Klein, Willem (1912-1986)

 
English | Nederlands

KLEIN, Willem (1912-1986)

Klein, Willem, (artiestennamen Pascal en Willy Wortel), rekenkunstenaar, Amsterdam 4-12-1912 - Amsterdam 1-8-1986 [overleden bevonden]). Zoon van Henri Klein, huisarts, en Emma Cohen.

afbeelding van Klein, WillemDe vader van Wim Klein was een joodse huisarts met een goedlopende praktijk in de Amsterdamse Oosterparkbuurt. Hij had graag gezien dat Wim, de jongste van zijn twee zoons, hem zou opvolgen, maar diens belangstelling lag elders. Al op de lagere school, toen het ontbinden in factoren aan de orde kwam, raakte Wim in de ban van getallen. In de klas ging de meester niet verder dan het ontbinden van getallen tot honderd, maar terwijl de andere jongens in de pauze op het schoolplein voetbalden, ging Wim door met het ontbinden van alle getallen tot 10.000. Op het Vossius-Gymnasium, waar hij in 1928 in de derde klas binnenkwam, maar dat hij in 1931 na de vijfde weer verliet, kreeg hij van de leraar wiskunde logaritmetafels, die hij onmiddellijk uit zijn hoofd leerde.

De sfeer was thuis in deze jaren om te snijden. Kleins astmatische en ongelukkige moeder pleegde in 1929 zelfmoord, en zijn vader dwong hem in een richting die hij niet wilde. Na in 1932 staatexamen gymnasium te hebben gedaan was Klein het liefst de bühne opgegaan met zijn rekenkunsten, maar hij gehoorzaamde zijn vader en schreef zich in aan de Universiteit van Amsterdam voor de studie geneeskunde. Klein sleepte zich door de studie heen: voor elk examen slaagde hij pas, na eerst een keer gezakt te zijn. Zo slaagde hij in 1935 voor het kandidaatsexamen en in juni 1938 voor het eerste deel van het doctoraalexamen.

Een jaar eerder was evenwel Kleins vader overleden en daarmee viel de druk om verder te studeren goeddeels weg. Toen hij in juli 1938 zakte voor het tweede deel van het doctoraalexamen gaf hij er de brui aan. Klein bleef ingeschreven staan, maar deed niets meer aan de studie. Dankzij een bescheiden erfenis kon hij samen met zijn broer Leo Henri - een aanstaand jurist - de bloemetjes eens flink buitenzetten. Ook ontdekte hij nu zijn homoseksuele geaardheid, en aangezien hij naar eigen zeggen niet tot het romantische type behoorde en afhankelijk was van de betaalde liefde, slonk de erfenis zienderogen.

Beide broers werden vanaf 1938 om hun verbluffende rekencapaciteiten - ook Leo kon goed hoofdrekenen - geregeld onderzocht door de Amsterdamse neuroloog B.B. Stokvis. Deze stelde vast dat Wim Klein, binnen de categorie 'mental calculators', tot het zogeheten auditieve type behoorde, terwijl zijn broer juist tot het visuele type moest worden gerekend. Leo Klein moest de getallen steeds voor zich zien, Wim Klein moest ze steeds stilletjes voor zich uit mompelen om ze al doende te combineren en te kraken.

Na de Duitse inval van mei 1940 was het snel over met het boemelen in de kroegen en uitgaansgelegenheden van Amsterdam. Wim werkte twee jaar in een joods ziekenhuis, schreef zich opnieuw in aan de Amsterdamse universiteit en deed zelfs op 31 maart 1941 het tweede deel van het doctoraalexamen geneeskunde. In 1942 moest hij echter onderduiken. Terwijl broer Leo op transport werd gesteld en uiteindelijk de dood zou vinden in het vernietigingskamp Sobibor, wist Wim, ondergedoken in Amsterdam, de bezettingsjaren levend door te komen.

Na de bevrijding schreef Klein zich nog wel opnieuw in aan de Universiteit van Amsterdam - hij moest zijn artsexamen nog doen -, maar al spoedig ging hij doen wat hij altijd al had gewild: op de planken staan met zijn rekenkunsten. Hij begon in Amsterdam in het Rozentheater met een act als 'Fakir Ali Ben Achmed', met tulband en sik, maar met matig succes. Klein was klein en gedrongen, sprak door een kaakvergroeiing wat moeilijk en kwam daardoor beter tot zijn recht wanneer hij zich niet verkleedde, maar gewoon zichzelf speelde. Spoedig maakte Klein daarom de overstap naar de show van Alex de Haas en de Kilima Hawaiians, waarin hij aangekondigd werd als 'Pascal, het Hollandse rekenwonder'. Toen de Kilima's zelfstandig gingen optreden, sloeg ook Klein een andere weg in. Hij trok naar het buitenland, naar België en Frankrijk. In Parijs trad hij rond 1950 af en toe op in een klein theater, maar meestal voorzag hij in zijn levensonderhoud als straatartiest. Hij was te vinden bij de ingang van de metrostations of bij de theatertjes aan Place Pigalle, voortdurend op zijn qui-vive om de politieagenten te ontwijken die hem het land zouden uitzetten wanneer zij hem op heterdaad betrapten.

Aan Kleins zwervende bestaan leek in 1952 een einde te komen toen hij werd aangenomen als wetenschappelijk rekenaar bij het Mathematisch Centrum in Amsterdam. De computers stonden nog in de kinderschoenen, en veel rekenwerk kon sneller door een rekenwonder als Klein worden gedaan. Soms trad hij echter met zijn rekenkunsten op als interessant nummer op een congres, zoals in 1954 tijdens het Internationale Wiskunde Congres dat toen in Amsterdam werd gehouden. De drang om een publiek te verbazen met zijn kunsten leidde er eveneens toe dat Klein gedurende lange verlofperiodes langs scholen en theaters in binnen- en vooral buitenland trok. De meeste HBS-directeuren en rectoren van gymnasia in Nederland, die hij had aangeschreven om demonstraties te geven, reageerden niet, maar Klein vierde triomfen in het Palais de la Découverte in Parijs en de Music Hall in Londen. Officieel stond hij tussen 1954 en 1958 te boek als woonachtig in het Zuid-Franse Cannes. Aan zijn zwervende bestaan kwam pas echt een einde toen hij in 1958, opnieuw als wetenschappelijk rekenaar, de overstap maakte naar de Conseil Européen pour la Recherche Nucleaire (CERN) in Genève. Hij was daar de fysici behulpzaam bij het tijdrovende en nog niet geheel door computers overgenomen rekenwerk.

Omstreeks het midden van de jaren zestig zag het er steeds meer naar uit dat Klein door de computer zou worden ingehaald. De computers werden krachtiger en sneller, en de fysici begonnen zelf ook meer te programmeren. Klein werd daarom meer en meer ingezet als de mascotte van CERN, die bezoekers met zijn hoofdrekenkunsten kon vermaken. Geleidelijk begon hij zich steeds minder thuis te voelen in Zwitserland met de in zijn ogen humorloze inwoners: 'Een mooi land', placht hij te zeggen, 'alleen jammer dat er zoveel Zwitsers wonen'. Toen hij in 1975 ter gelegenheid van de herdenking van het zevenhonderdjarige bestaan van Amsterdam weer geregeld in zijn geboortestad kwam, kreeg hij last van heimwee. Hij wilde terug 'naar Mokum, naar huis, waar nog wat te lachen valt' (Ruigrok (1975)). In 1976 ging hij vervroegd met pensioen, en kort daarna keerde hij terug naar Nederland.

In plaats van rustig van zijn oude dag te genieten, stortte Klein zich weer in het variétéwereldje. Hij kwam op de televisie, bezocht festivals en manifestaties en trok opnieuw de scholen langs. Maar terwijl hij voorheen een artiest was, ging het hem nu vooral om het rekenen zelf. Naast de bekende trucs - het ontbinden van grote getallen, het optellen en aftrekken van willekeurige getallen, het uitrekenen van geboorte- en sterftejaren, het berekenen van vreemde valuta etc. - specialiseerde hij zich nu in het worteltrekken. Al in 1974 had Klein een vermelding gekregen in het Guinness Book of Records door binnen anderhalve minuut de negentiende-machtswortel uit een getal van 133 cijfers te trekken, en spoedig volgden meer vermeldingen. Hij verbeterde voortdurend zijn eigen records, totdat hij in 1986 slechts één minuut en 28,8 seconden nodig had om de dertiendemachtswortel uit een getal van honderd cijfers te trekken (de standaardproef). Bovendien - ook dat leverde een vermelding in het Guinness Book op - verdeelde hij in 43,8 seconden een getal van vier cijfers in tien verschillende sommen van vier kwadraten.

Met zijn optredens en pogingen om zijn eigen record te verbeteren trok Klein - nu onder de artiestennaam 'Willy Wortel' - opnieuw volle zalen, niet alleen in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten en Japan. Elk optreden van het slordig geklede, met een enorme zwartgerande bril getooide mannetje was weer een belevenis. Hij liep driftig op en neer, mompelde voor zich uit, blies als een kat, schreef 'tussenstanden' haastig op een schoolbord, veegde die weer uit en was onvermoeibaar in de weer. Ondanks zijn legendarische drankzucht ging het hoofdrekenen hem nog net zo makkelijk af als in zijn jonge jaren.

Op 1 augustus 1986 trof zijn huishoudster Klein levenloos aan in zijn bovenwoning aan de Brouwersgracht in Amsterdam. Hij was - waarschijnlijk de vorige dag al - door messteken om het leven gebracht, en het huis was grondig doorzocht. Spoedig arresteerde de politie een jongeman die geregeld bij Klein over de vloer kwam. Deze ontkende echter iets met de roofmoord te maken te hebben en moest al spoedig weer worden vrijgelaten. De moord is nooit opgelost.

L: Interview door J.A. Redeker, in De Telegraaf, 31-8-1956; interview door H. Ruigrok, in Algemeen Dagblad, 26-4-1975 en 2-3-1978; interview door Hieke Jippes, in Het Parool, 19-7-1975; interview door C.G. van Zweeden, in Trouw, 19-12-1975; interview door Paul de Bruin, in NRC Handelsblad, 6-12-1979; interview door C. van den Berg, in Algemeen Dagblad, 14-12-1982; Steven B. Smith, The great mental calculators. The psychology, methods, and lives of calculating prodigies, past and present (New York 1983); Helmut Kuhn, Wim Klein. Genie, Clown oder Wissenschaftler. Das Rechenwunder, das die Welt verblüffte (Hamburg 1983); Tom Rooduijn, in NRC Handelsblad , 9-8-1986; Aukje Holtrop, in Vrij Nederland , 9-8-1986; Ed de Moor, 'De wonderlijke Willy Wortel', in idem, Vroeger. 40 historische columns over het rekenonderwijs (Z.pl. 1999) 78-79.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 29638 [Wim Klein in oktober 1978].

B. Broccoli


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013