Kapteijn, Johannes Marie Neele (1870-1949)

 
English | Nederlands

KAPTEIJN, Johannes Marie Neele (1870-1949)

Kapteijn, Johannes Marie Neele, (bekend onder de naam Kapteyn), germanist (Sassenheim (Z.H.) 8-10-1870 - Hoogeveen 30-4-1949). Zoon van Johannes Kapteijn, onderwijzer, en Neeltje Pet. Gehuwd op 13-8-1895 met Maria Anna van der Werff (1869-1913). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden gehuwd op 8-2-1918 met Geertruida Catharina van der Haas (1877-1949). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Kapteijn, Johannes Marie NeeleJohannes Kapteyn groeide op bij zijn oom en tante in Hoogeveen, nadat hij op tweejarige leeftijd wees was geworden. Na de HBS volgde hij privé-onderwijs in de oude talen en vervolgens - in het voetspoor van zijn pleegvader - een opleiding tot boekhandelaar en uitgever. Op zijn twintigste vertrok hij naar Amsterdam, waar hij gedurende drie jaar werkte als kantoorbediende. In 1893 begon hij een eigen boekhandel annex uitgeverij van school- en studieboeken in Leiden.

Eenmaal in Leiden legde Kapteyn grote belangstelling aan de dag voor de Duitse taal en literatuur. Naast het werk als boekhandelaar volgde hij colleges germanistiek aan de universiteiten van Leiden en Amsterdam, en in 1907 haalde hij de MO-akte Duitse taal- en letterkunde. Daarna stopte hij de boekhandel en werd hij leraar Duits: eerst gedurende vier jaar aan de School voor Nijverheid en Handel in Enschede, waarheen hij verhuisde, en vanaf 1911 aan het Stedelijk Gymnasium in Leiden. Intussen kwam zijn eerste boek uit: Die übersetzungstechnik der gotischen Bibel in den paulinischen Briefen (Straatsburg 1911). Geleidelijk aan begon hij enige bekendheid te krijgen in wetenschappelijke kringen, wat op 4 december 1916 leidde tot een benoeming tot lector in de Duitse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Op 21 februari 1917 hield hij zijn inaugurele rede Over stijl en stijlgeschiedenis der oud-Duitsche epische poëzie .

De definitieve erkenning kwam in 1924, toen Kapteyn al 54 jaar was. Op 4 oktober van dat jaar hield hij zijn inaugurele rede, De Germaansche en de Hoogduitsche klankverschuiving. Feiten en hypothesen , als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Hij volgde er de beroemde germanist B. Sijmons op als hoogleraar in de Oudgermaanse filologie en de Duitse taal- en letterkunde. Twee dagen daarvoor had Kapteyn een eredoctoraat ontvangen van de universiteit van Bonn, naar aanleiding van zijn bewerking van de ridderroman Wigalois . Het lijkt erop dat het eredoctoraat is vervroegd om het professoraat mogelijk te maken, aangezien Kapteyns Wigalois, der Ritter mit dem Rade. Von Wirnt von Gravenberc (Bonn 1926) pas twee jaar later uitkwam.

Kapteyns leeropdracht werd in 1930 uitgebreid met het Oudfries. Zijn houding ten opzichte van de Friezen was ambivalent. Enerzijds stimuleerde hij de studie van de Friese taal en cultuur: hij was buitengewoon lid van het Friesch Genootschap voor Geschiedenis, Oudheid en Taalkunde en was in 1938 een van de oprichters van de Friese Academie. Anderzijds moest hij niets hebben van het 'nationalisme' dat sommige Friezen tentoonspreidden, en hij stak zijn ergernis over dit 'isolationisme' niet onder stoelen of banken. Friezen waren voor hem alleen interessant als onderdeel van het grote Germaanse geheel. In deze lijn lag ook het tijdschrift Saxo-Frisia , dat hij eind 1938 oprichtte en dat tot doel had Friezen en Saksen bewust te maken van hun gedeelde historische en culturele erfenis. Een politieke lading hadden zijn teksten niet, althans niet vóór 1940.

Bij de Duitse inval in Nederland was Kapteyn 69 jaar oud en nog ruim één jaar verwijderd van zijn emeritaat. Door de Duitse bezetting zou het echter anders lopen. Op 16 september 1940 werd hij benoemd tot rector magnificus van de Groningse universiteit, tegen het advies van de academische senaat in en tot grote ontsteltenis van de hele universiteit. De benoeming geschiedde onder druk van de Duitsers en was daarmee een van de eerste directe ingrepen van de bezetter in het Nederlandse universitaire leven. Kapteyn, die zichzelf als een soort bemiddelaar zag, verklaarde de benoeming als volgt: 'Bij de keuze heeft, naar ik vernomen heb, de overweging voorgezeten, dat daarvoor in de eerste plaats in aanmerking kwam een 100 procent Nederlander, die krachtens zijn verleden geacht mocht worden voor Duitschland en het Duitsche volk het best gefundeerde begrip te hebben'.

Kapteyn was twee jaar lang rector en onderhield in die periode nauwe contacten met de bezettingsautoriteiten. Hij toonde zich een groot voorstander van intensieve Nederlands-Duitse samenwerking. De maatregelen tegen joden moedigde hij weliswaar niet aan, maar hij legde er zich zonder enig protest bij neer. De joodse hoogleraar in de wijsbegeerte te Groningen, L. Polak, werd mede door zijn optreden - hij maakte een aan hem als rector magnificus gerichte brief openbaar, waarin Polak de bezetter aanduidde als 'de vijand'- in 1941 gearresteerd; hij stierf in het concentratiekamp Sachsenhausen. Toch was Kapteyn geen overtuigd nationaal-socialist. Hij was eerder ijdel dan ideologisch betrokken: hij genoot van zijn machtspositie en was daarbij vaak ook naïef. Gedurende de gehele bezettingsperiode hield hij vol dat hij zich als wetenschapper eenvoudigweg niet bezig hoefde te houden met politiek, ook al maakten tijdens zijn rectoraat de Duitsers feitelijk de dienst uit. Hij werd lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), maar pas in juni 1944.

Ook buiten de universiteit onderhield Kapteyn intensieve contacten met nationaal-socialisten. Zo werd hij in 1941 lid van de twintig leden tellende Kultuurraad. In 1941 richtte hij, in samenwerking met SS-voorman J.H. Feldmeijer, de Stichting 'Saxo-Frisia' op. De stichting maakte deel uit van Ahnenerbe, een onderorganisatie van de SS die als doel had de grootgermaanse gedachte te verspreiden. Kapteyn zag haar liever als een zuiver cultureel project, een onschuldige aanvulling op het gelijknamige tijdschrift Ahnenerbe .

In 1942 werd Kapteyn - die in strijd met de Hoger-onderwijswet in 1941 was herbenoemd, ondanks het feit dat hij inmiddels de zeventigjarige leeftijd was gepasseerd - als rector opgevolgd door de medicus H.M. de Burlet. Kapteyn had zijn enthousiasme voor de functie gaandeweg verloren, verbitterd door de vijandigheid die hij als rector ondervond. De bezettingsautoriteiten vonden hem lastig in de omgang en prefereerden de jongere De Burlet, die zich veel duidelijker als nationaal-socialist presenteerde. Kapteyn ging op 6 juni 1944 met emeritaat als hoogleraar germanistiek, maar bleef tot het einde van de oorlog verbonden aan de universiteit als hoogleraar in de volkskunde, een nieuwe leeropdracht. Ook was hij nog steeds actief als leider van de Stichting 'Saxo-Frisia'.

Kort na 'Dolle Dinsdag' (5 september 1944) vluchtte Kapteyn met zijn vrouw naar Oostenrijk, naar het dorpje Murau bij Graz. Drie maanden na de bevrijding keerden zij terug naar Nederland, waar Kapteyn onmiddellijk aan de grens werd gearresteerd. Hij bracht bijna tien maanden - van 18 augustus 1945 tot 6 juni 1946 - door in verschillende interneringskampen; daarna was hij op vrije voeten. Op 19 mei 1948 werd hij op beschuldiging van lidmaatschap van de NSB, van activiteiten binnen SS-organisaties en van schuld aan de arrestatie van professor Polak - hiervan werd hij vrijgesproken - veroordeeld door het Oorlogstribunaal voor het arrondissement Groningen. Wegens zijn 78-jarige leeftijd en slechte gezondheid kreeg hij als straf slechts met terugwerkende kracht de duur van zijn internering opgelegd. Zijn pensioen en het kiesrecht werden hem evenwel ontnomen. Hij keerde terug naar Hoogeveen, de woonplaats van zijn jeugd, en overleed daar een jaar later. Tot het laatst ontkende hij alle verantwoordelijkheid met als argument: 'Ik was geleerde en naïef'.

A: Strafdossier-J.M.N. Kapteyn in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (1945-1952) van het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage; documentatiedossier-J.M.N. Kapteyn in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam; personeelsdossier-J.M.N. Kapteyn bij de afdeling Post- en Archiefzaken van de Rijksuniversiteit te Groningen.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties: Het vraagstuk der herkomst van het Runenschrift in het licht van prae- en protohistorische vondsten. Met opmerkingen over oudgermaansche mythologie en folklore (Groningen 1935); Friezen, Saksen. Twee loten van den Germaanschen stam. Rede uitgesproken tot inleiding der Stichting Saxo-Frisia ('s-Gravenhage [etc.] [1941]).

L: Universitas Groningana MCMXIV-MCMLXIV. Gedenkboek ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan der Rijks-Universiteit te Groningen... (Groningen 1964); G.R. Zondergeld, De Friese Beweging in het tijdvak der beide Wereldoorlogen (Z.pl. 1978); E.A.J. Boiten, 'De Groningse Universiteit', in Groningen in oorlogstijd. Aspecten van de bezettingsjaren, 1940-1945 . Onder red. van idem [e.a.] (Haren 1980) 203-218; L. van Hasselt, Geen koers, geen kompas. J.M.N. Kapteyn als rector van de Groningse universiteit, 1940-1942 [Ongepubliceerde doctoraalscriptie vakgroep Geschiedenis, RU Groningen] (Groningen 1998); idem, ' ''De zaken moeten nu eenmaal loopen''. Kapteyn als rector van de Groningse universiteit (1940-1942)', in Groniek. Historisch Tijdschrift 32 (1999) 311-319.

I: Groningen in oorlogstijd. Aspecten van de bezettingsjaren 1940-1945 (Haren 1980) 206.

L.H. van Hasselt


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013