Jong, Cornelis Johannes de (1869-1955)

 
English | Nederlands

JONG, Cornelis Johannes de (1869-1955)

Jong, Cornelis Johannes de, ondernemer (Joure (Fr.) 12-2-1869 - Sint Nicolaasga (Fr.) 19-12-1955). Zoon van Johannes Hessels de Jong, ondernemer, en Theodora Kortenhorst. Gehuwd op 1-8-1893 met Petronella Barbara Allegonda Maria Bloemen (1871-1916). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 5 dochters geboren. Na haar overlijden gehuwd op 9-4-1929 met Feikje Lijcklama à Nijeholt (1879-1942). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Jong, Cornelis Johannes deDe jongensjaren van de in de rooms-katholieke traditie opgegroeide Kees de Jong werden door veel persoonlijk leed gekenmerkt. In twaalf jaar tijds stierven achtereenvolgens zijn vier maanden oude zusje (1871), zijn moeder (1875), zijn stiefmoeder (1880), zijn broer en ten slotte zijn vader (beiden in 1883), zodat Kees en zijn vijf jaar oudere zuster in dat jaar als wees achterbleven. Bovendien had een grote brand in 1881 een groot deel van het ouderlijk bedrijf, de Firma Weduwe Douwe Egbertzoon - een bescheiden tabakskerverij en koffiebranderij, annex kruidenierswinkel - in de hoofdstraat van Joure, grotendeels in de as gelegd.

Kees keerde na zijn vaders overlijden niet terug naar het door de jezuïeten geleide internaat 'St. Louis' te Sittard, dat hij, na zijn lagere schoolperiode in Joure, ter vergroting van zijn talen- en handelskennis had bezocht. Hij kreeg bij het hoofd van de Fransche school te Joure nog privé-lessen in de talen, maar toen al werd duidelijk dat koopmanswijsheid hem meer interesseerde dan boekenwijsheid. De als voogd over hem en zijn eveneens minderjarige zuster aangestelde Alexander Brenninkmeyer - een broer van Kees' stiefmoeder - zette overigens het met liquidatie bedreigde familiebedrijf van de De Jongs gedurende zes jaar voort.

Op 7 augustus 1889 werd de toen twintigjarige Kees de Jong meerderjarigheid verleend, zodat hij volledig handelingsbevoegd werd. Daarmee was hij feitelijk eigenaar van de Firma Weduwe Douwe Egbertszoon. Het eerste decennium van De Jongs ondernemerschap stond in het teken van uitbreiding en klantenbinding. Hij reisde persoonlijk winkeliers en mogelijke clientèle af in de steden, dorpen en gehuchten in midden- en zuid-Friesland. Zijn onderneming kreeg zodoende meer en meer regionale betekenis. Ook deinsde hij niet voor een aantal ingrijpende maatregelen terug, zoals de bouw van een losstaand bedrijfsgebouw achter de bestaande koffiebranderij en het in dienst nemen van vertegenwoordigers.

Belangrijker nog was De Jongs beslissing in 1912 om het groeiende bedrijf - vergeleken met 1881 was de omzet van koffie en tabak inmiddels meer dan verdrievoudigd - uit het centrum van Joure te verplaatsen. Koffie branden en tabak kerven hadden vanaf januari 1913 plaats in een door De Jong aangekochte en verbouwde voormalige zuivelfabriek en olieslagerij, net buiten de bebouwde kom. De aanvoer van grondstoffen en de expeditie van de gerede producten over de weg en het water verliepen hier veel eenvoudiger, en mogelijke uitbreidingsplannen zouden zich gemakkelijker laten verwezenlijken. Thee - een tot dan toe in Nederland niet erg gangbaar product - won terzelfder tijd aan betekenis; de theemeleerderij en -verpakkerij kregen een plaats in de vrijgekomen oude fabriek en zouden daar tot 1933 blijven.

Een koerswijziging met verstrekkende betekenis voor de toekomst van het bedrijf was de beslissing omstreeks 1917 in Utrecht een tweede vestiging te stichten. Om zijn producten sneller bij de consument te krijgen koos De Jong voor een centraler gelegen plaats in het land. Maar ook de tegenwerking van de lokale overheid, die hij naar zijn mening van tijd tot tijd in Joure had ondervonden, zal tot het onverwachte besluit - De Jong was zeer op Friesland gesteld - hebben bijgedragen. Terwijl zijn oudste zoon, Johan, in dat jaar aantrad als mededirecteur in het bedrijf (en in Joure bleef), zette 'meneer C.J.' of 'de âlde', zoals hij bekend stond, in 1919 met een negental medewerkers de Utrechtse vestiging op poten. Hij verhuisde toen naar het midden van het land: in 1919 naar Driebergen-Rijsenburg, in 1927 naar Hilversum. Het feit dat zijn vrouw in 1916 was overleden zal tot het vertrek uit Joure, met al zijn herinneringen, hebben bijgedragen. Naast de vestigingen in Joure en Utrecht werden ook - bescheidener - filialen geopend in Amsterdam (1923), Den Haag (1924) en later ook in Duitsland, aanvankelijk in Betzdorf nabij Siegen (1927), vanaf 1933 in het dichter bij de grens gelegen Kleef.

Het bedrijf, in den lande inmiddels onder de oude familienaam 'Douwe Egberts' bekend, nam nu een grote vlucht: de omzet in alle drie sectoren - koffie, thee en tabak - en het aantal werknemers nam elk jaar toe, mede als gevolg van nieuwe reclameactiviteiten. Daarbij ging het niet uitsluitend om de gebruikelijke advertentiecampagnes, maar tevens werd de zogeheten toegiftreclame met een jaarlijkse kalender (vanaf 1920) en het indertijd unieke geschenkensysteem (sinds 1924) geïntroduceerd. Maar niettegenstaande alle koopmansgeest en uitbreidingsdrang legde De Jong opmerkelijk genoeg een zeker conservatisme aan de dag ten aanzien van relatief onbeduidende veranderingen. 'Folders' bleven voor hem levenslang 'strooibiljetten', de merknaam 'D.E.' mocht zijns inziens nooit de volledige naam 'Douwe Egberts' verdringen, en plannen voor de bouw van een nieuwe tabaksfabriek in Utrecht leden omstreeks 1926 schipbreuk door zijn persoonlijk veto, omdat in zijn redenering 'de echte Friesche Heerenbaai ook echt in Friesland [moest] worden gemaakt' (geciteerd bij Van der Zee, Winkelnering , 113).

Hoewel hij als directeur-eigenaar van het bedrijf duidelijk liet merken wie de baas was, kon De Jong in de omgang, ook met het personeel, eveneens gemoedelijk zijn, waarbij het veelvuldig gebruik van de Friese taal de verbondenheid met zijn geboortegrond moest demonstreren. Toch kon 'meneer C.J.' ten opzichte van zijn personeel ook erg impulsief zijn en niet altijd tactvol reageren. Hij was vaak kortaangebonden en ongeduldig, wat voor insiders te herkennen viel wanneer zijn onafscheidelijke bolhoed enigszins achter op zijn hoofd was gedrukt. In de omgang met anderen speelden die karaktereigenschappen hem wel eens parten. Aan dikdoenerij en vleierij had De Jong een hekel; wel had hij oor voor het vakkundig oordeel van enkele door hem geachte medewerkers. Het belangrijkste was evenwel een tevreden klant: 'Der moat goed guod levere wurde' ('Er moet goede waar worden geleverd') gold daarom als zijn lijfspreuk .

De zaak was - nauwelijks veertig jaar na de dreigende opheffing - dankzij de energieke aanpak van De Jong tot een bedrijf met nationale bekendheid en betekenis uitgegroeid. Voor De Jong had de expansie van de onderneming evenwel ook een schaduwkant. Hij was tientallen jaren gewend geweest alleen beslissingen te nemen (misschien mede een gevolg van zijn reeds vroeg 'op-eigen-benen-staan') en moest nu steeds meer mensen naast zich dulden. In 1929 was hij overigens naar zijn geboorteplaats teruggekeerd (zoon Johan ging nu naar Utrecht). Vijf jaar later vestigde hij zich in het dichtbij Joure gelegen Sint Nicolaasga, waar hij het landhuis 'Donia State' had gekocht. Ofschoon De Jong het tot zijn overlijden steeds over 'myn fabryk' heeft gehad en zich tot op hoge leeftijd bijna dagelijks van de gang van zaken in de Jouster vestiging op de hoogte liet stellen, was de dagelijkse leiding van het familiebedrijf aan het einde van de jaren dertig feitelijk in de handen van zijn beide zoons Johan en Egbert overgegaan. Hij was een echte 'pater familias', en het moet hem pijn hebben gedaan dat zijn beide zoons die hem in de leiding van het bedrijf opvolgden, eigen inzichten volgden en zijn adviezen vaak in de wind sloegen.

Persoonlijk verdriet bleef De Jong ook in latere levensjaren niet bespaard. Zijn tweede echtgenote stierf in 1942 en drie jaar later ontviel hem zijn priesterzoon Piet, aan wie hij erg gehecht was en met wie hij, als gelovig katholiek, dikwijls over geloofszaken sprak. Naast gezin en bedrijf hadden ook geheel andere zaken De Jongs aandacht. Hij was gedurende lange tijd kerkmeester van de rooms-katholieke parochie in Joure (1898-1919, 1933-1934), deed aan muziekbeoefening (zang, orgel), verkeerde graag en veel op het water (hij liet in 1909 een zeiljacht bouwen).

In 1953 was De Jong nog getuige geweest van het tweede eeuwfeest van 'Douwe Egberts' en mocht hij nog meemaken dat aan het bedrijf het predikaat 'Koninklijke' werd verleend. Bij deze jubileumviering werd De Jong als de 'tweede stichter' van het familiebedrijf betiteld. Twee jaar later overleed hij op 'Donia State'.

Waar tweehonderd jaar eerder De Jongs verre voorvader Egbert Douwes de zaak had opgericht, groeide deze - na bijna anderhalve eeuw hooguit lokale betekenis te hebben gehad - onder leiding van 'meneer C.J.' tot een nationaal concern uit. Zijn persoonlijke aanpak en betrokkenheid (hij lééfde werkelijk voor zijn onderneming, kende lange tijd alle werknemers bij naam en bemoeide zich met alles wat er zich in en rond de fabrieksgebouwen afspeelde) bleken in het eerste kwart van deze eeuw aan te slaan, en dus had De Jong gelijk waar hij anderen later voorhield: 'Indien ge, jong zijnde loopt, kunt ge oud rijden' (geciteerd bij Van der Zee, Winkelnering, 71).

A: Persoonlijk archief-C.J. de Jong (o.a. enige dagboeken) in familiebezit.

L: P.R. van der Zee, Van winkelnering tot wereldmerk. Douwe Egberts van 1753 tot 1987 (Utrecht 1987) 67-119; idem, Cornelis Johannes de Jong, 1869-1955. Syn libben, syn minsken, syn fabryk (Joure 1989); idem, 'Douwe Egberts en de Vlecke Joure', in Haskerlân. In tal bydragen ta de skiednis. Onder red. van K.F. Gildemacher [e.a.] (Leeuwarden 1990) 285-296.

I: Haskerlân. In tal bydragen ta de skiednis. Onder red. van K.F. Gildemacher [e.a.] (Leeuwarden 1990) 292.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013