Koningsberger, Jacob Christiaan (1867-1951)

 
English | Nederlands

KONINGSBERGER, Jacob Christiaan (1867-1951)

Koningsberger, Jacob Christiaan, bioloog en politicus (Hazerswoude (Z.H.) 17-1-1867 - Scheveningen 19-3-1951). Zoon van Victor Jacob Koningsberger, Nederlands-hervormd predikant, en Josina Cornelia Tieleman. Gehuwd op 29-3-1894 met Manuella Ursule Mariana Hellendoorn (1865-1899). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Na haar overlijden gehuwd op 2-7-1902 met Bertha Rosina Margaretha Lang (1874-1962). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

afbeelding van Koningsberger, Jacob ChristiaanJacob Koningsberger groeide op als zoon van een predikant. Toen hij vier jaar oud was, vestigde het gezin zich in Utrecht. Hier bezocht de jonge Koningsberger het gymnasium, waarna hij in 1885 biologie ging studeren aan de Utrechtse universiteit. Na in mei 1889 het doctoraalexamen te hebben behaald werd hij assistent van de botanicus prof. N.W.P. Rauwenhoff. Op 28 oktober 1891 promoveerde hij onder diens leiding cum laude op het proefschrift Bijdrage tot de kennis der zetmeelvorming bij de angiospermen . Na werkzaam te zijn geweest als leraar plant- en dierkunde aan het gymnasium te 's-Hertogenbosch, vertrok hij in 1894 naar Nederlands-Indië om daar als landbouwzoöloog werkzaam te zijn bij de koffiecultures op Java.

Koningsberger richtte zijn onderzoek vooral op het voorkomen en bestrijden van insecten in alle grote cultures op Java, zoals onder meer blijkt uit zijn tweedelige, in 1897 en 1901 verschenen, De dierlijke vijanden der koffiecultuur op Java , waarin verschillende insecten de hoofdrol spelen. Een jaar later, in januari 1898, trad hij formeel in dienst van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg, waar op dat moment de grote landbouwkundige M. Treub de scepter zwaaide. Koningsberger werd er hoofd van de Xde Afdeeling voor Landbouw-Zoölogisch Onderzoek. Als zodanig zou hij een van de weinige echte vertrouwelingen van Treub worden, die hem bij vrijwel alles wat hij deed betrok. Toen Koningsberger in 1899 voor de eerste maal met verlof naar Nederland vertrok, kon hij terugzien op een tot dan toe voorspoedige Indische carrière. De plotselinge dood van zijn vrouw tijdens de terugreis naar Nederland wierp daarover echter een zware schaduw.

Dit laatste weerhield Koningsberger er niet van naar de Oost terug te keren om er zijn werk als bioloog in dienst van 's Lands Plantentuin voort te zetten. Hij publiceerde - behalve monografieën over ziekten in landbouwgewassen, over de economische betekenis van vogels en over de op Java voorkomende zoogdieren - verschillende wetenschappelijke artikelen. Koningsberger vatte zijn kennis van de Javaanse flora en fauna samen in zijn twaalf afleveringen tellende magnum opus, Java, zoölogisch en biologisch , dat vanaf 1911 verscheen. Hiernaast was hij betrokken bij de eerste pogingen van de Indische regering maatregelen te treffen ter bescherming van de natuur in de archipel. Tenslotte had hij als superintendant over het onderwijs de dagelijkse leiding van de in 1903 te Buitenzorg gestichte Landbouwschool, die onder meer bestemd was voor inheemse bestuursambtenaren. Het was een functie die hij met enthousiasme uitoefende.

Inmiddels was Koningsberger - die in 1902 was hertrouwd - in respectievelijk 1907 en 1909 tweemaal opgetreden als plaatsvervangend directeur van het in 1905 opgerichte departement van Landbouw; de naam 's Lands Plantentuin bleef alleen voor de tuin zelf bestaan. In 1909 werd hij als opvolger van Treub echter gepasseerd door de voormalige directeur van de Heidemij, H.J. Lovink, vooral omdat de koloniale overheid, na een wetenschapsbeoefenaar, iemand met praktische ervaring aan het hoofd van het departement van Landbouw wilde benoemen. Tegelijkertijd werd besloten alle zuiver wetenschappelijke onderdelen van het departement te verenigen onder de oude naam 's Lands Plantentuin. Van dit laatste instituut werd Koningsberger op 1 januari 1911 de eerste directeur. In de kleine Nederlandse gemeenschap in Buitenzorg nam hij hierdoor een prominente positie in. Hij leidde geregeld hoge buitenlandse gasten rond in de beroemde botanische tuin en kwam zodoende ook in contact met de gouverneur-generaal, eerst A.W.F. Idenburg (1909-1916) en later J.P. graaf van Limburg Stirum (1916-1921). De laatstgenoemde leerde hem kennen als een evenwichtige, optimistische en intelligente persoonlijkheid, die gemakkelijk met mensen wist om te gaan en zich verre van de politiek hield: 'een decoratieve figuur en in den omgang een man van aangename vormen' (Tertius, 1355). Toen er een onafhankelijke voorzitter werd gezocht voor de in 1916 ingestelde Volksraad viel de keuze daarom op Koningsberger; overigens tot verbazing van velen die niet tot de Buitenzorgse kringen gerekend konden worden.

Koningsbergers voorzitterschap van de Volksraad - van 1 januari 1918 tot 3 september 1919 - werd geen succes. Onwennig in zijn nieuwe politieke rol, maar ook beducht voor het verwijt nationalistische vertegenwoordigers onvoldoende ruimte te geven, gaf hij nauwelijks leiding aan de soms felle debatten. 'Op enkele beslissende momenten scheen de Raad geheel aan zichzelf overgelaten', constateerde gouverneur-generaal Van Limburg Stirum teleurgesteld (Van der Wal, De Volksraad I, 241). In januari 1919 besloot Koningsberger zijn Indische carrière binnen afzienbare tijd te beëindigen. Het waren niet de politieke onzekerheden en spanningen die hem tot dit besluit brachten, maar het spreekwoordelijke feit dat 'niemand ongestraft onder de klapperbomen' kon lopen. In december 1918 werd ook hij namelijk door de griepepidemie geveld die toen op Java vele slachtoffers eiste, wat hem 'diep, zéér diep, in de put heeft gebracht' (ibidem I, 279). Het deed hem besluiten in september 1919 definitief naar Nederland terug te gaan. Hier werd hij onder meer voorzitter van de Jaarbeurs en van het curatorium van de Veeartsenijkundige Hoogeschool, beide te Utrecht.

'Indië' liet Koningsberger echter niet meer los. Hij bleek een groot voorstander te zijn van snelle staatsrechtelijke hervormingen in de kolonie als enig middel om ernstige politieke ontsporingen te voorkomen. Daarbij liet hij zich kennen als een typisch vooruitstrevend ethicus, die weliswaar de politieke ontwikkeling van de Indische bevolking toejuichte, maar daarbij Nederlandse leiding vooralsnog onmisbaar achtte. Vooral de ideeën van de Leidse jurist C. van Vollenhoven spraken hem aan. In oktober 1921 behoorde hij daarom tot degenen die openlijk protesteerden tegen het wetsvoorstel betreffende de Indische bestuurshervorming van minister van Koloniën S. de Graaff (1919-1925). Dit was immers vooral bedoeld om de positie van het Binnenlandsch Bestuur te versterken en bood nauwelijks uitzicht op een democratische ontwikkeling van de koloniale staat.

De protesten van Koningsberger en anderen hadden geen succes in een tijd waarin de koloniale politiek werd gedomineerd door een uiterst conservatieve minister van Koloniën en de al even conservatieve gouverneur-generaal D. Fock (1921-1926). Zijn teleurstelling hierover hield hij niet voor zich. In juni 1925 hield Koningsberger een voordracht over 'De verhoudingen tusschen Nederland en Indië, beschouwd van natuurwetenschappelijk standpunt' (in: Verslag van ... het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen ... (Utrecht 1925) 8-25). Hierin vergeleek hij de politieke ontwikkelingen in de kolonie met de natuurlijke evolutie, waarbij volgens hem Nederland voor de taak stond Indië 'de weg der verkorte ontwikkeling' (16) te laten opgaan - zoals het menselijk embryo in de moederschoot ook in snel tempo verschillende evolutionaire fasen kon doormaken. Nederland zou hiermee volgens Koningsberger niet alleen een ereschuld aflossen, het had tevens, gezien de groei van de nationalistische beweging in Indië, weinig keus. De kolonie moest in snel tempo een met het moederland gelijkwaardig deel van het Nederlandse imperium worden.

Terwijl Koningsberger deze oproep deed, werden er tot zijn grote spijt aan zijn alma mater bijzondere leerstoelen gevestigd waarvan de kersverse bekleders een geheel ander geluid lieten horen. Tegen deze achtergrond leek het erop dat hijzelf een roepende in de woestijn zou blijven, totdat hij als koloniaal deskundige zonder partijpolitieke binding op 8 maart 1926 als minister van Koloniën zitting nam in het zogeheten 'intermezzo-kabinet' van jhr. D.J. de Geer. Een van Koningsbergers eerste en opvallende daden in zijn nieuwe functie was de benoeming op 26 maart van zijn goede vriend jhr. A.C.D. de Graeff tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Het politiek handwerk op het Plein kon de minister vervolgens maar weinig boeien. Hij prees zich bij de wekelijkse bestudering van de lijvige mailrapporten uit Indië gelukkig dat er voldoende stukken over de landbouw bij zaten, die 'steeds het welkome element van goede en oude bekendheid met zich brachten, een attractie, die de andere stukken uiteraard niet in gelijke mate konden bezitten' (Koningsberger, 'Herinneringen 1907-1923', 53). Voor het overige had Koningsberger het gevoel reeds te lang uit het zich snel ontwikkelende Indië weg te zijn om een geheel eigen beleid te ontwikkelen. Het politieke initiatief in koloniale zaken liet hij hierdoor volledig in Buitenzorg, waar De Graeff zijn totale vertrouwen genoot. Volgens critici, zoals de latere minister Ch.J.I.M. Welter, was Koningsberger slechts de ' ''régisseur parlant au public'' der Indische Regeering' (Van der Wal, De Volksraad I, 88).

De Graeff - de laatste vooruitstrevende gouverneur-generaal die Indië zou kennen - probeerde ondertussen met enkele maatregelen de Indonesische nationalistische beweging enigszins tegemoet te komen. Koningsberger steunde hem hierbij, zij het soms schoorvoetend. Grote conflicten met de volksvertegenwoordiging wilde Koningsberger voorkomen door zaken niet op de spits te drijven. Hij slaagde erin de Indische Staatsregeling te wijzigen, waardoor er twee inheemse leden aan de Raad van Indië konden worden toegevoegd en de Volksraad een inheemse meerderheid kreeg. Met het aftreden van het ministerie-De Geer op 10 augustus 1929 kwam er aan Koningsbergers ministerschap een einde. Hij trok zich uit het openbare leven terug. Wel bleef hij nog actief als bestuurslid van de Nederlandsche Commissie voor Internationale Natuurbescherming, die hij in 1925 mede had opgericht. Tevens vertrouwde hij enkele malen zijn herinneringen aan de tijd dat hij nog in Buitenzorg werkte aan het papier toe. Hij overleed in 1951 op 84-jarige leeftijd.

Koningsberger was een intelligente en beminnelijke persoonlijkheid met veel gevoel voor humor. Zijn belangstelling bleef gedurende zijn leven vooral naar biologisch en landbouwkundig onderzoek uitgaan, waardoor hij zich als voorzitter van de Volksraad en minister van Koloniën nimmer helemaal in zijn element voelde. 'Als in laatste instantie natuurwetenschappelijke kat moet ik mij wel zeer weinig op mijn gemak voelen in dit mij zoo volslagen vreemde pakhuis', verzuchtte Koningsberger in 1920, toen hij de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristenvereeniging moest toespreken (Handelingen 50 (1920) II, 106). Een groot deel van zijn leven zou hij echter in voor hem vreemde pakhuizen doorbrengen, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië. In zijn laatste levensjaren verlangde hij naar Indië, maar moest hij tot zijn spijt genoegen nemen met 'het waarnemen van de snelheid, waarmede verschillende plantensoorten zich op de door de oorlog kaal geworden plekken in de omgeving van zijn woonplaats vestigden' (Docters van Leeuwen, 62). De levende natuur bleef tot het laatst Koningsbergers ware passie.

P: Naast de in de tekst genoemde publicaties en vele artikelen: Inleiding in de systematiek der phanerogamen (Utrecht 1893); Overzicht der schadelijke en nuttige insecten van Java (2 dln.; Batavia [etc.] 1898-1908); De vogels van Java en hunne oeconomische beteekenis (2 dln.; Batavia 1901-1909); De zoogdieren van Java (Batavia 1902); Ziekten van rijst, tabak, thee en andere cultuurgewassen, die door insecten worden veroorzaakt (Batavia 1903); Tripang en tripangvisscherij in Nederlandsch-Indië (Batavia 1904); Hollandsche jongelieden en Indische landbouw (Deventer [1925]); 'Herinneringen aan 1907-1923', in Gedenkschrift ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, 1905-1930 (Buitenzorg 1930) 40-53; 'Herinneringen uit mijn directeursjaren van 's Lands Plantentuin (1909 tot 1918)', in Cultureel Indië 4 (1942) 105-132.

L: Behalve necrologieën o.a. door W.M. Docters van Leeuwen, in Vakblad voor Biologen 31 (1951) 250-251, en W. Roepke, in Entomologische Berichten 13 (1951) 257-258: Tertius, 'De Volksraad en zijn eerste voorzitter', in Koloniaal Tijdschrift 6 (1917) II, 1350-1356; W.G.B., 'Dr. J.C. Koningsberger', in De Taak. Algemeen Indisch Weekblad 1 (1917/1918) 193-195; Ch. Bernard, 'Dr. J.C. Koningsberger, directeur du Jardin Botanique de Buitenzorg, 1911-1917', in Annales du Jardin botanique de Buitenzorg , 4de supplement (Leiden 1918) 2-6; Indië. Geïllustreerd weekblad voor Nederland en Koloniën 9 (1925/1926) 440-441; De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Een bronnenpublikatie . I: 1891-1926 . Bew. door S.L. van der Wal (Groningen 1964); Karel H. Voous, In de ban van vogels. Geschiedenis van de beoefening van de ornithologie in Nederland in de twintigste eeuw (Alphen aan den Rijn 1995); Bob de Graaff, 'Kalm temidden van woedende golven'. Het ministerie van Koloniën en zijn taakomgeving, 1912-1940 ('s-Gravenhage 1997); Arjen Taselaar, De Nederlandse koloniale lobby. Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940 (Leiden 1998).

I: Morks Magazijn 19 (1917) II, 253 [Koningsberger in 1918].

H.W. van den Doel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013