Heer, Johannes de (1866-1961)

 
English | Nederlands

HEER, Johannes de (1866-1961)

Heer, Johannes de, evangelist en publicist (Rotterdam 23-5-1866 - Driebergen (U.) 16-3-1961). Zoon van Christoffel de Heer, smidsbaas, later machinist, en Lamberdina Willempje Muijser. Gehuwd op 30-10-1889 met Jeannette Catharina Frederika Beindorff (1863-1928). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden zoon en 1 jong overleden dochter, 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Heer, Johannes deReeds als kind had Johannes de Heer een bijzondere muzikale belangstelling. Zijn vader en diens tweede vrouw - Johannes' moeder was een jaar na zijn geboorte overleden - kochten daarom voor hem een draagbaar orgeltje, maar na slechts enkele muzieklessen was hij verder op muzikale zelfstudie aangewezen. Na de lagere school werkte Johannes eerst een jaar lang zonder veel animo in de smederij van zijn vader. In 1879 werd hij, dertien jaar oud, jongste bediende in muziekzaak Lichtenauer in zijn geboortestad. Zeven jaar later trad hij in dienst bij de muziekwinkel van de firma Alsbach, eveneens in Rotterdam. In beide zaken werd de basis gelegd voor zijn latere handelsgeest en werd zijn belangstelling voor de muziek verder tot ontwikkeling gebracht.

In beslag genomen door zijn werk, zijn huwelijk en het stichten van een gezin, kreeg de hervormd opgevoede De Heer gaandeweg minder aandacht voor geloofszaken. Het ziekbed en overlijden van hun bijna vijfjarig dochtertje, in januari 1896, brachten De Heer en zijn vrouw - die in mei 1893 ook al een zoontje hadden verloren - tot een herbezinning op hun geloofsleven: 'Zo werd dit verlies voor ons eeuwige winst. We ontwaakten uit onze slaap en wierpen ons als onverzadigbaren op geestelijke spijze' ('k Zal gedenken , 13).

De Heer zocht en vond elders geestelijk onderdak, aanvankelijk bij de Zevende-Dagadventisten en vanaf 1903 bij de Rotterdamse stadsevangelisatiekring 'Jeruël'. Terwijl hij bij de eerstgenoemden tijdens talloze studieavonden zijn bijbelkennis vergrootte, leerde hij bij 'Jeruël' de kunst van het spreken. Ook begeleidde hij op bijeenkomsten de samenzang. Sinds 1898 had De Heer intussen een eigen muziekwinkel aan huis, waar hij door het geven van orgellessen, het uitgeven van bladmuziek met christelijke liederen en de verkoop van harmoniums een aardige boterham kon verdienen.

Bij de samenkomsten in 'Jeruël' was het De Heer opgevallen dat een geschikt liedboek ontbrak. Hij besloot daarop zelf de samenstelling van een dergelijk werk ter hand te nemen. Voor zijn in 1905 gepubliceerde Zangbundel ten dienste van huisgezin en samenkomsten selecteerde hij een aantal psalmen en zondagsschoolliederen, maar het hart van zijn muziekbundel werd gevormd door de 'gospel hymns'. Deze waren vanuit de Verenigde Staten, Wales en Engeland in Nederland beland. Ook had De Heer ze tijdens vanaf 1904 naar Groot-Brittannië ondernomen reizen - eerst voor zaken, later uit groeiende belangstelling voor de Angelsaksische opwekkingsbeweging - leren kennen en waarderen. In deze 'opwekkingsliederen' werd de nadruk gelegd op de bekering van elke individuele zondaar en op een persoonlijke relatie met Christus. Voor De Heer gold als hoofddoel 'niet klankvolheid en artistieke schoonheid, doch de prediking van het evangelie' (geciteerd in: Smelik, één in lied en leven , 294), waardoor de liederen in literair en muzikaal opzicht nogal eens onder de maat bleven.

De Heer kwam er rond voor uit dat hij met de Zangbundel vooral 'de eenvoudigen' van dienst wilde zijn, een opvatting waaraan zijn eigen sociale herkomst niet vreemd zal zijn geweest. Kritiek van theologen en musicologen op onvolkomenheden in zijn bundel pareerde hij met de opmerking dat 'Gods kudde niet uit giraffen [bestaat], maar uit de schapen die Zijn hand wil weiden. U hangt echter de korf met voedsel zó hoog dat een eenvoudig schaap er onmogelijk bij kan' ('k Zal gedenken , 18-19). De eerste druk uit 1905 bevatte uiteindelijk 675 liederen. In de tientallen herdrukken die de bundel daarna beleefde, traden voortdurend wijzigingen in aantal en samenstelling op, doordat De Heer met wensen en kritische opmerkingen van de gebruikers rekening wenste te houden. De Zangbundel was een groot verkoopsucces, waaraan ook het feit dat deze 'voor billijken prijs onder elks bereik was' zal hebben bijgedragen. Als goed zakenman investeerde De Heer met de revenuen van de bundel in andere evangelisatieactiviteiten.

In navolging van vergelijkbare manifestaties in Groot-Brittannië en Duitsland organiseerden De Heer en enkele geestverwanten, daartoe mede aangezet door de binnen 'Jeruël' geuite wensen, talloze opwekkingssamenkomsten in het hele land. Aanvankelijk vonden deze plaats in zaaltjes en kerkgebouwen, maar vanwege de grote belangstelling werden ze op den duur in grote tenten gehouden. In juli 1906 kwam het daarom tot de oprichting van de vereniging 'De Nederlandsche Tentzending'. Op de meeste van deze samenkomsten - die in de volksmond al spoedig 'Maranatha-samenkomsten' heetten, naar het Aramese 'Maran-atha': 'De Heer komt' - sprak en zong De Heer zelf. De bezoekers werden er opgewekt tot bekering en - vooral na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog - tot een zich voorbereiden op het einde der tijden en de spoedige wederkomst van Christus op aarde. In de al bestaande Nederlandsche Maranathabeweging vervulde De Heer vervolgens een stimulerende rol.

De tentcampagnes werden aangekondigd en beschreven in het in 1897 opgerichte Maranatha. De Heer komt! Maandblad voor allen, die den Heere Jezus in onverderfelijkheid liefhebben . Dit blad werd vanaf 1910 voortgezet onder de licht gewijzigde naam Maran-atha. De Heer komt! Orgaan der Nederlandsche Tentzending . In artikelen in dit blad vroeg De Heer aandacht voor zijn eschatologische visie. Uiteindelijk leidden deze publicitaire activiteiten tot het in eigen beheer uitgeven van het tweewekelijkse tijdschrift Het Zoeklicht. Gewijd aan het onderzoek der Schriften en de Teekenen der Tijden , met De Heer als redacteur. In dit blad, waarvan het eerste nummer op 1 juli 1919 uitkwam, verschenen artikelen waarin de Maranatha-boodschap en andere aspecten van de voleinding steeds de kern vormden. Deze periodiek werd een groot (verkoop)succes: in de jaren dertig werd een oplage van 30.000 exemplaren bereikt. De werkzaamheden breidden zich gestaag uit en werden in een stichting ondergebracht, vanaf 1926 gehuisvest in een eigen gebouw te Zeist. De Heer was de spil van al deze activiteiten. De leiding van zijn muziekwinkel had hij in 1908 overgelaten aan anderen; hij bleef overigens wel eigenaar. Via Den Haag (1909-1911), Rijswijk (1911-1915) en Zeist was hij in 1921 naar Driebergen verhuisd.

Bij zijn evangelisatiewerk schuwde De Heer nieuwe communicatiemiddelen niet. Zo werd, om reclame te maken voor Het Zoeklicht , na verloop van tijd een aantal auto's aangeschaft die, voorzien van grammofoon en versterker, het hele land doorreden. Verder maakte De Heer gebruik van het nieuwe medium radio. In april 1924 hield hij een lezing voor de Hilversumsche Draadlooze Omroep, en de vele positieve reacties op deze eerste 'geestelijke radiotoespraak' vormden, een half jaar later, indirect de aanleiding tot de oprichting van de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging (NCRV). Tot aan de Tweede Wereldoorlog zou De Heer een kleine tweehonderd evangelisatie- en liederenuurtjes voor de NCRV verzorgen, waarin behalve het gesproken woord ook de muziek een belangrijke rol speelde. Na het overlijden, in december 1928, van zijn echtgenote, die haar man steeds vocaal ter zijde had gestaan, zong De Heer meestal zelf, waarbij hij zich op het orgel begeleidde. Zijn zangkwaliteiten werden overigens niet door iedereen hoog aangeslagen: vanuit Groot-Brittannië bereikte de NCRV bijvoorbeeld een brief waarin werd gevraagd wie toch die 'singing goat' was...

Alle inspanningen trokken een zware wissel op De Heers gezondheid. Al in 1910 was hij overspannen geweest, en bij een nieuwe inzinking vijf jaar later, waarbij zich gal- en leverklachten openbaarden, werd zelfs voor zijn leven gevreesd. Hij herstelde, maar de kwalen zouden zich geregeld blijven aandienen. Niettemin hervatte hij na elke ziekteperiode steeds weer met schijnbaar onverminderde energie zijn werkzaamheden. Die omvatten in de jaren dertig vele buitenlandse reizen - Het Zoeklicht verscheen indertijd in verschillende talen - en talrijke publicaties. In Het Duizendjarig Vrederijk (1934) toonde De Heer zich een aanhanger van het chiliasme, een geestelijke stroming die op basis van het bijbelboek Openbaring aan het einde van de wereldgeschiedenis een duizendjarig rijk plaatste en die de wederkomst van Christus in drie fasen verwachtte.

Tijdens de Duitse bezetting werd het even stil rond Johannes de Heer. Niet alleen werd hij opnieuw enige tijd door ziekte geveld, ook besloot hij de uitgave van Het Zoeklicht te staken, omdat hij zich als redacteur in de voorafgaande jaren kritisch over het antichristelijke element in het nationaal-socialisme had uitgelaten. Na de bevrijding zou het blad spoedig weer verschijnen.

Ondanks zijn hoge leeftijd zette De Heer zijn evangelisatiewerk voort. Een hersenbloeding, in 1947, tastte zijn spraakvermogen aan, waardoor het spreken in het openbaar sterk werd bemoeilijkt. In 1959 voerde hij, inmiddels 93 jaar oud, bij het veertigjarige jubileum van Het Zoeklicht voor het laatst in een grote samenkomst het woord. Na een kort ziekbed overleed hij bijna twee jaar later in zijn woonplaats Driebergen.

De naam van Johannes de Heer blijft in de eerste plaats verbonden aan de Zangbundel , waarmee hij zich gedurende vele generaties in protestants-christelijke kring naam heeft verworven. Tijdgenoten beschrijven hem als iemand die van orde hield, volgens een bepaald schema werkte en die, als zakenman, geleerd had zijn tijd effectief in te delen. Dat maakte hem in persoonlijke gesprekken wel eens wat ongeduldig en kortaf. Op de tentsamenkomsten sprak hij over het algemeen rustig en zonder overdreven veel pathos, ofschoon er dikwijls een meeslepende en broeierige stemming heerste. Zijn theologische visie was rechtzinnig. De Heer zag in de bijbel het onfeilbare Woord van God en wees daarom elke kritische schriftbeschouwing af. Zijn prediking stond in het teken van de drie V's - Verlossing, Vervulling en Verwachting -, en vooral het laatste heeft hem altijd beziggehouden. Overigens was De Heer geen sektariër die de oprichting van een eigen kerkgenootschap beoogde. Veeleer droegen Tentzending en Maranathabeweging een interkerkelijk karakter, waarbij juist aan niet-kerkgangers de kerkelijke boodschap moest worden gebracht. Met zijn visie op de inwendige zending liep hij kort na de eeuwwisseling in Nederland voorop. Zo was hij voor velen - in de woorden van cabaretier Fons Jansen - de man die 'De Heer heette en de Heer diende'.

P: Herinneringen uit het ongeschreven dagboek van mijn leven (Zeist [1926]); 'k Zal gedenken. Uit het leven en werken van Joh. de Heer ('s-Gravenhage [1949]). Een overzicht van door De Heer - alleen of met anderen - geschreven werken in de onder L genoemde publicatie van Elsman, 143-145.

L: P.H. Ritter jr., Over Joh. de Heer (Baarn [1936]); J.J. Buskes, 'Johan de Heer', in idem, Mensen die je niet vergeet (Apeldoorn [1969]) 13-19; Petrus Huigens, Johannes de Heer. Ein Zeuge des wiederkommenden Herrn in Wort und Lied (Gießen [etc.] 1967) [Ned. vertaling door H. Veldkamp: Johannes de Heer. Een getuige van de wederkomende Heer in woord en lied (Driebergen z.j.)]; H.G. Fonteyn, Werken zolang het dag is. Over leven en werk van Johannes de Heer (Sliedrecht 1994); Domus Elsman, Johannes de Heer. Evangelist in het licht van de wederkomst (Zoetermeer 1995); Jan Smelik, 'The gospel hymn in the Low Countries', in Sharing the reformed tradition. The Dutch-North American exchange, 1846-1996 . Onder red. van George Harinck en Hans Krabbendam (Amsterdam 1996) 79-96; idem, Eén in lied en leven. Het stichtelijk lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938 ('s-Gravenhage 1997).

I: P.H. Ritter jr., Over Joh. de Heer (Baarn [1936]) omslag.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013