Hendrix, Petrus Johannes Gerardus Antonius (1896-1979)

 
English | Nederlands

HENDRIX, Petrus Johannes Gerardus Antonius (1896-1979)

Hendrix, Petrus Johannes Gerardus Antonius, byzantinoloog (Halsteren (N.Br.) 25-1-1896 - Dordrecht 18-3-1979). Zoon van Johannis Baptista Cornelis Hendrix, telegrafist en klerk, en Joanna Maria van Meer. Gehuwd op 27-3-1947 met Petronella Anna Maria Jacoba Robbe (1907-1980), onderwijzeres. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

afbeelding van Hendrix, Petrus Johannes Gerardus Antonius

De vader van Petrus Hendrix werkte op het telegraafkantoor van Bergen op Zoom. In zijn vrije tijd wijdde hij zich, als lid van de St. Vincentius-Vereeniging, aan katholiek charitatief werk, en wanneer hij op huisbezoek ging in de Bergense sloppenwijken, nam hij zijn zoontje mee om hem te laten zien onder welke omstandigheden de arbeiders daar leefden. De liefde voor de rooms-katholieke eredienst - die in de loop van zijn leven steeds sterker zou worden - dankte hij eveneens aan zijn vader, die hem een misboek met Franse vertaling gaf.

In 1905 verhuisde het gezin Hendrix naar het 'grauwe, troosteloze Rotterdam-Noord' (De Waterschans (1972) 195). Hendrix bezocht het Gymnasium Erasmianum. In deze jaren droeg de Rotterdamse kapelaan L.J. Boogmans veel bij tot zijn vertrouwdheid met de Latijnse liturgie.

Vanaf 1916 studeerde Hendrix klassieke letteren en Nieuwgrieks aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Zijn belangstelling voor de oosterse orthodoxie in haar Griekse en Russische gedaante werd gewekt en gevoed door de liturgische boeken in de bibliotheek van professor D.C. Hesseling, bij wie hij colleges Nieuwgrieks volgde. De toestand in Rusland hield hem sterk bezig. Wanneer men op de memoires van Annie Romein-Verschoor mag afgaan, kwam de jonge Hendrix in het revolutiejaar 1917 'in oprechte exaltatie' aan zijn medestudent Jan Romein vragen 'of er dan geen mogelijkheid was, communisme en katholicisme te verenigen' (Romein-Verschoor I, 141). In Den Haag woonde hij Russische kerkdiensten bij. Hendrix' voornaamste leermeester in Leiden werd de filosoof G.J.P.J. Bolland, wiens opvattingen over de Griekse mysteriën en over godsdienst als 'verhulde gnosis' hem diepgaand hebben beïnvloed. In 1921 legde Hendrix het doctoraalexamen af, waarna hij nog enige tijd in Italië vertoefde voor verdere studie.

In 1922 verhuisde Hendrix naar Dordrecht, waar hij aan het Stedelijk Gymnasium een aanstelling had gekregen als leraar klassieke talen. Gedurende 35 jaar zou hij aan deze school verbonden blijven; van 1933 tot 1957 als rector. Op 28 mei 1926 promoveerde hij in Leiden bij A.W. Bijvanck op het proefschrift De Alexandrijnsche haeresiarch Basilides. Een bijdrage tot de geschiedenis der gnosis. Het onderricht van - de in 1922 overleden - Bolland had zijn aandacht op Basilides gericht, deze 'Hegeliaan onder de gnostici' (p. x).

Van beslissende betekenis voor Hendrix' leven was de reis die hij in 1929 ondernam naar de orthodoxe kloosters op de 'heilige berg' Athos in Noord-Griekenland. Hier kwam hij voor het eerst in directe aanraking met een van de centra van de orthodoxie. Het jaar daarop pelgrimeerde hij naar de Sovjetunie. Elk jaar, tot in 1938, trok hij in de zomervakantie naar Moskou, Leningrad, Kiev en andere steden. Hij zocht niet alleen contact met de orthodoxe kerk, maar ook met de daarvan in de 17de eeuw afgescheiden oud-gelovigen. In 1937 maakte hij voor het eerst een paasviering mee in Moskou. Pasen 1938 vierde hij eveneens in Moskou, maar het jaar daarop, toen het visum voor de Sovjetunie hem niet tijdig had bereikt, nam hij in Parijs deel aan het paasfeest van de kleine gemeenschap van Russen die zich niet van het patriarchaat van Moskou hadden losgemaakt.

De krantenartikelen die Hendrix over zijn reizen schreef, werden, met enkele aanvullingen, gebundeld in Russisch christendom. Persoonlijke herinneringen (1937) en Het schoone Pascha. Indrukken over het Russisch-orthodoxe paaschfeest (1940). Deze boeken bevatten lyrische - later door hemzelf als soms te esthetiserend beoordeelde - beschrijvingen van orthodoxe plechtigheden. De Russische ziel openbaart zich voor hem in de architectuur van de 'exotische' Basiliuskathedraal, 'een beeld in steen van het immer tot uitersten geneigde, Aziatisch-barbaarsche, maar te gelijk stil-deemoedige Slavenvolk' (Russisch christendom, 52).

In Russisch christendom en in Het schoone Pascha verzwijgt Hendrix niet dat de kerk door de Sovjetregering wordt tegengewerkt en dat alle activiteiten buiten de cultus streng zijn verboden. Hij ziet hierin echter ook een positief element, want aldus wordt de kerk teruggebracht tot haar essentie en wordt duidelijk dat zij van een radicaal andere en hogere orde is dan de staat. Acties tegen de staat zijn dan ook zinloos. In beide boeken uit Hendrix zich met sympathie over het Russische episcopaat, dat naar zijn mening in moeilijke omstandigheden gedaan had wat het kon. In het Westen, vooral in Russische emigrantenkringen, bestond hiervoor naar zijn oordeel te weinig begrip.

In 1943 vestigde Hendrix zich weer in Rotterdam, maar niet voor lange tijd. Nadat hij in 1947, op 51-jarige leeftijd, in het huwelijk was getreden met Petronella Robbe, vestigde hij zich definitief in Dordrecht, de geboorteplaats van zijn vrouw. De iconen die hij verzamelde vonden hier een plaats in een eigen huiskapel.

Kort voor zijn pensionering, in 1957, werd Hendrix in Leiden benoemd tot hoogleraar in de Griekse taal- en letterkunde en de cultuurgeschiedenis van de oudchristelijke, de Byzantijnse en de nieuwere tijd. Binnen deze ruim geformuleerde opdracht concentreerde Hendrix zich op de thema's die hem van jongs af hadden geboeid. Zijn op 24 januari 1958 gehouden oratie - door hemzelf niet ten onrechte als 'meditatie' gekenschetst - was getiteld Ikon en mysterium: 'Twee woorden, zó heerlijk en geurend, dat hun parfum wordt voortgedragen vanuit de grote centra van het christelijk Hellenisme over Byzantium heen tot in Kyev en Moskou' (p. 5). In deze stijl zou hij zich blijven uiten in woord en geschrift. In 1957 hervatte hij ook, na twintig jaar, zijn reizen naar Rusland.

Met zijn colleges over liturgie trok Hendrix studenten uit alle faculteiten en andere belangstellenden. In de oude Gewelfkamer in het Academiegebouw - voor Hendrix de 'grot' of 'mysteriegrot' - slaagde hij er in zijn hoorders het gevoel te geven dat zij de 'rationalistische geborneerdheid' achter zich konden laten om in een hogere wereld te worden ingewijd. Zijn grootste inspirator was in dit opzicht de Duitse benedictijn Odo Casel geweest, volgens wie Christus in de kerkelijke 'mysteriën' tegenwoordig wordt gesteld, zij het op verhulde of, zoals Hendrix placht te zeggen, 'gevoileerde' wijze.

Omdat de liturgie altijd doorgaat, aldus Hendrix, wenste hij ook na zijn emeritaat in 1966 zijn liturgiecolleges gewoon voort te zetten. Toen echter de 'grot' voor hem gesloten bleef, zocht hij met zijn getrouwen elders in Leiden onderdak, zoals in de consistoriekamer van de Pieterskerk en in de vrij-katholieke kerk. Aan de Dordtse Volksuniversiteit gaf hij cursussen over onder meer Plato, de orthodoxie en lokale geschiedenis.

Op 11 februari 1972 herdacht Hendrix in het overvolle Leidse groot auditorium de vijftigste sterfdag van Bolland met een rede getiteld De visie van Bolland op de godsdienst (Persoonlijke herinneringen). Kort tevoren was in de lokale pers herinnerd aan Bollands reactionaire gezindheid, en bovendien ging het gerucht dat actievoerders de plechtigheid wilden verstoren. Naar aanleiding hiervan besloot Hendrix zich in zijn rede duidelijker te distantiëren van Bollands zwarte kant dan hij in zijn oorspronkelijke tekst had gedaan. Diens antisemitisme interpreteerde hij daarbij als een gnostisch, tegen de Schepper-God gericht anti-judaïsme; een verklaring die overigens niet allen overtuigde. De gedenkrede, als altijd bij Hendrix gekruid met persoonlijke herinneringen, was zijn laatste grote optreden in Leiden.

Hendrix dankte zijn faam niet zozeer aan een wetenschappelijk oeuvre, als wel aan de 'bijna extatische wijze' (Bitter, 275) waarop hij schreef, en vooral sprak, over de liturgie, kerkbouw en iconen van de Russisch-orthodoxe kerk. Hij was vrijwel de enige Nederlander die reeds vóór de Tweede Wereldoorlog de orthodoxie, en de toen nog verborgen wereld van de oud-gelovigen, van binnenuit leerde kennen. Hij noemde zich bij voorkeur 'Pjotr' Hendrix, maar ging - anders dan Annie Romein meedeelt - niet over tot de orthodoxie. Van politiek had hij geen verstand, en hij streefde er niet naar zich in dat opzicht bij te scholen. Hij stond bekend als beminnelijk, uiterst hoffelijk en excentriek. Wat Hendrix eens over Bollands lessen zei - 'iets als een mengeling van toneelspel, kerkdienst en marktscène' - gold ook voor zijn liturgiecollege, het uur waarin de docent-mystagoog het meest zichzelf was.

P: Bibliografie in Opdat er niets verloren ga: Pjotr Hendrix [Bloemlezing] (Dordrecht 1988) 199-203. Verder: Pseudo-Dionysii Areopagitae De caelesti Hierarchia . Textus minores XXV (Leiden 1959); 'Een jeugd in Bergen', in De Waterschans 7 (1976) 5-11; Zeven broden en twee vissen [Bloemlezing, ook met niet eerder gepubliceerde geschriften] (Dordrecht 1989).

L: Behalve een necrologie door A. van Heck, in Jaarboek der Leidse universiteit, 1975-1980 (Leiden z.j.) 133 en een curriculum vitae door Joost van Rossum, in de onder P genoemde publicatie Opdat er niets verloren ga , 5-7: Annie Romein-Verschoor, Omzien in verwondering. Herinneringen (2 dln.; Amsterdam 1970-1971); R.A. Bitter, 'P.J.G.A. Hendrix en de gnosis', in Gnosis. De derde component van de Europese cultuurtraditie. Onder red. van G. Quispel (Utrecht 1988) 271-280; Willem Otterspeer, Bolland. Een biografie (Amsterdam 1995) 554-556.

I: Pjotr Hendrix (1896-1979), leraar van gnosis en liturgie. Herinneringen, beschouwingen en documenten. Onder red. van J. Trapman ('s-Gravenhage [etc.] 2005) t/o titelblad.

J. Trapman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013