Hasselman, Benjamin Richard Pieter Frans (1898-1984)

 
English | Nederlands

HASSELMAN, Benjamin Richard Pieter Frans (1898-1984)

Hasselman, Benjamin Richard Pieter Frans, legerofficier (Rotterdam 14-3-1898 - 's-Gravenhage 2-3-1984). Zoon van Gijsbertus Adrianus Hasselman, assuradeur en later burgemeester, en Clasina Maria Dijckmeester. Gehuwd op 5-10-1921 met Suzanna Margaretha Geertruida van Overveldt (1896-1967). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (30-12-1926) gehuwd op 6-4-1927 met Alide Maria Bicker Caarten (1901-1980). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

afbeelding van Hasselman, Benjamin Richard Pieter FransBen Hasselman groeide op in een vrijzinnig-liberaal milieu, als enige zoon in een gezin van drie kinderen. Al op jonge leeftijd wilde hij beroepsmilitair worden. Na het eindexamen HBS werd hij begin oktober 1916 toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie. Het officiersberoep bleek hem op het lijf geschreven, en in het leger voelde hij zich thuis: vanwege zijn hang naar orde en gezag stond hij bij zijn medecadetten bekend als 'de Pruis'. Op 31 juli 1919 verliet hij Breda in de rang van tweede luitenant bij de cavalerie.

Hasselman diende eerst bij het 4de Regiment Huzaren te Deventer, waar hij zijn eerste vrouw leerde kennen. Vanaf 1922 was hij in Amersfoort gelegerd - sinds 1923 als eerste luitenant - bij het 1ste Regiment Huzaren. In de laatstgenoemde stad was hij in 1925/1926 gedetacheerd bij de Rijschool. In Amersfoort vond Hasselman zijn tweede echtgenote, de vrouw van een collega-officier in hetzelfde regiment, met wie hij, na echtscheiding, in 1927 trouwde. Het jaar daarop verhuisde hij naar Den Haag om er de opleiding aan de Hoogere Krijgsschool te volgen; als beste van zijn jaar sloot hij deze in 1931 af. Daarna bleef Hasselman in de residentie, eerst in gedetacheerde functies onder respectievelijk de bevelen van de chef van de Generale Staf en van die van de inspecteur der Cavalerie, en vanaf 1933 bij het 2de Regiment Huzaren. Als veelbelovend officier werd hij in november 1936 - in de rang van kapitein - bij de Tweede Afdeling B van de Generale Staf op het departement van Defensie geplaatst.

Vanaf 1 mei 1937 was Hasselman militair attaché in Berlijn. Na twee jaar werd hij evenwel vervangen door majoor G.J. Sas, die deze functie vóór hem - van 1936 tot 1937 - ook al had bekleed en over nuttiger relaties voor het inlichtingenwerk in Duitsland bleek te beschikken dan hij. Bovendien was bekend dat Hasselman een vrij grote sympathie voor Duitsland aan de dag legde en - zoals indertijd veel Nederlandse officieren - het goed uitgeruste en getrainde Duitse leger bewonderde. Hoewel hij nimmer een geheim maakte van zijn overtuigingen, leed zijn carrière er geen schade door: na terugkeer uit Berlijn hervatte Hasselman in mei 1939 zijn werkzaamheden bij de Tweede Afdeling B, en wel in de belangrijke functie van hoofd van het Bureau Organisatie.

Na de Duitse inval van mei 1940 werd het departement van Defensie door de bezettingsautoriteiten gereduceerd tot Afwikkelingsbureau, dat de lopende zaken van de opgeheven Nederlandse strijdkrachten moest behandelen. Hoewel slechts kapitein werd Hasselman door hen aan het hoofd hiervan geplaatst. Formeel kreeg hij hierdoor de ambtelijke leiding van het voormalige departement, en als zodanig woonde hij ook van september 1940 tot augustus 1941 de bijeenkomsten van het college van secretarissen-generaal bij. In de genoemde functie werd Hasselman ook om advies gevraagd of de zogeheten erewoordverklaring, waarmee beroepsofficieren beloofden geen actie tegen de bezetter te ondernemen, wel of niet moest worden afgelegd. Op 26 juni 1940 zond hij daarom - buiten medeweten van het Algemeen Hoofdkwartier - een nota aan zijn afdelingshoofden die eindigde met het ondubbelzinnige advies: 'Ik raad de verklaring op eerewoord af te geven'. Hasselman deed dit vanuit de overtuiging dat het door hem zo bewonderde Duitse leger onoverwinnelijk was en het daarom dwaasheid zou zijn als officieren zich in krijgsgevangenschap zouden laten voeren. Overigens werd de erewoordverklaring door bijna alle beroepsofficieren getekend.

Per 1 februari 1942 werd het Afwikkelingsbureau gereorganiseerd. Onder de nieuwe naam Commissariaat voor de Belangen van de voormalige Nederlandsche Weermacht kreeg het voornamelijk een verzorgingstaak. Hasselman bleef - nu als commissaris - met de leiding belast. Van deze allerminst eenvoudige taak heeft hij zich uitstekend gekweten. Op 21 mei 1942 werd Hasselman op eigen verzoek uit zijn functie ontheven. De reden hiervan was het in krijgsgevangenschap voeren van nagenoeg het gehele Nederlandse officierskorps. Hoewel als commissaris hiervan vrijgesteld, wenste hij van dit voorrecht geen gebruik te maken: 'Ik hoor bij mijn kameraden en ik wil hun lot delen', zo liet hij de Duitse bevelhebber weten (Dalen Gilhuys, 284). Achtereenvolgens verbleef hij in het kamp Langwasser bij Neurenberg, te Stanislau in Pools Galicië en te Neubrandenburg in Mecklenburg.

In juni 1945 keerde Hasselman in Nederland terug. Kort daarop moest hij verschijnen voor de Commissie Verantwoording Krijgsgevangen Officieren. Deze rekende hem vooral aan dat hij de hiërarchische verhoudingen zou hebben doorbroken door in 1940 de benoeming tot hoofd van het Afwikkelingsbureau te aanvaarden zonder zijn chef op het departement daarin te kennen. De commissie meende dat Hasselman om die reden niet meer als officier kon worden gehandhaafd en droeg hem voor ontslag voor. Minister van Oorlog A.H.J.L. Fiévez (1946-1948) besloot hiervan echter af te wijken door hem op 16 november 1946, onder toekenning van wachtgeld, ongevraagd eervol ontslag te geven. Deze afwijkende beslissing was van groot belang, omdat was bepaald dat wanneer de minister conform het advies handelde er geen beroep mogelijk was. Waarom de minister het advies wijzigde, is onduidelijk. Fiévez kende hem goed; hij was in 1940 eveneens kapitein bij de Generale Staf geweest. Hoe het ook zij, Hasselman maakte dankbaar gebruik van de mogelijkheid in beroep te gaan. Op 24 september 1947 verklaarde de afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State het beroep gegrond: het aanvaarden van de functie buiten zijn meerderen om achtte de Raad geen laakbare handeling, en bovendien zou Hasselman in zijn functie nimmer het Nederlandse belang uit het oog hebben verloren.

Overeenkomstig de beslissing van de Raad van State werd op 25 september 1947 de ontslagbeschikking vernietigd. Hasselman werd toegevoegd aan de Generale Staf en maakte zeer snel promotie: op 6 oktober 1948 kreeg hij de rang van majoor, daags daarna die van luitenant-kolonel en op 25 oktober die van kolonel. Enkele dagen na de laatstgenoemde rangsverhoging volgde zijn benoeming tot militair attaché bij het Nederlandse gezantschap in Praag. Aan deze functie kwam een vroegtijdig einde toen hij begin maart 1950, samen met twee Nederlandse diplomaten, het land werd uitgezet als represaille van de Tsjechoslowaakse regering tegen het Nederlandse gezantschap na de veroordeling wegens economische spionage van de Nederlandse ondernemer J.A. Louwers.

Terug in Den Haag werd Hasselman op 1 juli 1950 benoemd tot inspecteur der Cavalerie. In deze hoedanigheid toonde hij eens te meer zijn grote organisatorische kwaliteiten door dit in verval geraakte wapen in korte tijd te reorganiseren. Niettemin zag het ernaar uit dat de omstreden kolonel der huzaren zijn carrière in verschillende staffuncties zou beëindigen. Het nieuws van zijn benoeming tot chef van de Generale Staf, als opvolger van de - in conflict met de minister geraakte - generaal H.J. Kruls, kwam een half jaar later dan ook geheel onverwacht. De doorslag gaven zijn organisatorische talenten, alsmede het feit dat er voor de ministerraad geen acceptabele tegenkandidaten waren. Op 1 februari 1951 werd hij benoemd tot chef van de Generale Staf, onder gelijktijdige bevordering tot generaal-majoor. Opnieuw raakte Hasselmans carrière in een stroomversnelling. Nog in oktober van dat jaar ontving hij de rang van luitenant-generaal, en in maart 1954 kwam zijn benoeming tot generaal af. Intussen was hij sinds 1 oktober 1953 voorzitter van het Comité Verenigde Chefs van Staven en - als chef-staf - vanaf 10 november 1954 bevelhebber der Landstrijdkrachten.

In de Koninklijke Landmacht kon Hasselmans benoeming aanvankelijk op weinig sympathie rekenen. Na een jaar was de onvrede over zijn benoeming evenwel grotendeels voorbij, al zou de generaal nimmer populair worden bij zijn collega's. Zijn grote ambities en het feit dat die nogal eens verwezenlijkt werden, wekten afgunst. Bovendien nam hij met zijn stugge en gereserveerde optreden weinig mensen voor zich in. 'Wilt u zich niet met mijn privé-aangelegenheden bemoeien!', was zijn reactie toen zijn secretaresse eens bloemen op zijn bureau had gezet ter gelegenheid van zijn verjaardag.

Bij Hasselmans aantreden als chef-staf lagen de plannen voor de opbouw van het Nederlandse leger klaar, terwijl tijdens de formatie van het tweede kabinet-Drees (1951-1952) werd besloten hiervoor voldoende geld beschikbaar te stellen. Niettemin zag Hasselman zich voor een bijzonder moeilijke taak gesteld, gegeven de conflicten binnen de landmacht en tussen legerleiding en kabinet. Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in december 1949 stond de landmacht voor een ingewikkeld omschakelingsproces. Bovendien moest de legeropbouw onder grote druk plaatsvinden, omdat de internationale spanningen als gevolg van de Koude Oorlog de opbouw van de Westerse defensie dringend noodzakelijk maakten. Daarbij kwam nog dat de plannen enkele malen drastisch moesten worden aangepast op advies van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO).

Het was de grote verdienste van Hasselman dat hij een einde maakte aan alle commotie rond de legeropbouw en vervolgens hard werkte aan de reconstructie van de landmacht. Het resultaat was weliswaar bescheidener dan de plannen uit 1951 - vier in plaats van vijf divisies -, maar bij zijn aftreden als chef-staf en bevelhebber der Landstrijdkrachten op 1 november 1957 was de wederopbouw van de Koninklijke Landmacht toch grotendeels voltooid. De basis voor dit succes was Hasselmans nauwe, bijna zeven jaar durende samenwerking met minister van Oorlog C. Staf (1951-1959). De bewindsman en de chef-staf traden op als een ware twee-eenheid, met als voornaamste doel elke twijfel over de opbouwplannen van de landmacht weg te nemen. Van belang was ten slotte ook dat Hasselmans relatie met de pers geleidelijk verbeterde. Ondervond zijn optreden aanvankelijk weinig waardering, op de dag van zijn aftreden, 31 oktober 1957, werd Hasselman zelfs door een - voor die tijd - kritisch dagblad als Het Parool geroemd om de wijze waarop hij er in zes jaar in was geslaagd 'uit een papieren leger de sterkste landmacht te hebben gevormd waarover Nederland ooit heeft beschikt'.

Op 1 januari 1957 werd Hasselman benoemd tot voorzitter van de hoogste militaire autoriteit in de NAVO, het Militair Comité in Parijs. In deze functie, die per toerbeurt door de lidstaten werd vervuld en die hij ook na zijn ontslag als chef van de Generale Staf bleef bekleden, heeft hij zich vooral ingespannen om de militaire structuur van de alliantie te reorganiseren. Zo werd in het bijzonder door zijn toedoen het Militair Comité eind 1957 een permanent orgaan onder leiding van een permanente voorzitter, die optrad als de militaire tegenhanger van de secretaris-generaal. Met ingang van 1 februari 1958 ging Hasselman zelf dit permanente voorzitterschap bekleden, met als standplaats Washington. Kon zijn benoeming in 1957 nog worden gezien als een routineaangelegenheid, de nieuwe functie had hij stellig te danken aan zijn alom gewaardeerde optreden in het Militair Comité. Zijn gedegen feitenkennis, zijn nuchtere betoogtrant en zijn uitstekende beheersing van de Engelse en Franse taal zullen Hasselman daarbij van dienst zijn geweest. In maart 1961 was zijn termijn als voorzitter afgelopen en keerde hij terug naar Den Haag.

Hasselman werd op 1 juni 1961 eervol uit de militaire dienst ontslagen. Een rustige oude dag was hem evenwel niet vergund. Eind jaren zestig ontstond het gerucht dat hij als kapitein van de Generale Staf in 1939/1940 voor nazi-Duitsland zou hebben gespioneerd. De aanleiding hiervoor waren de verklaringen van R. Gerken, een voormalig officier van de Abwehr, de inlichtingendienst van het Duitse leger. In 1970/1971 stelden de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingendienst een onderzoek in, dat evenwel niets opleverde. In de zomer van 1975 kwam de kwestie in de publiciteit, waarna hierover vragen werden gesteld in de Tweede Kamer. Op verzoek van de regering verrichtte de directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, L. de Jong, een nader onderzoek. In november 1975 concludeerde deze dat Gerkens relaas volstrekt onbetrouwbaar was. Ook anderszins meende De Jong dat er geen enkele aanwijzing bestond dat Hasselman in een verraderlijk contact met Duitsland had gestaan.

Toch werd het gerucht hiermee niet geheel de kop ingedrukt, mede vanwege allerlei anonieme beschuldigingen aan het adres van Hasselman. Bewijzen kwamen er echter niet boven tafel. De geruchten zijn dan ook waarschijnlijk geheel toe te schrijven aan persoonlijke grieven die er jegens de generaal bestonden. Diens pro-Duitse sympathieën vóór 1940 en zijn snelle carrière na de omstreden zuivering hadden hem weinig vrienden opgeleverd. Ook zijn gesloten karakter droeg daartoe bij: slechts in beperkte kring kon hij charmant en geestig zijn. Hasselman zelf heeft overigens steeds geweigerd zich in de discussie over zijn vermeend verraad te mengen. Na een lang stilzwijgen verklaarde hij begin 1976 stoïcijns dat hij 'te oud en te goed' was voor schermutselingen rond zijn persoon.

A: Persdocumentatie betreffende B.R.P.F. Hasselman bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam; documentatie betreffende B.R.P.F. Hasselman bij de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf te 's-Gravenhage.

P: Enkele artikelen over militaire onderwerpen o.a. in het Wetenschappelijk jaarbericht [van de] Vereeniging [ter] beoefening der Krijgswetenschap in 1936, 1937 en 1938/1939.

L: Behalve necrologieën op 7-3-1984 o.a. in NRC Handelsblad en in Trouw : A. Dalen Gilhuys, 'Het afwikkelingsbureau van het departement van Defensie c.q. het commissariaat voor de belangen van de v.m. Nederlandse weermacht', in Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd I (Arnhem [1947]) 280-286; verhoor van B.R.P.F. Hasselman, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 VIIc ('s-Gravenhage 1955) 637-639; ibidem VIII a/b ('s-Gravenhage 1956) 248-250; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IV ('s-Gravenhage 1972) en XII (Leiden 1988); J.W.M. Schulten, De zuivering van het officierencorps [Ongepubliceerde doctoraalscriptie RU Utrecht] (Utrecht 1974); H.J. Kruls, Generaal in Nederland. Memoires (Bussum 1975); 'Rapport, uitgebracht door de Directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie over beweerde relaties van het Nazi-regime met een officier van de Nederlandse krijgsmacht', in Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bijlagen , zitting 1975-1976, bijlage 13.741; René de Bok, 'Wie was er in 1940 het lek in de Generale Staf', in Elseviers Magazine , 24-1-1976; Jan Portein, 'De duistere contacten van generaal b.d. Hasselman', in Het Parool , 29-8-1992; H.A. van Wijnen, 'De taboes van 10 mei 1940', in NRC Handelsblad , 8, 15 en 22-5-1993; J.W.[L.] Brouwer, 'B.R.P.F. Hasselman (1898-1984)', in Kopstukken uit de krijgsmacht. Nederlandse vlag- en opperofficieren, 1815-1955 . Onder red. van G. Teitler en W. Klinkert (Amsterdam 1997) 300-315; M.R.H. Calmeyer, Herinneringen. Memoires van een christen, militair en politicus . Ingel. en bew. door J. Hoffenaar ('s-Gravenhage 1997). Een overzicht van de officiersrangen die Hasselman doorliep in: Naam- en ranglijst der officieren van de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht 1961 (Gorinchem 1961) 9.

I: Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814 - 11 maart - 1964 ('s-Gravenhage 1964) 164.

J.W.L. Brouwer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013