Heeres, Jan Ernst (1858-1932)

 
English | Nederlands

HEERES, Jan Ernst (1858-1932)

Heeres, Jan Ernst, historicus en politicus (Zuidhorn (Gr.) 30-5-1858 - 's-Gravenhage 16-2-1932). Zoon van Gerrit Heeres, Nederlands-hervormd predikant, en Janna Wilhelmina Paulina Doorenbos. Gehuwd op 13-8-1891 met Janke Vinckers (1863-1908). Na haar overlijden gehuwd op 16-4-1912 met Anna Maria Sophia van Troostenburg de Bruyn (1866-1948). Beide huwelijken bleven kinderloos.

afbeelding van Heeres, Jan ErnstJan Ernst Heeres was een levensblij mens met gevoel voor humor en theater. Dat zat er al vroeg in. Als gymnasiast in Groningen speelde hij geestdriftig mee in het ambulant rederijkerstoneel. Met zijn optreden hoopte hij overigens vooral bij de andere sekse bewondering te oogsten. Na het eindexamen ging Heeres in 1877 in Groningen theologie en letteren studeren, studies die werden ingegeven door respectievelijk familietraditie en liefhebberij. Hij kwam er echter snel achter dat de kansel niets voor hem was en verwisselde zijn hoofdstudie voor de rechtsgeleerdheid. Als student was hij erg actief in het verenigingsleven. Voor de Groningsche Studenten-almanak van 1881 schreef hij een aantal verhalen, onder meer over de Frans-Duitse oorlog, waarin hij blijk gaf van sterke pro-Duitse gevoelens. Na op 17 januari 1884 het doctoraalexamen in de rechten te hebben afgelegd promoveerde hij ruim een jaar later, op 26 maart 1885, in de juridische faculteit bij de hoogleraar geschiedenis P.J. Blok op een historisch proefschrift De wijzigingen in den regeeringsvorm van Stad en Lande in de jaren 1748 en 1749 .

Intussen had Heeres zijn letterenstudie voortgezet. Op 12 november 1886 legde hij hierin het kandidaatsexamen af, waarna hij deze studie om financiële redenen moest beëindigen. Op voorspraak van Blok kreeg hij in januari 1888 een aanstelling als klerk bij het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. De promoties kwamen vlot - adjunct-commies in 1888 en commies in 1891 - en al op 15 februari 1894 werd hij benoemd tot adjunct-rijksarchivaris. Aan Heeres werd de zorg voor de Indische archieven toevertrouwd. Hij zette daarmee het werk voort waarmee de voormalige adjunct-rijksarchivaris jhr. J.K.J. de Jonge een aanvang had gemaakt. Gedurende de eerste jaren bestond zijn werk uit het aanbrengen van een voorlopige ordening in de grote massa documenten, vooral uit de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Het was een onderneming die veel geduld en precisie vergde, waarvoor hij veel waardering oogstte bij prominente historici als R.J. Fruin en zijn promotor Blok. Pas in 1895 kon hij een 'definitief' plan tot inventarisering van het oud-koloniaal archief voorleggen.

Evenals zijn leermeester Blok zocht Heeres de uitgangspunten van zijn geschiedschrijving in een grondige archiefkennis. In de Indische archivalia vond hij de onderwerpen voor zijn publicaties. Hoewel het hem daarbij ontbrak aan een duidelijk programma, laten zich in zijn oeuvre toch vrij gemakkelijk bepaalde thema's aanwijzen. Zo behandelde Heeres de periode van de VOC in hoofdzaak als voorgeschiedenis van de koloniale staat. Om die reden besteedde hij aanzienlijk meer aandacht aan de groeiende territoriale invloed van de 'edele compagnie' dan aan haar handelspraktijken. Zijn blijvende liefde voor zijn geboortestreek uitte Heeres in een reeks kleinere studies over Groningers in de Indische wateren.

Zoals bij de meesten van zijn tijdgenoten werd ook Heeres' geschiedschrijving gekenmerkt door een sterk nationaal besef. Het koloniaal verleden was voor hem in de eerste plaats iets om trots op te zijn. Hij was zeker niet blind voor de schaduwzijden daarvan, die hij als liberaal vooral toeschreef aan het streven van de VOC een handelsmonopolie te vestigen. Het werk aan een aantal reeds bestaande bronnenpublicaties op het gebied van de koloniale geschiedenis werd door Heeres voortgezet. Zelf nam hij het initiatief tot de uitgave van een Corpus diplomaticum Neerlando-Indicum , een verzameling van politieke contracten die de VOC had afgesloten met Indische vorsten. Het eerste deel hiervan zag in 1907 het licht.

In een aantal andere publicaties gaf Heeres op zeer eigen wijze uitdrukking aan de anti-Britse gevoelens die als gevolg van de Boerenoorlogen in Nederland leefden. In 1897 hield hij een rede in de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over de toentertijd pijnlijke vraag of Willem I in 1814 de Kaapkolonie aan Groot-Brittannië zou hebben verkocht. Op grond van zijn archiefkennis kon Heeres de natie geruststellen: van verkoop was geen sprake geweest. De rede werd het jaar daarop onder de titel Heeft Nederland de Kaap verkocht? uitgegeven als brochure en beleefde verscheidene herdrukken. In 1898 publiceerde Heeres Abel Janszoon Tasman's journal of his discovery of Van Diemensland and New Zealand in 1642... . In dit schitterend vormgegeven boekwerk bracht Heeres in een Engelse vertaling vrijwel alle belangrijke documenten bijeen betreffende Tasmans tochten langs de kusten van Australië. Hij wilde daarmee de Britten iedere illusie ontnemen dat dit werelddeel alleen door James Cook was ontdekt. Dat Tasman ook nog afkomstig was uit Groningen, was voor hem meer dan een plezierige bijkomstigheid.

De waardering voor Heeres' historisch werk bleek in 1897, toen hem het hoogleraarschap in de koloniale geschiedenis aan de Indische Instelling in Delft werd aangeboden. Pas na lang aarzelen was hij bereid dit ambt op zich te nemen, daar hij slechts met moeite afscheid kon nemen van het archiefwerk. Drie jaar later werd de Delftse instelling echter opgeheven, waardoor Heeres voorlopig op wachtgeld kwam te staan. De opleiding van Indische bestuursambtenaren had daarna plaats aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar Heeres in 1902 werd benoemd tot hoogleraar in 'de geschiedenis van Nederlandsch-Indië en de historie en methode der zending'. Daarmee werd hij de eerste hoogleraar in de koloniale geschiedenis aan een Nederlandse universiteit.

Heeres' vertrek naar Leiden bleek het begin van een beslissende wending in zijn bestaan. Anders dan men zou verwachten, greep hij zijn professoraat echter niet aan om meer diepgang te brengen in zijn wetenschappelijk werk. Integendeel, dit werd gaandeweg routineuzer en anekdotischer. Hoewel de studenten zijn colleges zeer waardeerden - hij bleef zijn leven lang een uitstekend spreker - verlegde Heeres zijn werkzaamheden meer en meer naar het maatschappelijke vlak. In snel tempo werd Heeres voorzitter van een reeks comités en instellingen die zich bezighielden met onderwijs, armenzorg, kindervoogdij en bejaardenwerk. Daarnaast was hij een actief lid van het Algemeen Nederlandsch Verbond, bestuurslid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en wat niet al.

Na ongeveer tien jaar lang allerlei maatschappelijke nevenfuncties te hebben vervuld, besloot Heeres in de politiek verder te gaan. Tussen 1911 en 1917 vertegenwoordigde hij de Liberale Unie in de Leidse gemeenteraad. Op 16 september 1913 nam Heeres namens dezelfde politieke groepering voor het kiesdistrict Leiden zitting in de Tweede Kamer; als hoogleraar werd hij tijdelijk vervangen. In het parlement bewoog Heeres zich op de linkervleugel van de Unie. Zo deed hij zich hier kennen als een fervent voorstander van het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht, hoewel de zesde stelling bij zijn proefschrift uit 1885 nog had geluid: 'Invoering van algemeen stemrecht is onraadzaam'. Van 1917 tot 1920 was Heeres tevens landelijk voorzitter van de Liberale Unie. Onder zijn leiding vond de pijnlijke heroriëntatie plaats die deze liberalen na 1918 moesten doormaken, onder meer als gevolg van de in dat jaar geleden verkiezingsnederlaag. Die nederlaag was overigens het resultaat van de ook door de Liberale Unie gesteunde invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen. Heeres werd niet herkozen en moest op 15 september 1918 zijn Kamerlidmaatschap beëindigen. Van zijn recht om als hoogleraar in Leiden terug te keren maakte hij geen gebruik, en een maand later nam hij zijn ontslag.

Als voorzitter van de Liberale Unie streefde Heeres naar een fusie tussen zijn partij en de Vrijzinnig-Democratische Bond. In 1919 en 1920 mislukten pogingen daartoe volkomen. De Tweede-Kamerfractie van de Unie zocht toenadering tot de Bond van Vrije Liberalen, terwijl de Vrijzinnig-Democraten de Unie wilden opsplitsen. Zwaar teleurgesteld stapte Heeres in 1921 uit de Unie om op 13 november van dat jaar met enige geestverwanten de Democratische Partij op te richten. Zijn partij zocht de opheffing van de 'antithese', verwierp de klassenstrijd en erkende slechts de politieke tegenstelling tussen conservatieven en democraten. In het partijprogramma werd veel aandacht besteed aan staatspensionering, eenzijdige ontwapening en volledige rechtsgelijkheid van mannen en vrouwen. Heeres had zich al in zijn Leidse jaren de reputatie verworven 'de meest feministische man' van zijn tijd te zijn. In 1924 fuseerde de partij met de Algemeene Nederlandsche Vrouwen Organisatie. Maar aangezien de standpunten van de Democratische Partij en die van de Vrijzinnig-Democraten in de praktijk niet ver uiteen lagen, was de partij van Heeres geen serieuze concurrent van de Vrijzinnigen. Een Kamerzetel werd nooit behaald. Slechts in de Provinciale Staten van Groningen en van Gelderland en in een veertiental gemeenten kregen in de jaren twintig vertegenwoordigers van de partij zitting.

Heeres bracht voor de Democratische Partij grote persoonlijke en financiële offers: de partij dreef op hem. In de loop van 1925 verslechterde zijn gezondheid; er openbaarden zich allerlei aandoeningen aan het darmkanaal. Hij zocht genezing in Duitse kuuroorden, maar zijn herstel bleek telkens van korte duur. Hoewel het Heeres steeds meer moeite kostte zich over de teleurstelling van tegenvallende verkiezingsuitslagen heen te zetten, wijdde hij zich toch telkens weer en met de volledige inzet van zijn afnemende krachten aan de verwezenlijking van zijn idealen. Heeres vond zelfs weer de tijd voor wetenschappelijk werk en publiceerde in 1926 een boeiend artikel over 'Duitschers en Nederlanders op de zeewegen naar Oost-Indië vóór 1592/5' (in: Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan ... [van het] Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië , 171-189). Hij had daarvoor onderzoek verricht in Duitse archieven. In 1931 zag nog het tweede deel van zijn Corpus diplomaticum Neerlando-Indicum het licht. Het bleek zijn zwanenzang, in februari 1932 overviel hem een zware longontsteking die zijn verzwakte lichaam te veel werd.

Aan Heeres' graf sprak de broer van zijn tweede echtgenote het afscheidswoord. Terugblikkend op diens leven stelde hij vast dat de overledene zijn grootste geluk had gevonden in het archiefwerk. Het lijkt een juiste conclusie, die echter bij de leden van de Democratische Partij niet in goede aarde viel. In het aan Heeres gewijde afscheidsnummer van hun partijblad Democratie en Vrije Arbeid (9-3-1932) herinnerden zij zich hem vooral als hun inspirerende politieke leider. Hun daar uitgesproken voornemen om in zijn voetsporen te treden, mocht evenwel niet baten: een Democratische Partij zonder Heeres had geen levenskansen. Zijn nalatenschap als politicus bestaat daarom slechts uit de herinnering aan een oprecht politiek idealisme. Heeres deelde het lot van vele andere idealisten: na 1921 was hij niet meer bereid tot compromissen en bleef zodoende zonder invloed van betekenis. Zijn zwager had gelijk: Heeres hoorde in het archief. Daar heeft hij werk verricht dat hem nog lang na zijn dood aanzien gaf.

A: Collectie-J.E. Heeres in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; correspondentie van Heeres in de collectie-Romke de Waard in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Onvolledige 'Lijst der geschriften' van J.E. Heeres in de onder L genoemde publicatie van Stapel, 144-145.

L: Behalve necrologieën o.a. in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 17-2-1932 (av.) en Het Vaderland , 17-2-1932 (av.); door N.J. Krom, in Almanak van het Leidsche Studentencorps 1933 (Leiden 1932) 91-92; door F.W. Stapel, in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1931-1932 (Leiden 1932) 137-145; door George Nypels, in De Indische Gids 54 (1932) 193-195; in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1932 (Leiden 1932) 114-115; door P.E. B[riët], in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland, 1932-1933 (Leiden 1933) xxxiii-xxxvii: nummer bij gelegenheid van Heeres' zeventigste verjaardag van Democratie en Vrije Arbeid. Orgaan van de Democratische Partij , 2-6-1928; 'Teraardebestelling prof.dr. J.E. Heeres', in Het Vaderland , 20-2-1932; lemma J.E. Heeres, in Encyclopædie van Nederlandsch-Indië VII (2de dr.; 's-Gravenhage 1935) 1062-1063; G. Voerman, 'Liberalen op een tweesprong. Liberale Unie, Vrijzinnig-Democratische Bond en de Bond van Vrije Liberalen aan het begin van de 20ste eeuw (1901-1921)', in Jaarboek [van het] Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 1988 (Groningen 1989) 102-130; C. Fasseur, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950 (Amsterdam 1993); J. Vogel, 'Een Groninger in geschiedenis en politiek. Jan Ernst Heeres, 1858-1932', in Het beeld in de spiegel. Historiografische verkenningen. Liber amicorum voor Piet Blaas . Onder red. van E.O.G. Haitsma Mulier [e.a.] (Hilversum 2000) 261-274.

I: Almanak van het Leidsche Studentencorps 1933 (Leiden 1932) tegenover p. 91 [Heeres in 1922; Tekening door Brüet].

J. Vogel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013