Hamel, Anton Gerard van (1886-1945)

 
English | Nederlands

HAMEL, Anton Gerard van (1886-1945)

Hamel, Anton Gerard van, keltoloog (Hilversum 5-7-1886 - Utrecht 23-11-1945). Zoon van Gerardus Antonius van Hamel, hoogleraar strafrecht, en Maria s'Jacob.

afbeelding van Hamel, Anton Gerard vanNa de voltooiing van zijn opleiding aan het gemeentelijke gymnasium te Amsterdam studeerde Ton van Hamel van 1904 tot 1908 Nederlandse letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Reeds als student publiceerde hij artikelen op de terreinen waarop hij een specialist zou worden, de oudgermanistiek en de keltologie, in Propria Cures , waarvan hij van 1906 tot 1909 ook redacteur was. Tijdens zijn studietijd - en ook nog daarna - volgde hij colleges en privatissima in Ierland en Duitsland. Op 2 juni 1911 promoveerde Van Hamel cum laude bij de oudgermanist R.C. Boer aan de Universiteit van Amsterdam op De oudste Keltische en Angelsaksische geschiedbronnen .

Inmiddels was Van Hamel, in 1910, leraar Nederlands geworden aan het gemeentelijk gymnasium te Middelburg. Met deze betrekking was hij echter niet gelukkig, ten dele ook om financiële redenen. Daarom deed hij in 1912 een eerste poging een leerstoel te bemachtigen, en wel die voor Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Een gelegenheidspublicatie van zijn hand in dit kader werd in een open brief bekritiseerd vanwege het slechte Engels. De hoogleraarspost ontging hem. Een jaar later verhuisde hij van Middelburg naar Rotterdam, waar hij Nederlands gaf aan het Erasmiaansch Gymnasium.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog leek het erop dat Van Hamel zijn plaats had gevonden. In 1915 werd hij buitengewoon hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Bonn. Twee jaar later ontstonden er echter moeilijkheden met de Duitse overheid. Beperkingen in zijn bewegingsvrijheid deden Van Hamel 'vluchten' om zijn zieke vader te kunnen bezoeken. Naar Duitsland keerde hij niet terug. In Rotterdam aanvaardde hij in 1917 de functie van bibliothecaris aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool.

Een jaar later, in 1918, raakte Van Hamel opnieuw verzeild in een publieke twist rond een benoeming als hoogleraar. Ditmaal ging het om de leerstoel in de Nederlandse taal- en letterkunde van Jan te Winkel aan de Universiteit van Amsterdam. De faculteit had Van Hamel voor benoeming voorgedragen aan de gemeenteraad. Er ontstond echter een ware campagne onder letterkundigen, die niet onopgemerkt bleef door de pers, om een andere kandidaat op deze post te krijgen. Er werd op gewezen dat Van Hamel niet de juiste specialisatie zou hebben voor de leeropdracht en dat zijn recente boek, Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland (1918), niet meer dan een gelegenheidspublicatie zou zijn en kwaliteit zou ontberen. Van Hamel bleef dus bibliothecaris in Rotterdam, een functie die hij vanaf 1920 combineerde met een privaatdocentschap in het Keltisch aan de Leidse universiteit. In 1921 verruilde hij Rotterdam voor Den Haag, waar hij bibliothecaris werd van het Vredespaleis.

In 1923 kreeg Van Hamel eindelijk het professoraat dat hij al elf jaar lang had nagestreefd, en wel in het Oudgermaans aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Op zijn verzoek werd bij zijn benoeming het Keltisch aan de leeropdracht toegevoegd, waardoor hij zich als hoogleraar kon wijden aan zijn beide specialisaties, die - zo blijkt uit zijn 'Het geheim der Kelten' (in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1937-1938 (Leiden 1938) 15-32) - in zijn opvatting nauw bij elkaar hoorden. De Utrechtse leerstoel lijkt uiteindelijk de juiste plaats te zijn geweest voor Van Hamel. Als hoogleraar Engels of Nederlands in Amsterdam zou hij immers nooit de tijd hebben kunnen vinden voor zijn vele tekstuitgaven en studies. Ook in privé-opzicht kwam de benoeming op een gunstig moment. Hij trok nu in bij zijn moeder in Utrecht, over wie hij zich al jaren vóór het overlijden van zijn vader in 1917 zorgen had gemaakt. In 1925 werd Van Hamel lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Van Hamels publicaties bestrijken het gehele terrein van de filologie van de oudgermanistiek en de keltologie. Naast taalkundige werken, zoals 'De accentuatie van het Munster-Iersch' (in: Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen , afdeling Letterkunde (Amsterdam 1926) LXI, serie A, 287-324), een taal die hij in 1908 in Ballyferriter (Kerry) had geleerd, en het Gotisch handboek (1923), schreef hij studies over letterkundige onderwerpen. Het lijkt echter vooral de mythologie te zijn geweest die zijn liefde had gewonnen. Om de oude Ierse mythologie wetenschappelijk te kunnen bestuderen vervaardigde hij kritische edities van teksten als Compert Con Culainn and other stories (Dublin 1933), de Immrama (Dublin 1941), de Ierse voorlopers van de legende van Brendaan, en studies over hun wordingsgeschiedenis. Meer synthetiserend vatte Van Hamel zijn mythologische bevindingen samen in de 'Sir John Rhys Memorial Lecture' van 1934 voor de British Academy onder de titel 'Aspects of Celtic mythology'. Voor een breder publiek verzorgde hij de redactie van De tuin der goden (1940), een navertelling van de mythen van vele volken.

Tot een zekere popularisering was Van Hamel niet ongenegen. Naast artikelen in tijdschriften en bladen als De Groene Amsterdammer , De Witte Mier en Onze Eeuw , werkte hij mee aan de Oosthoek Encyclopædie en deed hij verscheidene boekjes en handboekachtige werken het licht zien. Sommige daarvan werden nog tientallen jaren na zijn dood herdrukt, zoals de Geschiedenis der taalwetenschap (1945).

Tegen het eind van de jaren dertig maakte Van Hamel een crisis door, die mogelijk samenhing met zijn homoseksuele geaardheid, maar in elk geval ook met de politieke ontwikkelingen in Europa. Er viel een gat in zijn bibliografie. Toen hij de draad weer had opgepakt, waren de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting een feit. Contacten met het buitenland en mogelijkheden voor publicatie werden minder of onmogelijk. Na de crisis rond de loyaliteitsverklaring, in het voorjaar van 1943, namen de werkzaamheden aan de universiteit tamelijk abrupt af. In het studiejaar 1944/1945 had Van Hamel nog slechts één student. Intussen werkte hij echter verder en verzorgde, naast artikelen in Neophilologus , waarvan hij van 1925 tot aan zijn dood redactielid was, onder andere de bijdrage over 'Keltische letterkunde' in deel twee van de Algemene literatuurgeschiedenis (1944). Dat de 'foute' Jan de Vries daarvan de redacteur was, deerde Van Hamel - die zelf aan minstens twee studenten een onderduikadres verschafte - kennelijk niet, evenmin als zovele anderen in die tijd. Ruim een half jaar na de bevrijding overleed Van Hamel, op 59-jarige leeftijd, tamelijk plotseling na een spoedoperatie in verband met een darmziekte.

Van Hamel heeft vooral school gemaakt op het terrein van de keltologie, waarvan hij de eerste echte beoefenaar was in Nederland. Het aantal promovendi dat hij mocht begeleiden, bleef gering. Van zijn twee meest belovende leerlingen stierf er een, Th.M. Chotzen, als gevangene van de Duitsers. De andere, Maartje Draak, zou hem, wat de keltologie betreft, opvolgen. Van Hamel liet zijn omvangrijke boekerij bij testament na aan de Utrechtse universiteit, waardoor deze een van de beste Keltische collecties buiten de Britse eilanden bezit.

Het is niet gemakkelijk zicht te krijgen op Van Hamel als mens. Er zijn gedichten van zijn hand, ten dele - onder de titel 'Van dood en zonde' - gepubliceerd in De Nieuwe Gids (35 (1920) II, 570-577). Andere poëzie is bewaard in zijn dagboek. Het homoseksuele karakter van deze liefdespoëzie heeft publicatie wel in de weg gestaan, zeker ook gezien zijn lidmaatschap van de Waalse kerk en het 'deftige' milieu waaruit hij voortkwam. Zijn lyrische aard is het duidelijkste zichtbaar in het boek IJsland. Oud en nieuw (1933). Van Hamel moet verdienstelijk viool hebben gespeeld. Zijn muzikale belangstelling bezorgde hem veel contacten. Daarnaast koesterde hij relaties met vrienden die hij tijdens zijn vele reizen had leren kennen. Na zijn dood schreef een van zijn IJslandse vrienden, met wie hij in 1935 voor een half jaar van leerstoel had geruild, een necrologie in het Reykjavikse Morgunblaõiõ (15-1-1946), een eer die wel weinig andere Nederlanders ten deel zal zijn gevallen.

A: Collectie-Joost Adriaan van Hamel in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Het manuscript De beschaving der Kelten en collegeaantekeningen berusten in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht.

P: Een volledige bibliografie van de keltologische publicaties van Van Hamel in Marc Schneiders en Kees Veelenturf, Celtic studies in the Netherlands. A bibliography (Dublin 1992) 28-42. 'Lijst der belangrijkste geschriften' in de onder L genoemde publicatie van Draak, 78-80.

L: G.C.N. de Vooys, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1945-1946 (Amsterdam 1946) 231-237; Maartje Draak, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1945-1946 (Leiden 1947) 70-80; Marc Schneiders, 'Anton Gerard van Hamel (1886-1945). Een biografische schets', in Vijf jaar Stichting A.G. van Hamel voor Keltische Studies (Utrecht 1995) 14-18.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld . Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 598.

Marc Schneiders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013