Kom, Cornelis Gerhard Anton de (1898-1945)

 
English | Nederlands

KOM, Cornelis Gerhard Anton de (1898-1945)

Kom, Cornelis Gerhard Anton de, politiek activist en publicist (Paramaribo (Suriname) 22-2-1898 - Sandbostel (Duitsland) 24-4-1945). Zoon van Adolf Damon de Kom, gouddelver en later landbouwer, en Judith Jacoba Dulder. Gehuwd op 6-1-1926 met Petronella Catharina Borsboom (1898-1983). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Kom, Cornelis Gerhard Anton deAnton de Kom werd geboren en groeide op in de Pontewerfstraat, in een creoolse volkswijk in Paramaribo. Na de lagere school doorliep hij de MULO: in de koloniale tijd een opmerkelijke prestatie voor een jongen uit de volksklasse. In het ouderlijk huis raakte hij vertrouwd met de mondelinge overlevering over de slavernij, die pas in 1863 was afgeschaft en die zijn grootouders nog aan den lijve hadden ondervonden. Afkeer van kolonialisme en racisme zou in zijn latere leven en schrijven centraal staan.

In 1916 werkte De Kom eerst enkele maanden op een deurwaarderskantoor, waarna hij een baan aannam als administrateur bij de Balata Compagnie, een rubberbedrijf. Hij ging al snel de belangen van de ongeschoolde 'balata bleeders' (: rubbertappers) bij de directie behartigen, waarmee hij zich de bijnaam 'papa De Kom' verwierf.

De Kom was een ondernemende en ook wel rusteloze figuur. Zonder aanwijsbare reden en als eenling vertrok hij in 1920 naar Nederland. De bootreis maakte hij als werkend passagier. Na aankomst nam De Kom - opmerkelijk, gezien zijn latere militante antikoloniale houding - als vrijwilliger dienst bij het Derde Regiment Huzaren in Den Haag. Als enige zwarte in dit legeronderdeel trok hij veel aandacht. Een collega herinnerde zich hem als een goed en populair collega; 'zat echter gauw op de kast, vooral wanneer het ging om Suriname en zijn huidskleur'. Hij voegde daaraan toe dat De Kom, als hij met zijn collega's uitging, er altijd perfect verzorgd uitzag en 'bij de vrouwen en meisjes meer gezien [was] dan wij' (geciteerd in: Oostindie en Maduro, 91). In het Haagse uitgaansleven maakte hij faam als tapdanser; ook was hij een verdienstelijk amateuratleet.

Nadat De Kom ontslag had genomen als huzaar, werkte hij kortstondig als boekhouder bij de Hanze Bank, en vervolgens bij de firma Reuser en Smulders in koffie, thee en tabak. In 1931 werd hij hier ontslagen, waarna hij tot zijn vertrek naar Suriname, eind 1932, werkzaam was bij concurrent Dorlas.

De Koms ontslag bij Reuser en Smulders vond, behalve in een reorganisatie, mede zijn oorzaak in de omstandigheid dat hij links-radicale politieke activiteiten was gaan ontplooien. Zijn politieke engagement werd allengs gearticuleerder en radicaler. Hij werd lid van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Overheersching, een mantelorganisatie van de Communistische Partij Holland (CPH), die ijverde voor onafhankelijkheid van alle Nederlandse koloniën. Van de CPH zelf werd hij overigens - naar eigen zeggen - nooit lid; wel zou hij voornamelijk in communistische kring actief blijven. Zo schreef hij artikelen voor De Tribune en De Communistische Gids. De betekenis van zijn contacten met de communisten omschreef hij later als 'dat ene machtige woord dat ik in den vreemde heb geleerd, ''organisatie'' ' (Wij slaven van Suriname , 164). Daarnaast sympathiseerde De Kom ook met de zwarte bewustzijnsbeweging, in het bijzonder de African Blood Brotherhood van de Jamaicaan Marcus Garvey. In de communistische ideologie was racisme overigens slechts een afgeleide van de klassenstrijd binnen het kapitalisme; deze lijn zou De Kom - althans publiekelijk - ook onderschrijven.

In 1926 was De Kom getrouwd met de Nederlandse Nellie Borsboom. Eind 1932 vertrok hij met zijn inmiddels vier kinderen tellende gezin naar Suriname, nadat zijn echtgenote haar verzet tegen dit voornemen had opgegeven. Directe aanleiding voor de overtocht van De Kom was het bericht dat zijn moeder op sterven lag. Zij zou overigens vóór zijn aankomst overlijden. Gezien zijn politieke activiteiten en enkele in de voorgaande jaren ondernomen pogingen zich in Suriname of desnoods op Curaçao te vestigen, ligt het voor de hand te veronderstellen dat De Kom de reis niet alleen uit persoonlijke motieven ondernam, maar tevens om deel te nemen aan de politieke strijd in zijn geboorteland. Zo dachten in ieder geval zowel vele Surinamers als de lokale autoriteiten erover. Bij zijn aankomst in Paramaribo, op 4 januari 1933, wachtten behalve een grote menigte Surinamers - in de lokale pers was veel aandacht gegeven aan zijn komst - ook enkele politiefunctionarissen De Kom op; demonstratief bleven zij hem in de gaten houden. Ook zouden zij hem geld hebben afgenomen, met de verklaring dat dit de Sovjetbijdrage aan zijn agitatie in Suriname zou zijn.

De Kom begon in zijn geboortehuis aan de Pontewerfstraat een 'adviesbureau'. Van heinde en verre stroomden Surinamers toe, opmerkelijk genoeg, in het etnisch diep verdeelde Suriname, niet slechts creolen, maar ook Hindoestanen, marrons (: bosnegers) en vooral Javanen. De laatstgenoemden zagen in De Kom een haast goddelijke figuur, die hun terugkeer naar Java zou bewerkstelligen; of hij deze beeldvorming zelf stimuleerde is onduidelijk. De autoriteiten volgden zijn activiteiten met argusogen. Gouverneur A.A.L. Rutgers besloot hem te laten arresteren wegens de 'communistische agitatie' die hij vanuit zijn adviesbureau zou plegen. Hierna ontstond een volksoproer, waarbij de politie twee demonstranten doodde. Er vielen, op deze 'Zwarte Dinsdag' 7 februari 1933, tevens 22 gewonden.

De Kom werd ruim drie maanden gedetineerd gehouden. Uiteindelijk werd hij gedwongen met zijn gezin terug te keren naar Nederland. Het was een door hem niet gezochte verbanning uit zijn geboorteland, dat hij nooit meer zou terugzien. De CPH organiseerde in Nederland een warme ontvangst door enkele duizenden kameraden, eerst in IJmuiden en vervolgens in Amsterdam. In De Tribune, maar ook in de Surinaamse Banier van Waarheid en Recht werd hiervan uitvoerig verslag gedaan.

Terug in Nederland bleef De Kom zijn politieke idealen trouw. In mei 1933 verscheen in het maandblad Links Richten een fragment uit zijn nog ongepubliceerde boek Wij slaven van Suriname, waaraan hij sinds 1926 had gewerkt. Het boek zelf werd in 1934 door de Amsterdamse uitgeverij Contact gepubliceerd, dit niettegenstaande pogingen van de Centrale Inlichtingen Dienst dat door intimidatie te verhinderen. Het maakt duidelijk hoe beducht de autoriteiten waren voor De Koms agitatie. Uiteindelijk verscheen het boek in gekuiste vorm, waarin onder meer een enigszins ronkende, leninistisch getoonzette passage - die in Links Richten nog voorkwam - door de uitgever was geschrapt. De schrijver Jef Last trad op als tekstredacteur en nam bepaalde passages voor zijn rekening. In later jaren zou Last zelfs het auteurschap opeisen, maar er is geen reden te twijfelen dat het boek in de grond het werk van De Kom zelf was, zowel naar inhoud en vorm als naar het idee en het onderzoek dat eraan ten grondslag lag.

Wij slaven van Suriname is een opmerkelijk boek. Hoewel in de jaren dertig overal in het Caraïbisch gebied antikoloniale, linkse en radicaal-zwarte bewegingen opkwamen, waren er nauwelijks boeken geschreven door Caraïbische auteurs waarin de koloniale geschiedschrijving op haar kop werd gezet. Dat is precies wat 'AdeK' - zoals De Kom zich wel aanduidde - in Wij slaven van Suriname deed. Niet compositie, schrijfwijze of gebruikte bronnen maken het boek tot een uniek document, maar de radicale breuk met de koloniale penvoering. Hoewel niet altijd genuanceerd werd hier voor het eerst de Surinaamse geschiedenis herschreven vanuit een antikoloniaal gezichtspunt. De Kom richtte zich daarbij niet slechts tegen de economische en politieke gedaanten van het kolonialisme, maar ook tegen de psychologische dimensie ervan. Met dit boek hoopte hij de Surinamer zijn trots terug te geven: 'Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft. Daarom wil dit boek trachten het zelfrespect der Surinamers op te wekken' (p. 49).

In Nederland werd Wij slaven van Suriname geprezen door de Forum- groep, vooral ook omdat het een 'eigen' Surinaamse versie van de geschiedenis bood. Vooral de schrijver E. du Perron spande zich in het boek onder de aandacht te brengen. Het werd vrij goed verkocht, niet in de laatste plaats door de commotie die over De Koms bezoek aan Suriname was ontstaan. Door steun uit de Sovjetunie verscheen er een Duitse vertaling, die zowel in Moskou (1935) als Zürich (1936) verscheen.

Door de crisis en waarschijnlijk ook door zijn radicale imago gelukte het De Kom na zijn aankomst in Nederland niet meer om regulier werk te vinden. Het waren armoedige en moeilijke jaren. De Kom raakte verbitterd en soms wanhopig. Zwaar overspannen werd hij kort voor de oorlog enige maanden opgenomen in een kliniek. Intussen bleef hij schrijven, behalve stukken voor de communistische pers ook gedichten, die postuum zouden worden uitgegeven onder de titel Strijden ga ik .

Tijdens de Duitse bezetting werd Wij slaven van Suriname onmiddellijk verboden. De Kom bleef zijn principes trouw. Hij schreef voor de illegale communistische pers. Op 7 augustus 1944 werd hij gearresteerd. Via de strafgevangenis in Scheveningen, Vught en Oranienburg werd hij uiteindelijk op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme, en vandaar naar Sandbostel. Daar overleed hij kort voor de bevrijding aan tuberculose. Zijn lichaam werd later in een massagraf gevonden en geïdentificeerd. In 1960 werd De Kom bijgezet op de erebegraafplaats in Loenen.

Anton de Kom was een uitzonderlijk man en mag met recht een 'founding father' van het Surinaamse nationalisme worden genoemd. Hij was een pionier van de antikoloniale geschiedschrijving, een man ook die zijn eenvoudige milieu ontsteeg zonder zich ervan te distantiëren. Tegelijk, tragisch, een koloniaal onderdaan die in Nederland en niet in zijn 'geliefde Sranan' zijn carrière zou maken, ook 'in het land van de overheerser' altijd een tussenfiguur zou blijven, en bovendien zijn leven juist zou geven voor Nederland.

A: Collectie-C.G.A. de Kom in familiebezit.

P: De twee in de tekst genoemde publicaties en artikelen in De Tribune , De Communistische Gids en Links Richten .

L: 'Inleiding', in A. de Kom, Strijden ga ik (Paramaribo [1969]) 5-10; Sandew Hira, Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940 (Rotterdam 1982); Mémre Papa de Kom (Paramaribo 1985); Gert Oostindie en Emy Maduro, In het land van de overheerser . II: Antillianen en Surinamers in Nederland, 1634/1667-1954 (Dordrecht [etc.] 1986); Ben Scholtens, Opkomende arbeidersbeweging in Suriname. Doedel, Liesdek, De Sanders, De Kom en de werklozenonrust 1931-1933 (Nijmegen 1986); A. de Kom. Zijn strijd en ideeën. Toespraken van Nico Wijnen [e.a.] (Amsterdam 1989); Michiel van Kempen, 'Tussen verbeelding en strijd (over Anton de Kom)', in De geest van Waraku. Kritieken over Surinaamse literatuur (Haarlem [etc.] 1993) 91-97; Ewald Vanvugt, 'Anton de Kom (1898-1945). Een antikoloniale proletarier', in Nestbevuilers. 400 jaar Nederlandse critici van het koloniale bewind in de Oost en de West (Amsterdam 1996) 178-180; René Zwaap, 'Een Surinaamse messias', in De Groene Amsterdammer, 2-9-1998; Frits van Suchtelen, lemma in Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland VIII (Amsterdam 2000) 105-109. Op 1 december 1999 zond de RVU de televisiedocumentaire Wij slaven van Suriname: Anton de Kom van Frank Zichem en Ellen Brautigam uit.

I: A. de Kom, Strijden ga ik (Paramaribo [1969]) 4.

G.J. Oostindie


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013