Janssen, Hendrikus Hubertus (1910-1982)

 
English | Nederlands

JANSSEN, Hendrikus Hubertus (1910-1982)

Janssen, Hendrikus Hubertus, classicus, staatssecretaris en bestuurder (Swalmen (L.) 7-9-1910 - Schijndel (N.Br.) 3-9-1982). Zoon van Johannes Hubertus Janssen, metselaar en aannemer, en Maria Catharina Aldegonda Pijpers. Gehuwd op 13-7-1936 met Hendrika Catharina Maria Kneepkens (1910-1998), maatschappelijk werkster. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren.

afbeelding van Janssen, Hendrikus HubertusHarry Janssen groeide samen met zijn vier zusters op in een gezin waarvan de vader metselaar was en later een aannemersbedrijf en slagerij begon. De ouders besloten in 1923 dat hun zoon aan het Bisschoppelijk College te Roermond de driejarige HBS zou volgen. Toen daar zijn opmerkelijk talent was vastgesteld, werden zijn ouders overgehaald hem te plaatsen op de tweede klas van het gymnasium van dezelfde school. Na het eindexamen in 1929 - met de hoogst behaalbare punten voor Latijn - ging hij, gestimuleerd door zijn leraren en met financiële steun van het Bisschoppelijk College, klassieke talen studeren in Nijmegen. Op 17 mei 1933 legde hij cum laude het doctoraalexamen af.

In 1933/1934 en van 1935 tot 1938 was Janssen leraar Latijn aan het Bisschoppelijk College in Roermond. Daarnaast werkte hij onder leiding van prof. J.C.F.H. Schrijnen aan zijn proefschrift Kultur und Sprache. Zur Geschichte der alten Kirche im Spiegel der Sprachentwicklung. Von Tertullian bis Cyprian . Het betrof een onderzoek naar de specifieke vroeg-christelijke terminologie, waarop hij op 4 april 1938 in Nijmegen promoveerde. Omdat Schrijnen kort daarvoor overleden was, fungeerde de latinist de jezuïet A.H.P.A. Slijpen als promotor. Bij deze gelegenheid openbaarde zich in de oppositie op onaangename wijze - en ten nadele van de promovendus, aan wie aldus het predikaat cum laude ontging - het al langer levend verzet tegen een overheersende plaats van het christelijke Grieks en Latijn ten nadele van het klassieke.

De leerstoel van Schrijnen werd na diens overlijden teruggebracht tot een lectoraat, dat reeds op 30 mei 1938 werd opgedragen aan Janssen, nog geen twee maanden na zijn promotie, omdat men hem in staat achtte het evenwicht tussen de twee richtingen te herstellen. Schrijnen had zelf graag gezien dat Christine A.E.M. Mohrmann hem zou opvolgen, maar door de oppositie van de Sint Radboudstichting, het toen nog door de Nederlandse bisschoppen gedomineerde bestuur van de universiteit, werd aan zijn wens - voorlopig - geen gevolg gegeven. In 1940, na het onverwachte overlijden van Slijpen, kreeg Janssen het ordinariaat in de Latijnse taal- en letterkunde, waardoor het Latijn in al zijn onderdelen weer in één hand kwam. Tot in 1946 doceerde hij ook Griekse taalkunde. In 1953 had de Sint Radboudstichting haar verzet tegen de benoeming van Mohrmann tot hoogleraar moeten staken, omdat zij intussen haar gezag in binnen- en buitenland had gevestigd. Het stichtingsbestuur aanvaardde daarop de door Janssen al jaren bepleite opsplitsing van zijn leeropdracht ten gunste van Mohrman, waardoor voor haar het professoraat in het oudchristelijk Latijn mogelijk werd.

De kern van een academische leeropdracht zag Janssen in het doceren. Onderzoek achtte hij het vruchtbaarst als het in dienst werd gesteld van het onderwijs. Zijn tweedelige Historische grammatica van het Latijn uit 1952 en 1957 alsook zijn in 1956 verschenen Latijnse Letterkunde schreef hij vooral ten dienste van aankomende latinisten. In zijn colleges streefde hij naar een heldere en zakelijke probleemstelling en werd de leerstof op streng methodische wijze behandeld. Dit eiste hij ook van zijn studenten in hun scripties en van zijn zeventien promovendi in hun dissertaties. Hij begeleidde zijn studenten zorgzaam, oordeelde mild, gaf raad en stimuleerde hen tijdens zijn drukbezochte spreekuur aan huis.

Janssens internationale wetenschappelijke erkenning als latinist en semanticus blijkt uit zijn lidmaatschap van de Société des études latines te Parijs en van de internationale commissie voor de Thesaurus Linguae Latinae te München; van 1945 tot 1965 was hij redacteur van het tijdschrift Neophilologus . Hij bekleedde verschillende functies in het Nederlands Klassiek Verbond; van 1964 tot 1968 was hij voorzitter.

Aan de Nijmeegse universiteit trad Janssen van 1940 tot 1946 op als secretaris van de Letterenfaculteit. Om zijn integriteit werd hij na de bevrijding voorzitter van de Nijmeegse adviescommissie tot zuivering van het gemeentepersoneel. Van 1946 tot in 1955 - met uitzondering van zijn rectoraat in 1949/1950 - bekleedde hij de in de toenmalige universiteitsstructuur centrale functie van secretaris van de academische senaat. Als universiteitsbestuurder gaf hij blijk van een groot talent om tegenstellingen te overbruggen en discussie op tactische wijze te ontdoen van persoonlijke elementen.

Zijn langdurig secretariaat bracht Janssen steeds meer in landelijke bestuurlijke en organisatorische functies. Zo was hij sedert 1948 lid en van 1965 tot 1967 ondervoorzitter van de Onderwijsraad. Van 1950 tot 1960 was hij bestuurslid en van 1960 tot 1962 vice-voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek. Van 1963 tot 1975 had hij zitting in de Raad voor het Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek. In onder meer Universiteit en Hogeschool , waarvan hij jarenlang redacteur was, bepleitte hij om wetenschappelijke en financiële redenen herhaaldelijk interuniversitaire samenwerking.

Janssens bestuurlijke taken bleken een nieuwe fase in zijn loopbaan in te leiden. Toen de staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in het kabinet-De Quay, G.C. Stubenrouch, in april 1962 plotseling overleed, werd Janssen zijn opvolger. Hij gaf daarmee toe aan het dringende verzoek van minister J.M.L.Th. Cals, die op korte termijn iemand nodig had die was ingewerkt in de materie van het hoger onderwijs. Van 1 juni 1962 tot het aftreden van het kabinet op 24 juli 1963, vervulde hij de functie van staatssecretaris. Janssen maakte zijn entree in de Tweede Kamer toen daar de zogenoemde Mammoetwet, die het voortgezet onderwijs regelde, werd aangenomen. Op 6 en 12 februari 1963 verdedigde hij dit wetsontwerp in de Eerste Kamer, waarbij hij onder meer wees op de garanties die deze wet bood voor het gymnasium. Het politieke ambacht lag hem overigens niet; het onderwijs achtte hij niet zozeer een onderwerp voor partijpolitiek als wel een zaak van algemeen belang. Na zijn aftreden hervatte Janssen, volgens afspraak, zijn taak als hoogleraar aan de Nijmeegse universiteit.

In januari 1967 wijzigde Janssens loopbaan zich definitief, toen hij voorzitter werd van de Academische Raad. Hij nam afscheid als hoogleraar en verhuisde van Nijmegen naar Den Haag. Zijn motief om deze functie te aanvaarden was vorm en inhoud te geven aan de door hem voordien al zo vaak bepleite noodzakelijke samenwerking van de academische instellingen. Aangezien de universitaire bestuurders hieraan met weinig enthousiasme medewerking verleenden en de Raad, als adviesorgaan van de regering, geen bindende bevoegdheden bezat, werd het Janssens taak de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs te overtuigen van de noodzaak vrijwillig hun autonomie gedeeltelijk te offeren aan samenwerking. Daarbij was hem er veel aan gelegen bij de instellingen de indruk te vermijden dat zij door de Raad zouden worden overheerst. Het lag niet in zijn karakter door het uitoefenen van persoonlijke druk de doelstellingen van de Raad te verwezenlijken, overtuigd als hij was van de uiteindelijke overwinning van redelijkheid en solidariteit.

Twee jaren na Janssens aantreden als voorzitter bereikte de revolte tegen 'het systeem' in de universitaire wereld - gericht op democratisering en verbetering van het onderwijs - haar hoogtepunt. Het moeten voor hem, die elke vorm van polarisering afwees, zware tijden zijn geweest. Op grond van de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming van 1970 werd de Raad democratisch van karakter. Dit maakte een nieuw reglement noodzakelijk, dat onder Janssens leiding tot stand kwam en medio 1973 in werking trad. In 1974 was hij ernstig en langdurig ziek, maar hij herstelde. Begin januari 1975 legde hij - na twee ambtsperiodes te hebben vervuld - het voorzitterschap neer.

Na zijn afscheid ging Janssen wonen in zijn verbouwde boerderij te Schijndel, centraal gelegen voor zijn kinderen. Bij gelegenheid hield hij nog lezingen voor het Nederlands Klassiek Verbond, bij voorkeur over de Romeinse dichter Lucretius en diens magnum opus De Rerum Natura , waaraan hij ook zijn afscheidsrede had gewijd. Hij deed - zo lang hij kon en met veel plezier - het werk in hof en tuin en overleed op bijna 72-jarige leeftijd.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties en artikelen in verschillende tijdschriften o.a.: Semantische opmerkingen over het oud-christelijke Latijn [Openbare les] (Nijmegen 1938); De kenmerken der Romeinsche dichtertaal [Inaugurele rede] (Nijmegen 1941). In een Italiaanse vertaling gepubliceerd onder de titel 'Le caratteristiche della lingua poetica romana', in La lingua poetica latina . Onder red. van A. Lunelli (Bologna 1974) 69-130.

L: J.H. Bannier, in Jaarboek [van de] Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek 1982 ('s-Gravenhage 1982) 5-7; J.H. Brouwers, in Jaarverslag 1982 [van de] Katholieke Universiteit Nijmegen 1982 (Nijmegen 1982) 113-116; A.A.R. Bastiaensen, 'Schrijnen - Mohrmann. Samenwerking en uitgestelde opvolging', in L.J. Engels [e.a.], In memoriam Christinae Mohrmann. Cuius anima in pace (Nijmegen 1989) 29-44; Albert E. Kersten, Een organisatie van en voor onderzoekers. De Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O.) 1947-1988 (Assen 1996).

I: Albert E. Kersten, Een organisatie van en voor onderzoekers. De Nederlandse organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O.) 1947-1988 (Assen 1996) 76.

C.A.A. Linssen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013