Heidstra, Hans (1918-1980)

 
English | Nederlands

HEIDSTRA, Hans (1918-1980)

Heidstra, Hans (pseudoniem Hans Edinga), dichter en schrijver (Zeist 29-4-1918 - Joure (Fr.) 24-7-1980). Zoon van Tjeerd Alberts Heidstra, onderwijzer, en Jantina Egberdina Edinga, onderwijzeres. Gehuwd op 24-3-1955 met Folkerdina Jantje van Bon (geb. 1922), zenuwarts. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Heidstra, HansAl jong gaf Hans Heidstra blijk van een sterke voorkeur voor de oudere literaire generatie, vooral die uit de naturalistische en psychologisch-realistische school. Op de middelbare school in Zeist - eerst een jaar MULO en vervolgens de HBS-B van het Christelijk Lyceum - verslond hij het werk van Louis Couperus, Top Naeff en Ina Boudier-Bakker. Met de laatstgenoemde zocht hij enkele maanden na het eindexamen, in 1935, contact. De kennismaking mondde spoedig uit in een intensieve vriendschap, die een grote invloed zou hebben op Heidstra's leven. Boudier-Bakker - 'Moeder-Ina', zoals hij, evenals andere vrienden, haar noemde - drukte een stempel op zijn literaire voorkeur, stijl en thema's. Haar smaakvol ingerichte Utrechtse grachtenpand wekte in hem een blijvende liefde voor antiek, die zou uitgroeien tot een ware passie.

Inmiddels schreef Heidstra zijn eerste verhalen en verzen, die hij sleet aan bladen en kranten als Het Kind , Eigen Haard en het Nieuwsblad van het Noorden . Hoewel hij verlangde naar een leven in en voor de letteren volgde hij na zijn eindexamen een jaar de handelsdagschool 'Schoevers'. Daarna deed hij - op suggestie van de heer Boudier - van 1936 tot 1939 met weinig animo een opleiding tot surnumerair Belastingen, waaruit de oproep voor militaire dienst hem in 1939 bevrijdde. Na zijn demobilisatie in 1940 bereidde hij zich voor op het staatsexamen gymnasium-A, dat hij in juni 1943 met succes aflegde. Vrijzinnig godsdienstig opgevoed ging Edinga in september 1945 theologie studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Vlak na de oorlog verschenen van Heidstra's hand verhalen, cursiefjes en journalistiek proza in bladen als De Typhoon. Weekblad voor de opbouw van Nederland, De Geïllustreerde en Moed en Vertrouwen. Onafhankelijk Weekblad . Deze krantjes vulde hij voor een groot deel zelf, onder schuilnamen als 'Vox Humana', 'Sinecura' en 'D'Oremi'. Als 'Hans Edinga' - sinds ongeveer 1950 zijn definitieve pseudoniem, naar de achternaam van zijn moeder - publiceerde hij in 1952 de dichtbundel De vrouw van de herfst , opgedragen aan Ina Boudier-Bakker. Hoewel het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen dit werk datzelfde jaar met een reisbeurs bekroonde, was de kritiek zeer uiteenlopend. Enerzijds werden zijn gedichten geprezen om hun traditionele aard, anderzijds konden meer eigentijds gerichte critici geen enkele waardering opbrengen voor deze overwegend epische, anekdotische poëzie, die in niets affiniteit vertoonde met de dichtkunst van de experimenterende Vijftigers.

De vrouw van de herfst was de opmaat voor wat Edinga als thematiek zou blijven vasthouden: weemoed om een verloren jeugd, de onmogelijkheid een relatie te bestendigen, het verlangen, het eeuwige menselijk tekort. In zijn verzen verwoordde hij veelal wat ook Ina Boudier-Bakker als uitgangspunt voor haar verhalen en novellen koos: korte, intense psychologische conflicten die doorgaans uitmonden in een moment van vernietigend zelfinzicht. Vooral het spanningsveld tussen twee personen - een erfenis van het psychologisch realisme - had zijn overduidelijke voorkeur. 'Het leven is tragiek en de tragiek baart scheppende kracht in zich', luidde zijn parool. Edinga's roman Adieu, Pandora! uit 1954 is op deze basis gebouwd en doet ook in andere opzichten denken aan een literatuur die na de oorlog als 'passé' werd beschouwd: het breedopgezette familieverhaal waaruit één figuur wordt losgeweekt en gedetailleerd getekend.

Edinga bezat een sterk stilistisch vermogen, kon vlijmscherp observeren en had oog voor de navrante en bizarre kanten van zijn leven. Had hij zich in de loop van zijn carrière minder toegelegd op het 'serieuze' dichter- en schrijverschap en had hij zijn komische kant - hij was een briljant en gewaardeerd causeur met conferenciersaanleg - meer uitgebuit, dan had er een sterk auteur van cabaret- en liedteksten uit hem kunnen groeien.

In 1955 trad Edinga in het huwelijk met een achternicht. Het bracht voor hem grote veranderingen. Hij besloot - na tien jaar rekken - zijn theologiestudie niet te voltooien en verhuisde vanuit zijn geliefde Zeist naar Rotterdam, waar zijn vrouw een baan als zenuwarts aanvaardde. In feite kwam er toen een einde aan zijn eigen literaire arbeid. Om mede de kost te verdienen voor zijn zich al snel uitbreidende gezin nam Edinga journalistiek werk ter hand. In Rotterdam en daarna, van 1958 tot 1964, in het Noord-Hollandse Bakkum schreef hij als vaste medewerker van Elseviers Weekblad talloze recensies, waaruit ook zijn literaire credo blijkt: tegen het cerebrale en voor een literatuur van 'het hart'. In deze jaren deed hij ook heel veel vertaalwerk, onder meer van Roald Dahl, T.S. Eliot, Ernest Hemingway, Nancy Mitford en Katherine Mansfield. Edinga beschouwde dit niet als minderwaardig: 'Ik zie vertalen echt wel als een creatieve arbeid. Het is vaak een uitdaging. Je moet niet alleen zoeken naar de juiste equivalenten in het Nederlands maar ook naar de kleur, naar de totaalindruk in de context' (Utrechtsch Nieuwsblad , 17-4-1969).

In september 1961 trad Edinga in dienst bij de NCRV. De ex-theologiestudent was hier redacteur religieuze programma's en hield er zich - als 'filmgek' - bezig met de afdeling Filmzaken. Een jaar later stapte hij over naar de NTS, waar hij chef van de afdeling Filmvertalingen werd. Dit werk beviel hem echter niet, en per 1 december 1964 nam hij hier ontslag. Edinga was toen al met zijn gezin naar Utrecht verhuisd om dichter bij Hilversum te wonen. Hij werd freelancemedewerker bij de AVRO, en voor deze omroep verzorgde hij onder meer - ten slotte met intense tegenzin - de ondertiteling van vrijwel de gehele serie Peyton Place , het veelbekeken Amerikaanse televisiefeuilleton dat van 1967 tot 1973 wekelijks werd uitgezonden. Op literair terrein was Edinga in deze jaren vooral actief als bestuurder: zo was hij penningmeester van de PEN-club en bestuurslid van het Genootschap van Vertalers en van de Vereniging van Letterkundigen.

Juist te midden van de stapels vertaalwerk en journalistieke bijdragen - zijn productie in dit opzicht was indrukwekkend - verlangde Edinga naar eigen werk. Tijd en rust vond hij er niet voor. De tweespalt van journalistiek en gezinsverplichtingen enerzijds en beknotte creativiteit anderzijds veroorzaakte perioden van grote somberheid, die nog versterkt werden door zijn melancholieke aanleg. Hij moest erkennen dat de journalist de kunstenaar had verzwolgen. Ook zag hij in dat 'zijn' wereld - of eigenlijk de mahonie wereld van Ina Boudier - definitief voltooid verleden tijd geworden was.

Het boek Tien huizen / Duizend levens over Ina Boudier-Bakker, dat Edinga in 1969 publiceerde, betekende voor hem een opleving. Deze uitgave is niet zozeer een biografie van de schrijfster, maar eerder een combinatie van een uitvoerige levensschets met sterk persoonlijk gekleurde herinneringen aan Boudier. Edinga kon het boek schrijven, omdat hij na haar dood, in 1966, mede de beschikking had gekregen over de nagelaten papieren.

In 1979 verwoordde Edinga de weemoed om zijn verloren jeugd in De lustwarande . Deze memoires typeren de schrijver in al zijn facetten: liefde voor het verleden, aandacht voor curieuze details en komische situaties, weergegeven in een verzorgde, licht ironische stijl. Zijn zwakke kant openbaart zich eveneens: de te innige verbondenheid met zijn onderwerp, waardoor werkelijke distantie ontbreekt en de weegschaal soms te zeer doorslaat naar het al te nostalgische, verheerlijkende, kritiekloze.

Begin 1979 zong Edinga, als lid van het Utrechts Motet-gezelschap, in de Tweede Symfonie van Gustav Mahler. De regels van het slotkoor waren hem in deze periode uit het hart gegrepen: '''Wieder auf zu blühen...'' zingen we. 't Is privé mijn literaire worsteling. Daar snak ik naar', zo schreef hij (Ik wanhoop ..., 12). Inderdaad diende zich een opbloei aan. Edinga begon gedreven te werken aan een biografie van Top Naeff, waarmee hij definitief uit het artistieke dal hoopte te komen. Maar de onzekerheid bleef. Depressies dienden zich steeds vaker aan, een ernstige longziekte beperkte hem fysiek, medicijnen ondermijnden soms zijn geestelijk evenwicht. In deze sfeer bekende hij eens Ina Boudier dagelijks te missen als 'de volstrekt onontbeerlijke figuur'. Rusteloos werkte hij aan Top Naeffs levensverhaal, dat hij niet tot een einde zou brengen. Logerend in Friesland, het land van zijn ouders en voorgeslacht, waarmee hij zich al even weemoedig verbonden voelde als met de 'lustwarande' Zeist, stierf hij in zijn slaap.

A: Collectie-Edinga en verzameling persdocumentatie betreffende hem in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: Jefta's dochter, Bijbels drama in 5 taferelen [Toneelstuk 1952]; De wintertuin ('s-Gravenhage 1954); Het zomerhuis ('s-Gravenhage 1955); Indecent incident [Toneelstuk 1965]; 'Wel en wee van tv-vertalingen', in Vereniging van Letterkundigen, Vakbond van Schrijvers. Mededelingen (1972) 58; Meer raven dan rozen. Verzamelde gedichten (Zaandijk 1975); Ik wanhoop aan de superieure geest [Ongebundelde poëzie] Samengest. door Gé Vaartjes (Hilversum 1991).

L: Interview door Reg ten Zijthoff, in Utrechtsch Nieuwsblad , 17-4-1969; S. Koopmans, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1981-1982 (Leiden 1983) 75-77; Gé Vaartjes, 'Inleiding', in het onder P genoemde Ik wanhoop aan de superieure geest , 5-14; idem, 'Zij raakte zeer met hem bevriend', in Biografie Bulletin 1 (1991) 3 (dec.) 25-28.

I: Foto in het bezit van Gé Vaartjes [Heidstra in 1979].

Gé Vaartjes


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013