Hartong, Hendrina Cornelia, (1906-1991)

HARTONG, Hendrina Cornelia, (1906-1991)

Hartong, Hendrina Cornelia, danseres en choreografe (Rotterdam 23-2-1906 - Rotterdam 9-8-1991). Dochter van Frans Laurens Hartong, notaris, en Petronella Johanna Scherpenhuijzen.

afbeelding van Hartong, Hendrina Cornelia,Corrie Hartong groeide op als vijfde van tien kinderen in een remonstrants gezin, waarin muziek een grote rol speelde. Door haar vooruitstrevende moeder werd zij, samen met haar zuster, naar de danslessen van Angèle Sydow en Xanda Stradowska gestuurd, die beiden onderricht gaven volgens de zogeheten Dalcroze-methode. Als leerlinge van het Erasmiaansch Gymnasium in Rotterdam was Corrie begonnen met het maken van eigen choreografieën, één zelfs zonder muziek. Op een avond van de remonstrantse jongerenvereniging trok ze de aandacht met haar groot opgezette werk De vreugden en smarten des levens . Corrie was een vroegrijp, intelligent meisje, dat, ondanks haar zorgelijke natuur, ondernemend en ambitieus van aard was. Zij had, gedreven door haar diepe geloof en verlangen naar mystieke zuiverheid, een sterke behoefte iets voor mensen te betekenen. Na het eindexamen in 1924 aarzelde ze tussen een theologiestudie en een dansopleiding. Mede onder invloed van haar leraar klassieke talen, de dichter J.H. Leopold, koos zij ten slotte voor het laatste.

Aangezien de weinige Nederlandse opleidingsmogelijkheden haar niet aanspraken, koos Corrie Hartong in 1925 voor de school van de pionierster van de moderne dans Mary Wigman in Dresden. Nadat zij deze driejarige dansopleiding in twee jaar had voltooid, ging zij zelf lesgeven: in 1928 aan de Volksbühne te Chemnitz en van 1929 tot 1931 als leidster van de Mary Wigman Schule in Maagdenburg. In deze jaren rijpten haar opvattingen over choreografie en lesgeven.

Na deze gedegen scholing in de 'Ausdruckstanz' keerde Corrie Hartong in 1931 naar Rotterdam terug. Hier werd zij gevraagd de eerste dansvakopleiding in Nederland op te zetten. Zij deed dit samen met de 21 jaar oudere danseres en pedagoge Gertrud Leistikow. Hun doelstellingen liepen echter sterk uiteen, en na drie jaar trok Leistikow zich terug. Toen in 1935 de Rotterdamsche Dansschool onderdeel werd van het Toonkunst Conservatorium was Hartong dan ook de enige directrice. Deze integratie kwam tot stand op voorstel van de componist Willem Pijper, die sinds 1930 directeur van het Conservatorium was. Aan de reprise van zijn opera Halewijn (1932/1933) werkte Hartong mee als danseres en choreografe. Het was de bedoeling dat hun samenwerking zou worden voortgezet met de opera Merlijn , doch Pijper, die in 1947 overleed, heeft dit werk niet kunnen voltooien. Het contact tussen de componist en de danslerares was niet louter van artistieke aard. Tussen hen ontstond een gecompliceerde, lange tijd geheim gebleven liefdesrelatie, waarin Hartong haar verlangen naar de afstandelijke, twaalf jaar oudere Pijper slechts sporadisch uitte. Zij had een neiging tot zelfcensuur, die haar voortdurend belemmerde in haar sociale contacten. 'Er is een groote slagboom tusschen mij en de massa en zelfs tusschen mij en de enkeling', schreef zij in haar dagboek (27-9-1931).

Door de Tweede Wereldoorlog werd de Dansschool ook letterlijk zwaar getroffen: bij het Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 gingen de lokaliteiten en inventaris geheel verloren. In de moeilijke bezettingsjaren slaagde Hartong er op diplomatieke wijze in zich afzijdig te houden van de door de bezetters gecontroleerde Kultuurkamer: zij gaf immers geen voorstellingen, maar alleen lessen.

Als choreografe bracht Corrie Hartong 75 solo's op haar naam - vooral om door haarzelf te worden uitgevoerd -, alsmede 41 groepswerken voor specifieke gelegenheden als opera- en toneelproducties, stadionspelen en uitvoeringen van de Dansschool. Haar belangrijkste choreografie, Danse sacrée et danse profane , ging in 1947 in première. Karakteristiek voor Hartongs werk was de vakkundige en opmerkelijk muzikale opbouw, met een lyrische benadering van elk onderwerp. Toen ze zich in 1949, op 43-jarige leeftijd, vanwege een heupartrose gedwongen zag met dansen te stoppen, dacht ze dat daarmee haar hele loopbaan ten einde was. Ze had al jaren een frustrerend gevoel er niet in te slagen haar ambities te verwezenlijken, zoals ze aan Willem Pijper schreef: 'Het leven heeft me bijna nooit toegestaan, de mensen te vinden die ik nodig heb om mijn ideeën te verwerkelijken. Daarom heb ik gedaan wat mijn hand vond om te doen, omdat ik zo'n grote behoefte heb om iets te scheppen en tot stand te brengen, dat ik anders zou stikken' (november 1944).

Corrie Hartongs carrière was echter allerminst afgelopen. Na de bevrijding was zij zich steeds meer op bestuurlijk-organisatorisch terrein gaan begeven, en hier zouden uiteindelijk haar grootste verdiensten voor de Nederlandse dans liggen. Al ver voor de Tweede Wereldoorlog bevond de danskunst zich in een impasse, waarbij een beperkt beroepsperspectief en de geringe kwaliteit van de opleidingen elkaar ongunstig beïnvloedden. Door haar bestuurlijke aanleg - waarvan ze al op de middelbare school blijk had gegeven - droeg zij ertoe bij dat de situatie geleidelijk verbeterde en dat de dans in Nederland eindelijk als kunstvorm serieus werd genomen. Hartongs belangstelling en visie beperkten zich daarbij niet tot haar eigen specialisme, de Europese moderne dans, maar strekten zich uit over alle dansvormen.

Corrie Hartong was medeoprichtster van onder meer de Nederlandse Beroepsvereniging van Danskunstenaars in 1946 - waarvan ze zeven jaar lang het voorzitterschap bekleedde - en van het Centraal Dansberaad in 1956. Daarnaast had zij zestien jaar lang zitting in het bestuur van de Culturele Raad van Zuid-Holland en maakte zij deel uit van talrijke commissies van de Raad voor de Kunst. In deze en vele andere verenigingen en besturen beijverde Hartong zich voor de totstandkoming van een infrastructuur waarin de dans zou kunnen gedijen en vocht ze voor subsidiëring van gezelschappen en de verbetering van het dansvakonderwijs. Baanbrekend was haar initiatief jonge choreografen de kans te geven hun werk te presenteren. Behalve voor de professionalisering van de toneeldans spande Hartong zich ook in voor de amateur-, de therapeutische en de educatieve dans. Samen met danspedagoge Kit Winkel introduceerde zij het vak dansexpressie, dat binnen het reguliere basisonderwijs door gespecialiseerde docenten zou worden gegeven.

Intussen stond Corrie Hartong nog steeds aan het hoofd van de Rotterdamse Dansschool, sinds 1954 Rotterdamse Dansacademie geheten. Naar haar mening moest scholing niet alleen op de techniek, maar ook op de creativiteit van de studenten zijn gericht om zo bij te dragen aan de vorming van nieuwe choreografen. In 1961 nam Hartong afscheid als directrice van de Dansacademie, en zes jaar later als docente. Nog ging zij niet op haar lauweren rusten. In 1967 nam zij namelijk de leiding op zich van het Centraal Dansberaad. Tijdens haar vierjarig directeurschap ging dit instituut een belangrijkere rol spelen als overleg- en belangenbehartigingsorgaan voor dansers en ging het tevens dienst doen als eerste landelijk documentatiecentrum op het gebied van de dans. Ten slotte raakte Hartong na haar pensionering tussen 1972 en 1974 als vanzelf betrokken bij de postacademische cursus voor docenten dansgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, eerst als voorzitter van de voorbereidingscommissie en vervolgens als gastdocente.

Gedurende haar gehele loopbaan heeft Corrie Hartong geprobeerd bij een zo groot mogelijk publiek belangstelling te wekken voor de dans, onder meer door het schrijven van boeken en artikelen en door het geven van lezingen. Op grond van een brede cultuurhistorische kennis legde ze daarin op heldere wijze verbanden tussen dans en maatschappij. Ook deed zij er alles aan het Nederlandse aandeel in deze kunstvorm in het buitenland bekendheid te geven en te bevorderen dat de dans onderwerp werd van wetenschappelijk onderzoek.

Vooral in haar woonplaats Rotterdam drukte Corrie Hartong markant en blijvend haar stempel op de danswereld. Het gunstige klimaat dat hier binnen het gemeentelijke kunstbeleid voor de dans ontstond, is grotendeels aan haar te danken en leidde bijvoorbeeld in 1968 tot de oprichting van het - door de gemeente gesubsidieerde - gezelschap voor de moderne dans, het Rotterdams Danscentrum. Een halve eeuw lang, tot 1983, was zij in bestuurlijk opzicht betrokken bij het culturele leven in de stad.

Slechts zeer weinigen kenden Corrie Hartong als privé-persoon. De keerzijde van haar idealisme was dat zij welhaast onmogelijke eisen aan zichzelf stelde, wat leidde tot teleurstellingen en schuldgevoelens. Soms wekte ze de indruk het bekleden van openbare functies als een vorm van 'optreden' te beschouwen. Pas op latere leeftijd werd haar gedrevenheid ongedwongener en vond Corrie Hartong de rust waarnaar ze haar leven lang had verlangd.

A: Correspondentie, geschriften en dagboeken (1924-1985) in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam; correspondentie met Willem Pijper in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

P: Publicaties o.a.: Danskunst. Inleiding tot het wezen en de practijk van de danskunst (Leiden 1948); Mijn balletboek (Haarlem [1959]); Gedichten (Rotterdam 1980); Over dans gesproken (Rotterdam 1982). Choreografieën: Faust , muziek C. Gounod [voor de Nationale Opera] (1939); Nederland herdenkt 1940-1945 , regie C. Briels [Stadionspel] (1945); Dans met dolk , muziek I. Albéniz (1945); Vrouwenzand , muziek C. Heijnen [voor het Rotterdams Toneel] (1950).

L: Behalve necrologieën o.a. door Ine Rietstap, in NRC Handelsblad , 12-8-1991 en door Francisca van Dijk-de Bloeme, in Rotterdams Jaarboekje (1992) 127-133: H.G. Cannegieter, 'Corrie Hartong', in Morks-Magazijn 34 (1932) 505-512; Eva van Schaik, Op gespannen voet. Geschiedenis van de Nederlandse theaterdans vanaf 1900 (Bussum 1981) vooral 27-29; B. Leunis, Corrie Hartong als Rotterdamse danspionierster [Ongepubliceerde scriptie Instituut voor Theaterwetenschappen, R.U. Utrecht] (Utrecht 1991); Jan van Tol, Inventaris van het archief Corrie Hartong (Amsterdam 1994); idem, 'Een teedere groet. De briefwisseling tussen Corrie Hartong en Willem Pijper, 1935-1947', in Entr'acte. Muziekjournaal 6 (1994) 6/7 (aug.) 63-67. In 1981 werd door de Rotterdamse Kunststichting de film Omdat het mijn taal is over het werk van Corrie Hartong gemaakt.

I: Morks-Magazijn 34 (1932) t.o. 505.

Jan van Tol


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013