezelf te werken op honderdduizend verschillende manieren. Hij heeft mijn spontaniteit vervangen door bewust vakmanschap', aldus Halsema later (de Volkskrant , 4-3-1967). Bij het ABC-cabaret kwam hij in contact met de danseres Anke Cordess, met wie hij eind 1964 - ook voor de kerk - trouwde.

In 1967 verliet Halsema het gezelschap van Kan en begon hij aan een freelance-carrière. Zijn optreden tijdens het Boekenbal in het Amsterdamse Concertgebouw was een doorslaand succes. De door hem gezongen Boekenbal-lade 'Tante Mien, mag ik je titels even zien' werd een hit. Radio- en televisiewerk kreeg hij de daaropvolgende maanden voldoende, maar het theater bleef trekken. Cabaretier Gerard Cox had zo'n theater, 'Klein Bellevue' in Amsterdam, en vroeg Halsema of hij er samen met hem iets wilde doen. Aangezien Halsema al een afspraak had met de cabaretière Adèle Bloemendaal werd besloten gedrieën een programma te maken. Zo ontstond in 1968 Met blijdschap geven wij kennis , dat een daverende ontvangst kreeg. Halsema noemde het het beste waarin hij ooit gespeeld had. Na het vertrek van Adèle Bloemendaal werd het programma nog tot eind december 1970 voortgezet met cabaretière Conny Stuart.

Halsema ging weer groot opgezette televisieshows maken. Hij trad erin op met binnen- en buitenlandse artiesten. Al zijn talenten - zingen, dansen en acteren - kwamen daarbij aan bod. Ook maakte hij in die tijd enkele grammofoonplaten. Van 1971 tot 1973 speelde hij twee seizoenen lang de rol van 'Frans' in de musical En nu naar bed op teksten van Annie M.G. Schmidt en op muziek van Harry Bannink. Hierin zong hij prachtige duetten met tegenspeelster Jenny Arean; vooral hun lied 'Vluchten kan niet meer' werd klassiek. Het huwelijk van Halsema liep op de klippen toen hij een verhouding met Arean begon, een relatie die evenmin standhield.

Met Gerard Cox keerde Halsema in 1973 terug naar het cabaret. Hun tweede programma heette Wat je zegt dat ben je zelf en werd opnieuw een kassakraker. Na twee succesrijke seizoenen kreeg Halsema genoeg van de samenwerking. Hij wilde nieuwe uitdagingen zoeken en schreef in zijn dagboek: 'Ik heb, na een telefoongesprek van anderhalf uur met Wim Kan, besloten de knoop door te hakken en zelf een programma te maken'. Gerard Cox werd razend toen hem dit werd verteld.

In 1977 kwam de jongensdroom uit. Halsema bracht zijn eerste one-manshow Ik, ik en nog er 's ik in de theaters. Hij riep hierin een beeld op van zichzelf als vertegenwoordiger van de vroeg grijze generatie, die nog met plichtsbesef is grootgebracht, de godsdienstplichten inmiddels heeft laten waaien, van Jezus naar yoga ging, een tweede huis en een tweede vrouw zocht en desondanks de roomse blijheid behield, ook al kreeg die dan een rood randje. Halsema was geen scherp politiek cabaretier. 'Van huis uit ben ik niet zo'n kwetser. Ik ben vrij voorzichtig. Maar ik vind ook dat er dingen zijn die je belachelijk moet kunnen maken. Er zijn anderen die dat veel harder doen. Dat vind ik leuk. Ik kan het niet. Ik ben in alles een man van het midden. Ik ben op zijn sterkst veel meer een Carmiggelt-achtige beschouwer', zei hij over zichzelf (Het Parool , 26-2-1977).

Niettemin was Halsema's volgende one-manshow, Je moet er geweest zijn , veel harder. Dit samen met Guus Vleugel geschreven programma was aangenaam cynisch, een tikje wrang en zeer controversieel. Zijn derde show, Is die kruk vrij? , bracht hij in 1981 samen met het muzikale damestrio 'The Angels of Hope'. In dit onderhoudende programma bewoog Halsema zich heen en weer tussen smartlap en sentiment, romantiek en engagement en werden korzelige, venijnige uitspraken afgewisseld met milde liedjes. De toernee verliep moeizaam door onderlinge spanningen tussen Halsema, zijn begeleidsters en regisseur Bram Vermeulen. In dat jaar verliet hij Amsterdam om met Ria Groeneveld - sinds 1976 zijn vriendin - in een boerderij in het Betuwse dorpje Dreumel te gaan wonen.

In het seizoen 1982/1983 speelde Halsema weer een echt soloprogramma, Dag droom . Omdat het artistiek gezien niet aan zijn verwachtingen voldeed en de publieke belangstelling niet overweldigend was, brak hij het programma af. Vervolgens maakte hij samen met Paul Haenen voor de KRO-radio met veel succes het radioprogramma Nu hoor ik het ook . In maart 1983 werd het echter door de KRO-leiding stopgezet naar aanleiding van een satirische tekst die als 'minachting voor het katholieke volksdeel' werd beschouwd.

Halsema kreeg daarna het verzoek op het Boekenbal van 1983 op te treden met een nieuw boekentitelslied. Wegens moeilijkheden met zijn stembanden moest hij hiervan afzien. Wel bereidde hij een nieuw theaterprogramma voor, The show must go on , dat in april 1984 in première zou moeten gaan. Hij wilde zijn boerderij in Dreumel weer ruilen voor de stad, 'omdat de humor op straat ligt en niet in de wei', maar dat kwam er niet meer van. Begin 1984 liet hij zich opnemen in het Anthonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis in Amsterdam. Daar bleek de keelkanker niet meer te kunnen worden bestreden. Kort daarna overleed hij op 44-jarige leeftijd, thuis bij vrienden.

Frans Halsema was geen somber mens, maar vond het leven ook geen lolletje. Hij kon, zei hij, wel om zichzelf lachen. Volgens zijn vrienden was hij vrolijk en ongecompliceerd. Ze noemden hem 'totaal onbevangen' en 'buitengewoon warm'. Wanneer hij ergens binnenkwam ging er 'een soort zon' op. Halsema kon teder zingen en aardig dansen, maar slechts matig acteren; zijn charme en zijn uitstraling waren zijn grootste kracht. Als acteur kwam hij nog het meest tot zijn recht in korte sketches. Halsema behoorde niet tot de absolute top van de cabaretwereld, maar speelde er wel een belangrijke rol in. Vooral door liedjes als 'De vroeg grijze generatie', 'Voor haar', 'Kees', 'Zondagmiddag Buitenveldert' en het duet 'Vluchten kan niet meer' zal hij in de herinnering voortleven.

A: Documentatiemateriaal bij de documentatiedienst van de KRO te Hilversum en bij het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: Een overzicht van Frans Halsema's theater- en televisieoptredens in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 367. Discografie van Frans Halsema in de onder L genoemde publicatie van Van den Hanenberg en Verhallen, 330.

L: Wim Ibo, En nu de moraal... Geschiedenis van het Nederlands cabaret, 1936-1981 (Alphen aan den Rijn 1982); Jacques Klöters, 100 jaar amusement in Nederland ('s-Gravenhage 1987); De dagboeken van Wim Kan, 1957-1968. I: De radiojaren . Samengest. en ingel. door Frans Rühl (Amsterdam 1988); Patrick van den Hanenberg en Frank Verhallen, Het is weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat. Nederlands cabaret 1970-1995 (Amsterdam 1996). Op 24 februari 1994 zond de KRO de televisiedocumentaire 'Frans', omzien in vrolijkheid (1991) van Ria Groeneveld uit.

I: Keesings Historisch Archief 1984 (Amsterdam [etc.] z.j.) 608.

Ruud Gortzak


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013